Zoekresultaten 1-50 van de 48418 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:225 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9862

    Voorzittersbeslissing. Aan de hand van de stellingen van partijen concludeert de voorzitter dat inderdaad niet kan worden vastgesteld dat de huisarts een dergelijke vermelding (dat klaagster een lastige patiënt is) heeft gemaakt in het medisch dossier van klaagster. De stelling van klaagster dat deze opmerking staat vermeld is bovendien niet of althans onvoldoende onderbouwd. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:11 Kamer voor het notariaat Amsterdam 780145 / NT RK 25/49

    Klager is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met zijn ex-echtgenote. Tot de gemeenschap van goederen behoorde de eigendom van een woning, gefinancierd met een hypothecaire lening van ING Bank N.V. (hierna: ING). Op 31 oktober 2025 heeft de notaris een akte van verdeling gepasseerd.klachtonderdeel 1 Klager verwijt de notaris een verkeerde afhandeling van de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en het niet signaleren of verduidelijken van de voortijdige vrijgave door ING. Klachtonderdeel ongegrond. Het is niet vast komen te staan dat klager daadwerkelijk voortijdig (dat wil zeggen: vóór 31 oktober 2025) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid is ontslagen of dat er aanleiding was anders te handelen op dit onderdeel dan de notaris heeft gedaan. Dat klager voortijdig een (mogelijk foutief) bericht heeft ontvangen van ING kan de notaris niet aangerekend worden. Dit geldt temeer nu klager op 23 oktober 2025, toen hij contact opnam met de notaris, niet beschikte over een schriftelijke bevestiging die hij aan de notaris kon overleggen. Bovendien heeft de medewerker nog op 23 oktober 2025 contact gehad met ING over de verlenging van de volmacht van ING (ten behoeve van de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) tot en met 15 november 2025. Dat ING instemde met deze verlening én dat ING daarbij niet gemeld heeft dat het ontslag al verleend was, maakt dat er voor de notaris geen aanleiding bestond om aan te nemen dat klager al uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was ontslagen of dat nader te onderzoeken. Ter zitting heeft klager verklaard dat de brief van ING van 20 oktober 2025, waarin stond dat hij was ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, pas op 4 november 2025 in zijn bezit is gekomen. De akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was toen al ondertekend. Ter zitting heeft de notaris op zijn beurt bevestigd dat hij contact zou hebben opgenomen met ING als hij tijdig had beschikt over de genoemde brief. Bij gebreke hiervan had naar het oordeel van de kamer geen ander handelen van de notaris verwacht hoeven worden.klachtonderdeel 2 Daarnaast verwijt klager de notaris schending van zijn verplichting, op grond van artikel 43 Wna, om antwoord te geven op zijn vragen (...) over de ‘overwaardecomponent’ van de transactie. Ook dit tweede klachtonderdeel acht de kamer ongegrond. De notaris heeft terecht een beroep gedaan op zijn geheimhoudingsplicht. Als partij bij de akte van verdeling was het voor klager uitsluitend van belang om te weten of zijn wederpartij, de ex-echtgenote, in staat was om de uitkoopsom te voldoen. De notaris was niet verplicht om inhoudelijk verantwoording met bewijsstukken aan klager af te leggen over zijn onderzoek naar de herkomst van de gelden van de ex-echtgenote, nu dit informatie met een vertrouwelijk karakter betrof. De notaris behoefde geen verantwoording af te leggen aan klager over de vraag of hij zijn poortwachtersrol voldoende heeft vervuld.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 784986 / NT RK 26/9

