ECLI:NL:TAHVD:2026:308 Hof van Discipline 's Gravenhage 260182

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:308
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 260182
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.

Beslissing van 28 september 2026
 
in de zaak 260182

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
klager
    
tegen:
    
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en mr. J.H. Stek
samen deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Amsterdam

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 3 april 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klager wil een medische aansprakelijkheidsprocedure starten.

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd - zakelijk weergegeven - dat het enkele feit dat de advocaat die klager aanvankelijk bijstond, [mr. M] (hierna: mr. M), niet zonder meer bereid was te doen wat klager verlangde, geen reden is voor aanwijzing van een (nieuwe) advocaat. Daarnaast heeft de deken aan de beslissing ten grondslag gelegd dat klager niet heeft aangetoond voldoende inspanningen te hebben verricht om zelf een advocaat te vinden, en dat klager onvoldoende informatie aan de deken heeft verstrekt om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen en daarmee te bepalen of aan de overige voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is voldaan. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 14 mei 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer, met bijlagen, van de deken van 16 juni 2026;
-    de repliek, met bijlagen, van klager van 23 juni 2026;
-    de dupliek van de deken van 7 juli 2026.

1.5    Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Bij webformulier van 3 april 2026 heeft klager de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat. In het webformulier staat: 

“Kunt u uitleggen waar de procedure over gaat? Wat is uw belang bij de procedure?

Het betreft een zaak op het gebied van medische aansprakelijkheid. Ik ben jarenlang blootgesteld aan loden leidingen en heb hierdoor ernstige gezondheidsklachten opgelopen. Mijn huisarts heeft mij destijds niet doorverwezen naar een specialist, waardoor de diagnose en behandeling zijn vertraagd. Inmiddels is gebleken dat er sprake is van een ernstige medische situatie, en ik wil de betrokken medische partijen aansprakelijk stellen. Mijn belang is dat de aansprakelijkheid wordt vastgesteld en dat mijn schade, waaronder medische kosten en andere schade, wordt vergoed.”

2.2    Bij brief van 3 april 2026 heeft de deken klager geïnformeerd over de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat de deken op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat kan aanwijzen. Gelet op deze voorwaarden heeft de deken klager verzocht de in de brief omschreven aanvullende informatie aan te leveren, waaronder wie de medische partijen zijn die klager aansprakelijk wil stellen. Daarbij is aan klager meegedeeld dat klagers verzoek pas in behandeling kan worden genomen en beoordeeld na ontvangst van de gevraagde informatie. 

2.3    In reactie daarop heeft klager bij e-mail van 8 april 2026 de volgende informatie aan de deken verstrekt:

“Medische partijen
Het betreft een zaak op het gebied van medische aansprakelijkheid en letselschade. In deze zaak heb ik meerdere partijen aansprakelijk gesteld, waaronder:
mijn voormalige huisartsen
betrokken ziekenhuizen
GGD
en andere betrokken instanties

Daarnaast loopt er een geschil met een aansprakelijkheidsverzekeraar ([naam aansprakelijkheidsverzekeraar]).

(…)

Er zijn op dit moment nog geen processtukken beschikbaar, omdat de zaak zich nog in een voorbereidende fase bevindt en verdere juridische stappen zonder advocaat niet mogelijk zijn.”

2.4    Daarop heeft de deken klager per e-mail van 9 april 2026 onder meer het volgende meegedeeld en gevraagd:

“Op basis van de door u verstrekte informatie kan ik nog niet vaststellen of ik de bevoegde deken ben om op uw verzoek te beslissen. Waar zijn uw voormalige huisartsen gevestigd? Welk ziekenhuis is betrokken en waar is dat gevestigd? Om welke GGD, in welke gemeente, gaat het?

