ECLI:NL:TADRAMS:2026:202 Raad van Discipline Amsterdam 26-640/A/A 26-642/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:202
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-640/A/A
  • 26-642/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klachten over wijze van beoordeling, declareren en klachtafwikkeling kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 21 september 2026
in de zaken 26-640/A/A en 26-642/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

1.    
verweerder 1
2.  
verweerster 2
hierna samen ook: verweerders

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 22 juli 2026 met kenmerk 2539023/EvR/AP, door de raad digitaal ontvangen op 22 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager heeft op 15 oktober 2025 een kantoorgenoot van verweerder 1 (hierna: ‘de kantoorgenoot’) benaderd om hem bij te staan in een geschil met een in Nederland gevestigde autohandelaar over een door klager gekochte auto. 
1.2    Op 17 oktober 2025 heeft de kantoorgenoot de opdracht aan klager bevestigd. In de schriftelijke opdrachtbevestiging aan klager staat vermeld dat de opdracht is beperkt tot de buitengerechtelijke fase die circa 5 uur in beslag zal nemen en dat er een uurtarief van € 200,- exclusief btw geldt.
1.3    De kantoorgenoot laat klager per e-mail van 23 oktober 2025 weten dat na bestudering van de zaak zijn conclusie is dat Duits recht op de overeenkomst tussen klager en de autohandelaar van toepassing is, dat de autohandelaar overeenkomstig de Duitse wet handelt en hij bereid is om de koopprijs terug te betalen en de auto op te halen. De advocaat van de autohandelaar was verder bereid om naar de schade te kijken als daar facturen van zouden worden opgestuurd. De kantoorgenoot adviseert klager deze facturen zelf op te sturen vanuit kosten-baten overwegingen.
1.4    Per e-mail van 26 oktober 2025 stelt klager in reactie op het advies dat daar onjuistheden in staan over het toepasselijke recht, er een onjuiste interpretatie van de huidige stand van zaken is gegeven en dat is afgeweken van de verstrekte opdracht. Klager meldt in dat kader nog dat hij ter zake advies van de Nederlandse Orde van Advocaten heeft ingewonnen. Klager sluit af met de woorden (vertaald van het Duits naar het Nederlands): 
“Ik ga ervan uit dat u nu de noodzakelijke stappen onderneemt om de zaak professioneel af te sluiten. Ik hoop van harte dat er geen verdere onduidelijkheden meer ontstaan en dat wij van nu af aan gezamenlijk, zakelijk en doelgericht aan een succesvolle afronding van de opdracht kunnen werken.”
1.5    De kantoorgenoot heeft vervolgens per e-mail van 27 oktober 2025 klager het volgende laten weten (vertaald van het Duits naar het Nederlands): 
“Omdat ik moet waarnemen voor een collega (die ons heeft verlaten), hebben wij besloten dat de zaak zal worden behandeld door mijn collega, advocaat [verweerder 1] (in de cc). Hij zal einde van deze week op de zaak terugkomen.”
1.6    Verweerder 1 heeft klager per e-mail van 31 oktober 2025 laten weten dat de kantoorgenoot hem heeft verzocht om een second opinion op te stellen nu klager het niet eens is met het eerdere advies. In deze e-mail zet verweerder 1 uiteen dat hij tot dezelfde conclusie komt als zijn kantoorgenoot, namelijk dat Duits recht van toepassing is. Verweerder sluit zijn e-mail af met de woorden (vertaald van het Duits naar het Nederlands):
“Verder lees ik in het antwoord van de tegenpartij dat deze bereid is het voertuig op te halen en zowel de koopprijs als de borg te restitueren. Kunt u mij toelichten waarom u van dit aanbod geen gebruik heeft gemaakt? Mijn advies is om zo spoedig mogelijk een afspraak te maken, zodat de stallingskosten beperkt blijven. Ik kan de communicatie met de tegenpartij overnemen en voor u de afstemming over de garagekosten en stallingskosten verzorgen. Gezien het belang van de zaak ben ik echter verplicht u erop te wijzen dat de te maken juridische kosten het bedrag van een mogelijke schadevergoeding makkelijk kunnen overstijgen. Mocht u na ontvangst van deze e-mail nog specifieke vragen hebben, dan sta ik uiteraard graag tot uw beschikking (…)”
1.7    Klager heeft per e-mail van 3 november 2025 gereageerd op de e-mail van verweerder 1 van 31 oktober 2025. Daarin sluit klager af met de woorden (vertaald van het Duits naar het Nederlands):
“Ik ga ervan uit dat we ons nu op de kern van de zaak richten en niet blijven discussiëren over een niet-bestaand “Duits recht”-spook. Ik verzoek u daarom vriendelijk, doch dringend, om zo spoedig mogelijk de noodzakelijke stappen te ondernemen om de ontbinding van de koopovereenkomst daadwerkelijk door te voeren – met name de afhaling van het voertuig, de terugbetaling van koopprijs en borg, en de vergoeding van de gemaakte kosten. Laat u mij alstublieft weten welke verdere stappen u plant, zodat we de zaak tijdig en doeltreffend kunnen afronden (…)”
1.8    Er heeft vervolgens een telefoongesprek tussen klager en verweerder 1 plaatsgevonden en uiteindelijk is er in de achterliggende kwestie een minnelijke schikking getroffen.