    Klagers verwijten de notaris dat zij, als executeur, heeft geweigerd informatie te geven over het document in de nalatenschap waaruit blijkt dat klagers een eerste recht van koop op de woonetage hebben. Ten tweede verwijten klagers de notaris dat zij niet heeft gehandeld zoals het een goed notaris betaamt, omdat dat zij onzorgvuldig is geweest in haar manier van communiceren. Beide klachtonderdelen ongegrond.klachtonderdeel 1 De notaris heeft verklaard dat klagers geen erfgenamen zijn in de nalatenschap en ook geen ander soort recht hebben dat voortvloeit uit de nalatenschap. Verder heeft de notaris verklaard dat zij met de erfgenamen heeft gesproken, maar zij geen toestemming hebben gegeven voor het delen van informatie met klagers. De kamer ziet geen reden om aan de verklaringen van de notaris te twijfelen en concludeert op basis van het voorgaande dat het haar niet vrijstond om informatie over de nalatenschap te delen met klagers.klachtonderdeel 2 Niet is gebleken van een onzorgvuldige of gebrekkige communicatie van de zijde van de notaris. Op verzoeken van klagers is voldoende tijdig en ook inhoudelijk adequaat gereageerd. Dat er tussen de brieven over en weer zes weken zijn verstreken, brengt niet mee dat er een tuchtrechtelijke grens is overschreden. De notaris had immers ook tijd nodig om een en ander uit te zoeken en om bij de erfgenamen navraag te doen. De notaris onderkent verder dat het achteraf bezien beter was geweest om klagers telefonisch uitleg te geven over haar rol als executeur. Dat zij dit heeft nagelaten is echter niet klachtwaardig. Het valt de notaris ook niet te verwijten dat haar reactie (die volgens klagers pas na maanden werd ontvangen) summier was, gezien het onder 5.6 en 5.7 overwogene.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:223 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10113

    Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift voldoet niet aan de daaraan in de wet gestelde eisen (artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verbinding met artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG). Daarom is klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:224 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10144

    Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift voldoet niet aan de daaraan in de wet gestelde eisen (artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verbinding met artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG). Daarom is klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:165 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9407

    Klager dient een klacht in tegen een klinisch psycholoog. Hij klaagt over gebrekkige dossiervoering, over het volgens hem door verweerster onterecht gegeven verlengingsadvies in het kader van zijn opgelegde tbs met dwangverpleging, over het gebruikte instrument voor de risicoanalyse en over zijn overplaatsing naar een andere afdeling. Het college verklaart alle klachten van klager kennelijk ongegrond. Dat zijn schizofreniestoornis in remissie was had duidelijker kunnen worden vermeld in het dossier maar dat dit niet is gedaan levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Het verlengingsadvies bevat geen verkeerde diagnose: dat de psychotische verschijnselen in remissie zijn, betekent niet, zoals klager kennelijk veronderstelt, dat er geen onderliggende stoornis meer is. Het gebruikte HKT-R-risicotaxatie-instrument is geschikt en verweerster was niet verantwoordelijk voor de beslissing om klager over te plaatsen naar een andere afdeling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:311 Hof van Discipline 's Gravenhage 250464

    Klaagster heeft een klacht ingediend over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Net als de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is het hof van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de boedelscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot. Ook had verweerder zonder toestemming van klaagster zijn correspondentie aan klaagster niet in cc mogen sturen aan een bekende van klaagster (hierna: “L”). Verweerder had bovendien klaagster moeten informeren over de relatie die hij met L kreeg omdat zij de moeder is van de ex-echtgenoot van klaagster en verweerder L ook bijstond in een geschil met haar zoon, de ex-echtgenoot van klaagster (hierna “A”). De onzorgvuldige handelwijze van verweerder is niet overeenkomstig de professionele standaard die voor een betamelijk handelend advocaat geldt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de maatregel. In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:312 Hof van Discipline 's Gravenhage 250463

    Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Verweerder heeft bij de behandeling van de zaak van klaagsters in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid, deskundigheid en financiële integriteit. Verweerder heeft geen regie gevoerd en klaagster onnodig twee keer cassatieadvies laten inwinnen. In de procedure van klaagster heeft verweerder onvoldoend deskundige rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft ook de informatieplicht (gedragsregel 16) miskend: verweerder heeft geen opdrachtbevestiging verzonden en niets schriftelijk vastgelegd over adviezen, processtrategie, kansen, risico’s en kosten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de opgelegde maatregel (voorwaardelijke schorsing van vier weken). In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder, zijn houding ter zitting en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:313 Hof van Discipline 's Gravenhage 250085H

    Herzieningsverzoek afgewezen. Voorzittersbeslissing na sluiting vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het herzieningsprotocol. Het verzoek tot herziening dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol. Het herzieningsverzoek is feitelijk een verkapt hoger beroep. Het middel van herziening is echter niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:194 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-648/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:308 Hof van Discipline 's Gravenhage 260182