(…)

In afwachting van uw reacties stel ik ten aanzien van een toekomstige beoordeling van uw verzoek de volgende vragen:
3) Welke partijen heeft u aansprakelijk gesteld en wanneer? Kunt u met een reply op dit e-mailbericht afschriften inzenden van verzonden aansprakelijkstellingen?
4) Van wie/welke partij is [naam aansprakelijkheidsverzekeraar] de aansprakelijkheidsverzekeraar? Kunt u mij voorzien van eventuele aanwezige correspondentie van [naam aansprakelijkheidsverzekeraar]? Bijvoorbeeld een brief waarin zij aansprakelijkheid afwijzen?”
2.5    Daarop heeft klager bij e-mailbericht van 10 april 2026 onder meer als volgt geantwoord:

“Bevoegdheid / medische partijen
Mijn voormalige huisartsen zijn gevestigd in Amsterdam.
De betrokken ziekenhuizen bevinden zich eveneens in Amsterdam.
De GGD betreft GGD Amsterdam

(…)

Aansprakelijkstellingen
Ik heb meerdere partijen aansprakelijk gesteld, waaronder:
mijn voormalige huisartsen;
betrokken ziekenhuizen;
de GGD;
de woningcorporatie;
het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
en andere betrokken instanties.

(…)
Verzekeraars
In deze zaak zijn meerdere aansprakelijkheidsverzekeraars betrokken:
([Naam aansprakelijkheidsverzekeraar] treedt op als aansprakelijkheidsverzekeraar van de woningcorporatie;
[Naam verzekeraar] treedt op als verzekeraar van mijn voormalige huisartsen;
[Naam verzekeraar] treedt op als verzekeraar van één van de betrokken ziekenhuizen;
Daarnaast zijn er nog twee ziekenhuizen betrokken waarvan de aansprakelijkheidsverzekeraar tot op heden niet aan mij bekend is gemaakt.

De zaak betreft ernstige gezondheidsschade als gevolg van langdurige blootstelling (meer dan 13 jaar) aan lood, alsmede mogelijke medische fouten en nalatigheden in de daaropvolgende behandeling en diagnostiek.”

2.6    Op 14 april 2026 heeft klager de deken aanvullend een brief van [aansprakelijkheidsverzekeraar] van 18 januari 2023 gestuurd. De brief houdt in - verkort en zakelijk weergegeven - dat uit informatie van [woningcorporatie] is gebleken dat niet kan worden uitgesloten dat er een te veel aan lood in het drinkwater in klagers woning heeft gezeten. Daarbij is aan klager meegedeeld dat als hij van mening is dat hij als gevolg daarvan lichamelijke klachten heeft, [aansprakelijkheidsverzekeraar] de beschikking dient te krijgen over medische gegevens waar dat uit blijkt. Klager is daarom gevraagd een machtiging in te vullen zodat de medisch adviseur van [aansprakelijkheidsverzekeraar] het medisch dossier van klager kon opvragen.   

2.7    De deken heeft klager bij e-mailbericht van 22 april 2026 in reactie op de op 10 en 14 april 2026 van klager ontvangen informatie onder meer het volgende geantwoord:

“Zoals aangegeven in mijn e-mailbericht aan u d.d. 3 april 2026, kan uw verzoek pas inhoudelijk in behandeling worden genomen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dat heb ik nog niet kunnen vaststellen omdat ik bepaalde informatie nog niet heb mogen ontvangen. Ik wil ik u daarom vragen om mij de navolgende informatie (alsnog) toe te sturen:

1.    stukken/aansprakelijkheidsstellingen waaruit volgt om welke medische zorgverleners/ziekenhuizen/verzekeraars precies het gaat en waar deze precies gevestigd zijn; (…)”

2.8    Op 22 april 2026 heeft klager op verzoek van de deken een brief van mr. M van 8 oktober 2025 gericht aan klager aan de deken doorgestuurd. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

“Bericht aan [aansprakelijkheidsverzekeraar] 

