ECLI:NL:TADRAMS:2026:205 Raad van Discipline Amsterdam 26-659/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:205
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s): 26-659/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klagers hebben een klacht ingediend over een accountant. Verweerder heeft deze accountant bijgestaan in die klachtzaak. Het gaat aldus om een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Deze is kennelijk ongegrond. Verweerder had de vrijheid om te doen wat in het belang van de accountant was.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 21 september 2026
in de zaak 26-659/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

1.    (…) B.V. 
gevestigd te (…), klaagster

2.    (…), 
wonende te (…), klager
gezamenlijk: klagers
klaagster wordt in deze procedure vertegenwoordigd door klager

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 29 juli 2026 met kenmerk 2532002/EvR/BF, door de raad ontvangen op 29 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager heeft bij de Accountantskamer een tuchtklacht ingediend tegen de heer (…) RA (hierna: de accountant) over een door hem opgesteld accountantsrapport met betrekking tot klaagster. 
1.2    Op 28 juli 2025 heeft de Accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. 
1.3    Klagers zijn tegen de uitspraak in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. 
1.4    Op 21 oktober 2025 heeft verweerder namens de accountant een verweerschrift met zestien producties ingediend. 
1.5    Op 24 oktober 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende. 
a)    Verweerder heeft in een tuchtprocedure bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven gebruik gemaakt van vertrouwelijke civiele stukken.
b)    Verweerder heeft de wederpartij in een tuchtprocedure gediskwalificeerd.
c)    Verweerder heeft de tuchtprocedure misbruikt ter bescherming van de reputatie van zijn cliënt.
2.2    De stellingen die klagers aan de klacht ten grondslag hebben gelegd worden hierna, voor zover van belang, besproken. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Overweging vooraf
4.1    Anders dan de deken gaat de voorzitter ervan uit dat de klacht niet alleen is ingediend door klaagster, maar ook door klager. Redengevend is dat klager in de klacht heeft geschreven dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan “persoonlijke en diskwalificerende uitlatingen over mij”. Daar komt bij dat de klacht tegen de accountant, volgens de beslissing van de Accountantskamer, ook is ingediend namens/door klager. 
Toetsingskader
4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.3    Klagers hebben gesteld dat verweerder bij het verweerschrift van 21 oktober 2025 producties heeft overgelegd die grotendeels identiek zijn aan de bijlagen bij de dagvaarding uit een ander civielrechtelijk dossier. Deze stukken zijn niet openbaar en hebben geen enkele relevantie voor de tuchtzaak tegen de accountant.
4.4    Verweerder heeft aangevoerd dat partijen zich bij het voeren van verweer mogen beroepen op stukken die zij onder zich hebben. Daarbij wijst verweerder op artikel 6 EVRM. De stukken die zijn gebruikt en die klagers vertrouwelijk vinden, waren aan beide partijen al bekend. Waarom deze stukken niet met de rechter zouden mogen worden gedeeld is verweerder niet duidelijk.
4.5    De voorzitter stelt voorop dat advocaten een grote mate van vrijheid hebben om te beslissen welke stukken zij ter onderbouwing van het standpunt van hun cliënt aan de rechter overleggen. De voorzitter kan op grond van de stukken in het dossier niet vaststellen dat verweerder bij zijn selectie van de overgelegde stukken, de belangen van klagers op ontoelaatbare wijze heeft geschaad. Klagers hebben de klacht op dit punt onvoldoende feitelijk onderbouwd en klachtonderdeel a is daarom kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b)
4.6    Volgens klagers heeft verweerder in het verweerschrift persoonlijke en diskwalificerende uitlatingen over klager gedaan. Deze werkwijze overschrijdt de grenzen van professionele betamelijkheid en ondermijnt de zuiverheid van de tuchtprocedure.
4.7    Verweerder heeft aangevoerd dat het niet in strijd met de gedragsregels is om in het verweerschrift op te schrijven dat het beroepschrift niet door klagers lijkt te zijn opgesteld maar door een AI-tool. Verweerder meent dat hij als advocaat moet aangeven wanneer hij vermoedt dat een stuk mede door AI is gegeneerd.
4.8    De voorzitter is van oordeel dat verweerder met zijn opmerkingen over het vermoedelijke gebruik van AI door klagers niet onbetamelijk heeft gehandeld. Verweerder had een vermoeden van het gebruik van een AI-tool, door de structuur en van het verwijzen naar onjuiste of niet bestaande jurisprudentie. Het stond hem vrij om dit onder de aandacht van de rechter te brengen. Klachtonderdeel b is daarom kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c)
4.9    Volgens verweerder hebben klagers een tuchtklacht ingediend tegen de accountant en zoeken klagers actief de publiciteit om de reputatie van de accountant te schaden. Verweerder merkt op dat het zijn taak is om de reputatie van zijn cliënt te beschermen.
4.10    De voorzitter stelt voorop dat klagers de tuchtprocedure tegen de accountant hebben ingesteld en dat klagers beroep hebben ingesteld tegen de beslissing van de Accountantskamer. Het stond verweerder volgens vrij om, in overleg met de accountant, het verweer te voeren dat hij noodzakelijk achtte. Dat daarbij standpunten zijn ingenomen die klagers onwelgevallig zijn, maakt niet dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld. Ook klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond. 
Slotsom
4.11    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026