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:195 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-660/AL/GLD

    voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënte. Die cliënte was kennelijk niet bereid om op alle voorstellen in te gaan, tegenvoorstellen te doen, of daarop telkens inhoudelijk te reageren. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënte ook meermaals in duidelijke bewoordingen uiteengezet richting klager. Dat hij zich daarin niet kon vinden, maakt nog niet dat verweerster dat kan worden aangerekend. Het is de voorzitter uit de overgelegde correspondentie verder niet gebleken dat verweerster door haar optreden en met haar toonzetting bewust de onderhandelingen tussen klager en haar cliënte heeft gefrustreerd. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, voor het overige kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:309 Hof van Discipline 's Gravenhage 260175

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken. Dat heeft klager niet gedaan. Verder is de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. Uit het dossier blijkt niet dat klager voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:310 Hof van Discipline 's Gravenhage 260174

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. De mogelijkheid om de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening, voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. In dat kader rust op de rechtzoekende een inspanningsverplichting om eerst zelf op zoek te gaan naar een advocaat. Anders dan klager aanvoert, lag het daarmee wel degelijk op de weg van klager in deze zaak om tegenover de deken concreet te onderbouwen welke stappen hij daartoe heeft gezet. Klager heeft niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan. Daarnaast heeft de deken terecht geconcludeerd dat de door klager gewenste procedure tegen zijn bovenburen op basis van de bewijsstukken die klager tot op dat moment had aangeleverd geen redelijke kans van slagen heeft. Ten aanzien van een procedure tegen de woningbouwvereniging heeft de deken er terecht op gewezen dat huurgeschillen kunnen worden aangebracht bij de kantonrechter waarvoor bijstand van een advocaat niet vereist is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat wel verplicht is gesteld.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:191 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-606/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:192 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-618/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:193 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-629/AL/MN

    Tussen klaagster en verweerder is geen opdracht tot stand gekomen zodat van weigering om de zaak voor te zetten, feitelijk geen sprake is geweest. Uit de stukken is verder gebleken dat verweerder na het intakegesprek en zijn advisering duidelijk aan klaagster heeft gemeld dat en waarom hij haar zaak niet zou oppakken. In de daarna daarover met klaagster gevoerde correspondentie heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gereageerd op haar vragen over zijn advies. Dat klaagster zich daarin niet kon vinden, maakt het advies van verweerder nog niet ondermaats of anderszins onzorgvuldig of verwijtbaar. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:307 Hof van Discipline 's Gravenhage 260195

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:185 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3136

    Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK). De arts heeft geoordeeld dat er sprake is van zwaarwegende sociaal-medische gronden voor het toekennen van een GPK en zij heeft haar sociaalmedisch advies aan de gemeente gezonden. Ongeveer een week later is het advies van de arts ingetrokken door de organisatie waarvoor de arts werkzaam is. Klager verwijt de arts dat zij hem niet de mogelijkheid heeft gegeven om gebruik te maken van het correctie/blokkeringsrecht, en dat zij geen reden en onderbouwing heeft gegeven voor het intrekken van het advies. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:186 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3084

    Gegrond klacht tegen een chirurg. De chirurg was betrokken bij de zorg aan de in 2022 overleden echtgenote van klager. De klacht gaat onder meer over de vraag of de chirurg klager en zijn echtgenote al dan niet volledig en tijdig heeft geïnformeerd over mogelijke diagnoses (waaronder kanker) en of er – aan de chirurg te wijten - onnodige vertraging is opgetreden in het proces dat uiteindelijk leidde tot de diagnose cholangiocarcinoom (galwegkanker). Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager ongegrond verklaard. Het Centraal tuchtcollege oordeelt dat de chirurg tuchtrechtelijk te verwijten valt dat hij vóór het eerste consult geen kennis had genomen van het verslag van de MRI, die in het kader van de verwijzing was gemaakt. Hierdoor is onvoldoende aandacht besteed aan de in dit verslag genoemde mogelijkheid van een kwaadaardige aandoening. Daarnaast is de chirurg tekortgeschoten in de communicatie met patiënte door haar onvoldoende mee te nemen in de door hem te nemen diagnostische stappen en haar op de hoogte te houden van de ontwikkelingen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond en legt de chirurg een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:187 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3039

    Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij het inzage- en correctierecht niet goed heeft uitgevoerd. Daarnaast verwijt klager de verzekeringsarts dat in de adviesrapportage onjuiste medische gegevens staan en het onmogelijk is dat, zoals in het rapport zou staan, dat de verzekeringsarts dezelfde dag als het spreekuurcontact met klager contact heeft gehad met de gemeente. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:304 Hof van Discipline 's Gravenhage 250293

    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij die over de inhoud van een overleg, waarbij naast de wederzijdse advocaten ook de cliënten en een bedrijfsjurist aanwezig waren, in zijn conclusie van antwoord heeft geschreven. Gedragsregel 27 (vertrouwelijkheid van schikkingsonderhandelingen) beperkt zich tot de situatie van schikkingsonderhandelingen tussen uitsluitend advocaten. Als een cliënt of een andere derde daarbij aanwezig is, houdt gedragsregel 26 (vertrouwelijke mededelingen) in dat geheimhouding van wat is besproken expliciet afgesproken moet worden. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarom heeft het hof de raadsbeslissing, waarbij een waarschuwing is opgelegd, vernietigd en de klacht alsnog ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:188 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3172

    Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in haar sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts haar sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een rapportage. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klaagster voor een deel niet-ontvankelijk is in haar klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:305 Hof van Discipline 's Gravenhage 250208

    Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het hof acht het handelen van verweerder in strijd met de in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting, met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Het hof komt tot een ruimere gegrondverklaring van de klacht over verweerder dan de raad en acht alles afwegend een berisping passend en geboden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:189 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3171

    Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in zijn sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts dat zijn sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een medische rapportage. Ook verwijt zij de arts dat hij haar tijdens het spreekuur onheus heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klaagster voor een deel niet-ontvankelijk is in haar klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:306 Hof van Discipline 's Gravenhage 260335

    Beklag te laat ingesteld. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:184 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3137

    Klacht tegen een arts. Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart (GPK). De arts heeft geadviseerd tot afwijzing van de aanvraag. Klager verwijt de arts dat hij een onjuist sociaal-medisch advies heeft gegeven en dat hij heeft geweigerd om aan klager medische stukken te sturen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TACAKN:2026:73 Accountantskamer Zwolle 25/3556 Wtra AK

    Deels gegronde klacht, berisping. Betrokkene is ingehuurd als externe complianceofficer voor een vermogensbeheerder. In haar compliancerapportage heeft betrokkene verklaard dat er door de vermogensbeheerder aan derden (zzp-ers) uitsluitend vaste vergoedingen worden betaald en geen omzetgerelateerde aanbrengprovisies. Dit is volgens klager niet waar en het is ook niet duidelijk op welke feiten en omstandigheden betrokkene zich heeft gebaseerd. De Accountantskamer verklaart de klacht deels gegrond. De compliancerapportage heeft geen deugdelijke grondslag, hoewel betrokkene vergaande conclusies trekt. Betrokkene wist bovendien dat haar rapport gebruikt zou worden in een gerechtelijke procedure. Daardoor heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op.

  • ECLI:NL:TACAKN:2026:74 Accountantskamer Zwolle 25/3581 Wtra AK

    Klacht betreft de controle van de jaarrekening van een onderneming die handelt in (fysieke) goederen en (digitale) gamecodes. De controle is onvoldoende omdat de fysieke voorraad niet conform de toepasselijke Standaard is gecontroleerd. Betrokkene heeft onvoldoende controlewerkzaamheden verricht m.b.t. het bestaan en de conditie van de voorraad digitale gamecodes en de (ratio van de) transacties met in Dubai gevestigde vennootschappen. Betrokkene wordt een (tijdelijke) doorhaling voor de duur van één maand opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9204