Ik heb geen tijdslimiet of deadline aan u gecommuniceerd waarbinnen ik een bericht aan [aansprakelijkheidsverzekeraar] zou sturen. Ik heb met u afgesproken dat ik u een conceptbericht zou sturen en dat ik nadat u het conceptbericht hebt goedgekeurd, de definitieve versie zou sturen naar [aansprakelijkheidsverzekeraar] met u in de Cc. Momenteel is de stand van zaken dat u niet akkoord bent gegaan met het conceptbericht. Tegelijkertijd kan ik mij niet scharen achter de wijzigingen die u door wil voeren in het conceptbericht. Wij hebben hierover een impasse bereikt. (…)

Behandeling dossier 

Ik ben als gespecialiseerd letselschadeadvocaat goed in staat om uw dossiers te behandelen. Ik stel echter vast dat de communicatie tussen ons niet goed verloopt, dat u meent dat ik niet voortvarend of proactief genoeg ben en dat wij over het algemeen een verschillende visie hebben over hoe uw dossiers moeten worden behandeld. 
Ik kies er daarom voor om mij te onttrekken als advocaat. Hiermee krijgt u de vrijheid en ruimte om zélf op uw eigen manier te communiceren met verzekeraars [aansprakelijkheidsverzekeraar] en [verzekeraar].”

2.9    Bij e-mail van 23 april 2026 heeft de deken onder meer het volgende aan klager meegedeeld:

“Ik vermoed dat er een discrepantie bestaat tussen hetgeen u verstuurd heeft en hetgeen ik ontvangen heb.
 

Ik stel vast dat ik inmiddels in het dossier wél heb:

•    een aantal afwijzingen van advocaten;
•    een Diagnosedocument van het juridisch loket d.d. 16 januari 2026; 
•    een brief van de Raad voor Rechtsbijstand d.d. 30 maart 2026;
•    een brief van [aansprakelijkheidsverzekeraar] d.d. 14 februari 2024 (verzoek medisch dossier);
•     uw bezwaarschrift d.d. 27 oktober 2025 tegen een medisch advies/aansprakelijkheidsafwijzing van [aansprakelijkheidsverzekeraar] d.d. 12 september 2025, en automatische reacties van [aansprakelijkheidsverzekeraar] in dit kader;
•    een brief van de rechtbank Amsterdam d.d. 17 november 2025; en
•    het bericht waaruit volgt dat [mr. M] zich heeft onttrokken.

Ik stel daarmee ook vast dat nog ontbreekt:

•    stukken/aansprakelijkheidsstellingen waaruit volgt om welke medische zorgverleners/ziekenhuizen/verzekeraars precies het gaat, waar deze precies gevestigd zijn, en wanneer deze aansprakelijk gesteld zijn;
•    het medisch advies/de afwijzing van aansprakelijkheid van [aansprakelijkheidsverzekeraar] d.d. 12 september 2025;
•    het Medisch Rapport - Chronische loodexpositie (30 oktober 2025) dat u aan [aansprakelijkheidsverzekeraar] heeft meegestuurd bij uw bezwaarschrift d.d. 27 oktober 2025;
•    een reactie van [aansprakelijkheidsverzekeraar] op uw bezwaarschrift d.d. 27 oktober 2025, indien dit er is; en
•    correspondentie/stukken waaruit blijkt dat eventuele verjaringstermijnen gestuit zijn (door [mr. M] of anderszins).
Zou u enkel die stukken nog willen nasturen?”

2.10    Bij beslissing van 12 mei 2026 heeft de deken het verzoek van klager afgewezen. Deze beslissing houdt ten aanzien van de van klager ontvangen informatie onder meer het volgende in:

“Bij e-mailbericht van 23 april 2026 is (na drie eerdere verzoeken tot nadere informatie) aan u kenbaar gemaakt welke informatie reeds door mij ontvangen was, en welke nog ontbrak: 

(…)

Nadien zijn weliswaar door u nog nadere stukken aangeleverd, doch niet de verzochte documenten. Daarmee stel ik vast dat, ondanks meerdere verzoeken daartoe, u onvoldoende (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt (a) tegen welke instanties u precies een vordering wenst in te stellen, (b) om welke vorderingen dit (per instantie) gaat, en (c) of de verjaring daartoe (per instantie) al dan niet is gestuit. Als een gevolg daarvan kan, ondanks herhaalde verzoeken om verduidelijking, uw verzoek niet inhoudelijk worden beoordeeld. Evenmin kan worden vastgesteld of de gestelde vorderingsrechten (ieder) gestuit zijn en om die reden nog succesvol kunnen zijn.”