1.9    Op 21 november 2025 heeft klager van verweerder 1 de (eind)factuur ontvangen met daarbij een specificatie van in totaal 4,36 uur.  
1.10    Klager laat op 21 november 2025 aan verweerder 1 weten dat het werk van de kantoorgenoot inhoudelijk volledig verkeerd, misleidend en verwarrend was en dat hij ervan uitgaat dat deze kosten, niet in rekening bij hem worden gebracht. 
1.11    In reactie op dit bericht van klager, heeft verweerder 1 klager uitgenodigd voor een gesprek. Klager is niet op dit aanbod ingegaan.
1.12    Op 9 december 2025 heeft klager de klacht tegen verweerder 1 ingediend. Op 11 december 2025 heeft klager zijn klacht tegen verweerster 2 ingediend. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 
2.2    Klager verwijt verweerder 1: 
a) de wijze waarop hij de van zijn kantoorgenoot overgenomen dossierwerkzaamheden heeft beoordeeld;
b) het in rekening brengen van uren voor het herlezen van het dossier en het maken van een interne second opinion, die naar klagers mening uitsluitend uit interne fouten voortvloeiden;
c) het achterhouden van het door het kantoor aan klager verschuldigde saldo, ondanks erkenning dat dit aanwezig is;
d) de gebrekkige creditering en uitbetaling van het saldo.
2.3    Klager verwijt verweerster 2:
    e) de organisatorische en interne procedures van het kantoor;
    f) systematische fouten in dossierbeheer, interne second opinion, en facturatiepraktijken;
    g) het structureel achterhouden van aan cliënten toekomende gelden;
    h) een gebrekkige uitvoering van de interne klachtenprocedure. 

3    VERWEER
3.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Klachtonderdeel a) over verweerder 1 
4.1    De voorzitter verstaat dit klachtonderdeel aldus dat klager ongevraagd een andere behandelaar en een second opinion heeft gekregen.  De beantwoording van de vraag welk recht toepasselijk is op het onderliggende geschil acht klager overbodig en het antwoord van verweerder 1 bovendien onjuist.
Beoordelingskader klacht 1
4.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Aan de hand van deze maatstaf zal de voorzitter dit klachtonderdeel beoordelen.
4.3    Verweerder 1 heeft gemotiveerd toegelicht dat het beoordelen van de vraag welk recht van toepassing was op de onderliggende rechtsverhouding onderdeel uitmaakt van de opdracht aan hem als advocaat, ook indien klager daar niet om had gevraagd. Immers het betreft een voorvraag voor het geven van een advies. Zonder onderzoek daarnaar was het niet mogelijk om klager van een deugdelijk advies te voorzien. De voorzitter volgt verweerder 1 hierin. De stelling dat de vraag over het toepasselijke recht verkeerd is beantwoord, heeft klager niet voldoende onderbouwd en ook overigens is dit de voorzitter niet gebleken. 
Noodzaak tot interne overdracht van de zaak
4.4    Klager trok in zijn mail van 26 oktober 2025 aan de kantoorgenoot de deskundigheid in twijfel. De voorzitter volgt verweerder 1 dat een interne overdracht van de zaak dan noodzakelijk is. Voorts blijkt niet uit het dossier dat klager zich tegen deze overdracht van de zaak aan verweerder 1 als zodanig verzet hij maakt alleen na ontvangst van de declaratie bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten.  
4.5    Klachtonderdeel a) over verweerder 1 is daarom kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen b), c) en d) over verweerder 1
4.6    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en zien op de in rekening gebrachte kosten.  Ter onderbouwing van zijn klacht op dit punt stelt klager dat uit het gegeven dat verweerders in de interne klachtprocedure een gedeeltelijke creditering hebben voorgesteld, volgt dat er bij verweerders zelf kennelijk ook twijfel bestond over de juistheid van de facturatie. 
4.7    Verweerder 1 heeft in dit verband gemotiveerd aangevoerd dat niet de daadwerkelijk gemaakte uren in rekening zijn gebracht, maar juist een kleiner aantal. De uren die zijn geschreven vormen volgens verweerder 1 een reflectie van de tijd die aan een dossier van deze omvang normaal gesproken zou worden besteed aan het inlezen, het opstellen van het advies en het beantwoorden van een zeer uitgebreide e-mail, te weten twee uur. Het dossier van klager was 94 pagina’s en kon niet in minder tijd worden gelezen, aldus verweerder 1.  