    Klager, toen 33 jaar, bezocht spoedeisende hulp vanwege aanhoudende ernstige buikpijn. Hij is een dag later door verweerder herbeoordeeld. Klachten worden geduid als passend bij gastritis/gastro-enteritis. Een aantal dagen later bleek klager een aortadissectie te hebben. Klager verwijt verweerder, samengevat, dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan waardoor hij deze diagnose heeft gemist. Het college oordeelt dat een dissectie een weinig voorkomende, lastig vast te stellen en voor deze patiënt niet voor de hand liggende aandoening was. Bij differentiaal diagnostisch ‘doorredeneren’ had de mogelijkheid van een dissectie of aneurysma echter wellicht wel in beeld kunnen komen, nu klager terug naar het ziekenhuis was gekomen met verergerde pijnklachten in de bovenbuik. Verweerder, die kort daarvoor arts was geworden en nog weinig ervaring had, heeft de casus en het voorgestelde beleid besproken met de dienstdoende chirurg-supervisor. Daarbij werd het beeld van de patiënt geduid als passend bij een gastritis/gastro-enteritis in combinatie met spierpijn als gevolg van het braken. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden heeft de verweerder voldoende zorgvuldigheid betracht en acht het college een tuchtrechtelijk verwijt niet op zijn plaats. De klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:221 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9189

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. Klaagster vindt dat de internist haar dochter zelf fysiek had moeten onderzoeken en haar had moeten laten opnemen in het ziekenhuis. Haar dochter is na het bezoek aan de SEH enkele dagen later plotseling overleden. Het college overweegt dat patiënte die week driemaal is onderzocht en dat mede gelet op het feit dat er op redelijk korte termijn een gastroscopie gepland stond, de beslissing van de internist om patiënte niet op te nemen in het ziekenhuis met de kennis van dat moment verdedigbaar is. Dat de internist deze beslissing heeft genomen zonder patiënte zelf te zien, maakt het voorgaande niet anders.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:222 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9019

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. Verweerster heeft in het kader van een aansprakelijkstelling een medisch advies uitgebracht aan de verzekeraar van de woningcorporatie. Klager verwijt verweerster, kort gezegd, dat het medisch advies onzorgvuldig is.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:150 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9281

    Essentie:Kennelijk ongegronde klacht over een uitgevoerde gastroscopie door een MDL-arts. Klaagster is via de huisarts doorverwezen naar het ziekenhuis voor een eerstelijns gastroscopie. Klaagster is ontevreden over het uitvoeren van deze gastroscopie, omdat er volgens klaagster geen voorgesprek of overleg heeft plaatsgevonden, de medische voorgeschiedenis van klaagster is genegeerd en klaagster niet is verdoofd.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:10 Kamer voor het notariaat Amsterdam 778990 / NT 25/45 778996 / NT 25/46 778999 / NT 25/47

    De klacht ziet op het inschrijven van een kadasterverklaring door de notaris, dan wel de kandidaat-notarissen die de kwestie zelf niet inhoudelijk hebben behandeld, maar alleen – als waarnemer – de verklaringen hebben afgerond die de notaris had voorbereid. In de kern komen deze klachtonderdelen erop neer dat de (kandidaat-)notarissen niet zorgvuldig hebben gehandeld door, zonder nader onderzoek, over te gaan tot inschrijving van de koop met de tien kadasterverklaringen.De notaris stelt dat de kandidaat-notarissen mochten afgaan op wat de notaris hen over de kwestie heeft meegedeeld en verklaard. Bij de behandeling van dit dossier hebben elk van beide kandidaat-notarissen zelfstandig, als waarnemer, één van de tien akten gepasseerd. De (kandidaat-)notarissen zijn daarom in gelijke mate tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hetgeen klager hen verwijt. De kamer constateert met de notarissen dat inschrijving van de koop op grond van artikel 7:3 BW niet expliciet is uitgesloten in de overeenkomst. Partijen twisten in dit verband over de vraag of de overeenkomst zich (daarmee) leent voor inschrijving. Het is echter niet aan de kamer om die vraag te beantwoorden. De vraag die voorligt, is of de notarissen in de gegeven omstandigheden onzorgvuldig hebben gehandeld door tot inschrijving over te gaan. Naar het oordeel van de kamer is dat het geval en hebben de (kandidaat-)notarissen de zorgvuldigheidsnorm geschonden door na te laten nader onderzoek te doen alvorens tot inschrijving van de koop over te gaan. De kamer acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:207 Raad van Discipline Amsterdam 26-679/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat tussen klaagster en verweerder diverse keren contact is geweest over het opstellen van een reactie aan de wederpartij en dat verweerder de suggesties van klaagster daarin heeft meegenomen. Verweerder heeft de reactie na telefonisch contact met klaagster en binnen een acceptabele termijn aan de wederpartij gestuurd. Daarna heeft verweerder zijn werkzaamheden geschorst omdat klaagster hem verbood nog contact op te nemen met de wederpartij. In de gegeven omstandigheden heeft verweerder zich voldoende ingezet om klaagster bij te staan. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:302 Hof van Discipline 's Gravenhage 260329