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat de beslissing op een onjuiste feitelijke grondslag berust dat essentiële stukken zouden ontbreken, terwijl klager deze eerder aan de deken heeft toegezonden. Voor zover bepaalde stukken intern bij de deken niet correct zijn verwerkt of gekoppeld aan het dossier, kan dat niet aan hem worden tegengeworpen, aldus klager. Klager voert aan dat de beslissing van de deken erop neerkomt dat sprake is van een onvoldoende afgebakend dossier, maar dat inmiddels sprake is van een nader gestructureerd dossier dat is toegespitst op de aansprakelijkheidskwestie jegens [woningcorporatie]/[aansprakelijkheidsverzekeraar]. Daarnaast voert klager aan dat de beëindiging van zijn samenwerking met mr. M onvoldoende in context is beoordeeld. Klager meent dat gelet op de omvang en complexiteit van het geschil, de medische en toxicologische aard van de problematiek, de lopende aansprakelijkheidsprocedure, de deskundigendiscussie en zijn feitelijke blokkade zonder gespecialiseerde rechtsbijstand aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van de Advocatenwet noodzakelijk is. Klager verzoekt het hof daarom de beslissing van de deken te vernietigen en alsnog een advocaat aan te wijzen.

3.2    In repliek heeft klager aanvullend het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven -:
-met de conclusie dat klager onvoldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden kan hij zich niet verenigen;
- klager heeft alle essentiële stukken overgelegd;
-er is sprake van een spoedeisende situatie;
-de deken is geen medisch deskundige;
-de door de deken naar voren gebrachte onduidelijkheid over de aansprakelijke partijen kan geen rechtvaardiging vormen voor de afwijzing van zijn verzoek, omdat juist vanwege de complexiteit van de zaken een advocaat noodzakelijk is om de dossiers in de afzonderlijke aansprakelijkheidsprocedures juridisch verder op te bouwen;
-als gevolg van de afwijzende beslissing van de deken bestaat het risico dat klager volledig zonder gespecialiseerde rechtsbijstand komt te zitten, wat niet verenigbaar is met het doel en de strekking van artikel 13 Advocatenwet en met de fundamentele beginselen van effectieve toegang tot de rechter en ‘equality of arms’;
-de motivering die aan de afwijzende beslissing ten grondslag ligt is innerlijk tegenstrijdig en onvolledig en de deken heeft daarbij een onjuiste maatstaf aangelegd. Enerzijds stelt de deken dat klagers verzoek onvoldoende concreet is om inhoudelijk te kunnen beoordelen, anderzijds bevat het verweerschrift een uitgebreide inhoudelijke beoordeling van klagers dossier. Van klager kan niet worden verwacht dat hij zonder advocaat een vrijwel volledig uitgewerkt aansprakelijkheidsdossier overlegt. Er is sprake van een uitzonderlijke situatie waarvoor artikel 13 Advocatenwet de juiste voorziening vormt;
-de deken heeft in de afwijzingsbeslissing een verkeerde toetsingsmaatstaf aangelegd.