Beoordelingskader klacht 2 hoogte declaratie
4.8    De voorzitter overweegt dat de tuchtrechter niet bevoegd is om een oordeel te geven over declaratiegeschillen, tenzij er sprake is van excessief declareren. In geval van excessief (buitenproportioneel) declareren, is er sprake van zeer hoge declaraties waarbij geen, althans onvoldoende werkzaamheden aannemelijk worden gemaakt die dergelijke declaraties rechtvaardigen.  
4.9    Van excessief declareren is niet gebleken. Indien en voor zover klager stelt dat meer uren in verband met de interne overdracht van de zaak extra kosten aan hem in rekening zijn gebracht is dit standpunt gelet op het gemotiveerde verweer onvoldoende onderbouwd. Ook het voorstel tot gedeeltelijke creditering als onderbouwing van de klacht van klager op dit punt kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit voorstel is gedaan in het kader van een voorstel om deze kwestie in onderling overleg op te lossen. Een dergelijk voorstel is geen erkenning.  
4.10    Gelet op het voorgaande volgt de voorzitter klager niet in het standpunt dat verweerder 1 gehouden was om een deel van het in rekening gebrachte bedrag te crediteren en aan klager te betalen. 
4.11    Samenvattend is er van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder 1 niet gebleken. Daarmee zijn ook de klachtonderdelen b), c) en d) over verweerder 1 kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen e), f) en h) over verweerster 2 
4.12    Deze klachtonderdelen lenen zich eveneens voor gezamenlijke behandeling. 
4.13    Klager verwijt verweerster 2 in de eerste plaats dat er in 2025 op de website van verweerster 2 ten onrechte vermeld stond dat haar kantoor was aangesloten bij de geschillencommissie advocatuur. 
4.14    De voorzitter volgt verweerster 2 in haar verweer dat niet is gebleken dat de bewuste vermelding op de website van verweerster 2 voor klager van belang is geweest om te kiezen voor het kantoor van verweerster 2. Het ten onrechte vermeld laten van deelname aan deze vorm van geschillenbeslechting is weliswaar ongelukkig te noemen, maar levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. 
4.15    De klacht ziet daarnaast op de klachtafhandeling door verweerster 2. Verweerster 2 heeft in dit verband aangevoerd dat zij op alle bezwaren van klager is ingegaan. Uit het klachtdossier valt ook niet af te leiden dat de interne klachtafhandeling onzorgvuldig is geweest. Dat klager het met de uitkomst van de klachtafhandeling niet eens is, maakt dit niet anders. 
4.16    Klager voert in deze klacht nog aan dat onduidelijk was wie binnen het kantoor verantwoordelijk was voor de afhandeling van zijn klacht. Verweerster 2 voert in dit verband aan dat mr. Van der M. de kantoorverantwoordelijke en klachtenfunctionaris van verweerster 2 is, naast mr. B., die als kantoorverantwoordelijke staat ingeschreven bij de Amsterdamse orde. Mede gelet op de toelichting van verweerster 2 blijkt uit het klachtdossier niet dat haar een verwijt treft voor de onduidelijkheid die bij klager is ontstaan over de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van zijn klacht binnen haar kantoor. 
4.17    De klachtonderdelen e), f) en h) over verweerster 2 zijn dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) over verweerster 2 
4.18    Klager verwijt verweerster 2 in dit klachtonderdeel dat zij structureel aan cliënten verschuldigde gelden achterhoudt. Voor zover klager stelt dat verweerster 2 structureel gelden van andere cliënten achterhoudt, ontbreekt een rechtstreeks eigen belang. In zoverre kan klager niet in dit klachtonderdeel worden ontvangen. Klager kan daarin uitsluitend worden ontvangen voor zover het ziet op aan hemzelf verschuldigde gelden.  Mede gelet op hetgeen de voorzitter heeft overwogen ten aanzien van de klachtonderdelen b), c) en d) over verweerder 1 volgt de voorzitter klager echter niet in het standpunt dat verweerster 2 (structureel) aan klager verschuldigde gelden achterhoudt. 
4.19    Klachtonderdeel g) is daarmee voor het overige kennelijk ongegrond.
Conclusie ten aanzien van de klachten over verweerder 1 en verweerster 2 
4.20    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht tegen verweerder 1 in alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaren. De klacht tegen verweerster 2 zal in de klachtonderdelen e), f) en h) kennelijk ongegrond worden verklaard. Klachtonderdeel g) zal gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond worden verklaard.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
Inzake 26-640/A/A 
de klacht over verweerder 1, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond;
inzake 26-642/A/A
de klacht over verweerster 2, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in de klachtonderdelen e), f) en h) kennelijk ongegrond;
klachtonderdeel g) over verweerster 2, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk voor zover het ziet op andere cliënten dan klager en voor het overige kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026