    Klacht tegen -voormalig- deken wordt niet verwezen. De vervaltermijn voor het indienen van een klacht is op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 1 sub a drie jaren. Klager heeft zijn klacht echter pas ruim zeven jaar na de beslissing van de deken ingediend. Gelet hierop zal deze klacht niet worden verwezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:208 Raad van Discipline Amsterdam 26-690/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie. Verweerster mocht in het belang van haar cliënt vragen stellen over de door klaagster verstuurde (van elkaar verschillende) e-mails. Dat verweerster over de twee e-mails beschikte, betekent niet dat daarmee de onduidelijkheid was weggenomen. Van verweerster kan verder niet verwacht worden dat zij afspraken bevestigt waar haar cliënt het niet mee eens is. Niet blijkt dat die afspraken ter zitting ook zo concreet gemaakt zijn. Dat verweerster onbereikbaar zou zijn, blijkt ook niet. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:303 Hof van Discipline 's Gravenhage 260256

    Klacht wordt niet verwezen. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over (procedurele) beslissingen die een deken tijdens de beoordeling van het verzoek om toewijzing van een advocaat neemt (zoals het opvragen van stukken).

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:202 Raad van Discipline Amsterdam 26-640/A/A 26-642/A/A

    Voorzittersbeslissing; klachten over wijze van beoordeling, declareren en klachtafwikkeling kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:203 Raad van Discipline Amsterdam 26-669/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder is met zijn sommatiebrief en beslaglegging binnen de grenzen van het betamelijke gebleven. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:204 Raad van Discipline Amsterdam 26-654/A/A 26-655/A/A 26-656/A/A 26-657/A/A 26-658/A/A

    Voorzittersbeslissing. Achttien gelijkluidende klachten over de advocaat van de wederpartij die is verwikkeld in een juridisch conflict met klaagster, over drie kantoorgenoten die hem daarbij hebben geadviseerd en/of anderszins ondersteund en over het advocatenkantoor waar deze vier advocaten aan verbonden zijn. De klachtonderdelen zijn deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Ten aanzien van twee klachtonderdelen geldt dat klaagster te laat heeft geklaagd over handelen dan wel nalaten van (één van) verweerders in 2015/2016. Bij zes klachtonderdelen wordt klaagster niet rechtstreeks in haar belang geraakt. In die onderdelen klaagt klaagster over belangenverstrengeling tussen verweerders en hun cliënt, over de wijze van declareren van verweerders aan hun cliënt en over het handelen van (één van) verweerders in een andere procedure met een andere wederpartij. Tien klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond, te weten het verwijt dat op de website van het advocatenkantoor niet is vermeld dat één van verweerders rechter-plaatsvervanger is (geweest), verwijten over de wijze van betekening van een dagvaarding aan klaagster en verwijten over procesrechtelijk handelen en nalaten van (één van) verweerders in de procedure tussen klaagster en de cliënt van verweerders en over de wijze waarop de vordering van hun cliënt in de procedure is onderbouwd.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:183 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3102

    Klacht tegen een arts die werkzaam is op een consultatiebureau. Klagers zijn de ouders van een baby die twee maanden na zijn geboorte is overleden. De arts heeft de baby tweemaal op het spreekuur gezien. Klagers verwijten de arts dat zij hun kind niet met spoed naar een kinderarts heeft verwezen. Zij stellen dat adequate herkenning van alarmerende symptomen en daarbij passend tijdig handelen van de arts zou hebben geleid tot een eerdere diagnose en een effectiever behandeltraject. Zij klagen er voorts over dat het shared decision making heeft gemaakt dat zij onvoldoende geïnformeerd medeverantwoordelijk zijn gemaakt voor medische beslissingen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klagers tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:205 Raad van Discipline Amsterdam 26-659/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klagers hebben een klacht ingediend over een accountant. Verweerder heeft deze accountant bijgestaan in die klachtzaak. Het gaat aldus om een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Deze is kennelijk ongegrond. Verweerder had de vrijheid om te doen wat in het belang van de accountant was.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:9 Kamer voor het notariaat Amsterdam 781947 / NT 26-2