Verweer
3.3    De deken heeft in het verweerschrift gepersisteerd bij de afwijzingsbeslissing van 12 mei 2026. Specifiek ten aanzien van de door klager ingediende stukken heeft de deken meegedeeld dat klager bij het beklagschrift allerlei niet eerder overgelegde stukken heeft ingediend, maar dat de door de deken opgevraagde documenten nog steeds ontbreken. Daarbij heeft de deken erop gewezen dat de nieuw overgelegde stukken grotendeels door klager zelf zijn gemaakt, wat deze stukken - zonder de stukken van verschillende instanties waarnaar verwezen wordt - moeilijk te beoordelen maakt. Verder heeft de deken opgemerkt dat in het beklagschrift voor het eerst wordt gesuggereerd dat de focus van het aanwijzingsverzoek zou liggen op de kwestie met [woningcorporatie]/[aansprakelijkheidsverzekeraar], maar dat dit de beslissing van de deken niet anders maakt. De deken verzoekt het beklag ongegrond te verklaren. Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, nader worden besproken.

3.4    In dupliek heeft de deken gepersisteerd bij het verzoek het beklag van klager ongegrond te verklaren. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Ten aanzien van het verzoek van klager

4.2    De deken kan een aanwijzingsverzoek steeds op basis van gegronde redenen afwijzen. In deze zaak heeft de deken de afwijzende beslissing allereerst gebaseerd op de omstandigheid dat klager aanvankelijk door een advocaat werd bijgestaan in deze kwestie, maar dat deze advocaat zich wegens een verschil van inzicht heeft onttrokken. Uit de stukken leidt het hof af dat dit aan klagers eigen opstelling te wijten is. Uit de brief waarmee mr. M zich heeft onttrokken blijkt dat zij klager graag heeft bijgestaan, omdat zij het een unieke zaak vond en zij niet eerder iets vergelijkbaars in haar dossierbestand had gehad. Klager heeft zich kennelijk echter onvoldoende gerealiseerd dat de advocaat ‘dominus litis’ is. Iedere advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van de cliënt het beste zijn gediend en dit kan betekenen dat de advocaat niet (of nog niet) bereid is om alle procedurele stappen te nemen die een cliënt wenst dan wel op de wijze die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet voorziet er niet in om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klager zal voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat de omstandigheid dat klager het niet eens is met de wijze waarop mr. M zijn zaak behandelde, geen grond oplevert voor aanwijzing van een andere advocaat.

4.3    Verder kan de deken alleen tot aanwijzing van een advocaat overgaan als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager lag om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven welke exacte partijen hij precies aansprakelijk wilde stellen en de aanvullend door de deken opgevraagde stukken ter onderbouwing van de door klager gewenste aansprakelijkheidsprocedures aan te leveren. De deken heeft klager daar meerdere keren om verzocht. Hoewel klager stelt dat hij alle gevraagde informatie bij de deken heeft aangeleverd, heeft de deken die stukken niet van klager ontvangen. Ten bewijze van de stelling van klager dat de deken de stukken wel ontvangen heeft is een ‘Delivery Status Notification’ in het algemeen ook onvoldoende, al helemaal indien de deken eerder al liet weten die stukken niet te hebben ontvangen. De deken heeft meermaals aan klager meegedeeld dat het verzoek pas inhoudelijk in behandeling kon worden genomen na ontvangst van de gevraagde informatie. Desondanks zijn de bij klager opgevraagde stukken niet door de deken ontvangen en ook de door klager in deze beklagprocedure ingediende stukken betreffen niet de stukken waar de deken om heeft gevraagd. In zijn beklagschrift heeft klager verder pas voor het eerst aangegeven dat de focus van het aanwijzingsverzoek zou liggen op de kwestie met [woningcorporatie]/[aansprakelijkheidsverzekeraar], maar dat maakt de beoordeling van de deken op basis van de door klager in het aanwijzingstraject verstrekte informatie niet anders en in zijn repliek lijkt klager de kwestie weer breder te trekken. Het hof schaart zich eveneens achter het standpunt van de deken dat klager zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en daardoor de deken niet in staat heeft gesteld te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet was voldaan.

4.4    Uit het voorgaande volgt reeds dat het beklag, ook indien en voor zover door klager zelf wel voldoende advocaten zouden zijn aangezocht, ongegrond is. Gelet hierop behoeven de overige beklaggronden van klager geen bespreking meer. 


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 12 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A Heenk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 september 2026.