    De bestuurders van klaagster (de B.V.) zijn voormalig echtgenoten. De man heeft ten tijde van de scheiding, zonder medeweten van zijn medebestuurder (de vrouw), een hypotheekrecht gevestigd op vijf registergoederen in eigendom van klaagster. Klaagster, vertegenwoordigd door de vrouw, vindt dat de notaris in de kern heeft nagelaten zich ervan te vergewissen dat de vestiging van een hypotheekrecht berustte op volledige en juiste informatie, en onvoldoende zorg betracht voor de positie van klaagster, terwijl hij wist dat zij zich in een kwetsbare positie bevond. Gelet op de omvang van de financiering, in combinatie van een intern bestuursconflict en een lopende echtscheiding had de notaris daar volgens klaagster meer oog voor moeten hebben. De notaris is bij de vertegenwoordigingsbevoegdheid uitgegaan van de gegevens uit het Handelsregister. Daaruit bleek dat de man zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd was om klaagster te vertegenwoordigen. Van een conflictsituatie is de notaris niet gebleken. De kamer verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:206 Raad van Discipline Amsterdam 26-673/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klager heeft een klacht ingediend over verweerder als onzijdig persoon. De klacht gaat over het doorstorten van gelden. Deze is kennelijk ongegrond. Verweerder heeft geen tuchtrechtelijke normen overschreden.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:164 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9591

    Klacht tegen een dermatoloog. Klager maakt de dermatoloog een groot aantal verwijten, waaronder dat zij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over een proctoscopie, het onderzoek zonder verdoving heeft uitgevoerd, onvoldoende verslag heeft gedaan, geen nader onderzoek heeft verricht naar de oorzaak van zijn klachten en schade heeft veroorzaakt. Het college oordeelt dat de klacht kennelijk ongegrond is, omdat de dermatoloog op basis van de destijds beschikbare informatie mocht uitgaan van perianaal eczeem, de proctoscopie een passende onderzoeksmethode was en de later vastgestelde zeldzame auto-immuunziekte ten tijde van de behandeling niet hoefde te worden vermoed. Ook kan de dermatoloog geen persoonlijk verwijt worden gemaakt van de gestelde vertraging bij de afgifte van het medisch dossier.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:189 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-617/AL/MN

    Voorzittersbeslissing over advocaat wederpartij. Verweerster mocht afgaan op de juistheid van de van haar cliënt ontvangen persoonsgegevens van klaagster zonder nader onderzoek. Niet is gebleken dat verweerster gedragsregel 3 en de AVG heeft geschonden. Verweerster heeft bij het partijdig optreden voor haar cliënt voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Verweerster handelde daarbij in opdracht van haar cliënt. Het sommeren van klaagster was niet nodeloos, gezien het eerder door klaagster ingenomen standpunt. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:110 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-635/DB/LI

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een erfrechtkwestie deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:190 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-608/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing over de eigen advocaat. De voorzitter kan op basis van de stukken en gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerster niet vaststellen dat verweerster de belangen van klager onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende voortvarend heeft behartigd. Klager had kennelijk andere verwachtingen van verweerster maar niet is gebleken dat klager dat aan verweerster kenbaar heeft gemaakt voordat hij de opdracht introk. Daardoor heeft klager verweerster ook niet de mogelijkheid geboden om opnieuw naar de invulling van de opgedragen werkzaamheden te kijken. In het kader van de interne klachtafhandeling heeft verweerster gedaan wat van een behoorlijk advocaat verwacht mag worden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:111 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-710/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerster heeft zich namelijk niet onjuist en kwetsend uitgelaten door klaagster en haar ex-partner in een processtuk aan te duiden als “vrouw” en “man”, terwijl klaagster en haar ex-partner nooit getrouwd zijn geweest.