ECLI:NL:TGZCTG:2026:189 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3171

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:189
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 28-09-2026
Zaaknummer(s): C2026/3171
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in zijn sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts dat zijn sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een medische rapportage. Ook verwijt zij de arts dat hij haar tijdens het spreekuur onheus heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klaagster voor een deel niet-ontvankelijk is in haar klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3171 van:


A.,
wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,


tegen

C.,
werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam te Utrecht.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in zijn sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts dat zijn sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een medische rapportage. Ook verwijt zij de arts dat hij haar tijdens het spreekuur onheus heeft bejegend.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen d. en e. en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 6 januari 2026 met nummer A2025/8699 (ECLI:NL:TGZRAMS:2026:1). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 2 september 2026 gezamenlijk maar niet gevoegd behandeld met de zaak C2026/3172. Aanwezig waren de arts via beeldverbinding en zijn gemachtigde in de zittingszaal. Zij hebben de vragen van het college beantwoord en het standpunt van de arts nader toegelicht. 

Klaagster heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd. Deze zijn tijdens de mondelinge behandeling aan de arts en zijn gemachtigde overhandigd en aan het dossier toegevoegd. De arts en zijn gemachtigde hebben tijdens een leespauze kennis kunnen nemen van de spreekaantekeningen van klaagster. 
2.4    Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling op 2 september 2026 de zaak in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Wat hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

3.    Feiten

3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagster heeft een gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK) voor een bestuurder aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft de E. aan de F. (hierna: de F.) gevraagd om klaagster medisch te keuren. De arts is werkzaam bij de F. waar hij sociaal-medische onderzoeken uitvoert.

3.3    Op 19 december 2024 kwam klaagster op het spreekuur van de arts voor een medisch onderzoek. Aan het einde van het spreekuur zei klaagster tegen de arts dat zij niet wilde dat hij een sociaal-medisch advies zou afgeven.

3.4    Op 19 en 23 december 2024 stuurde klaagster e-mails aan de F. waarin zij haar onvrede uitte over het handelen van de arts tijdens het spreekuur. Naar aanleiding van deze e-mails heeft de operationeel manager van de F. op 2 januari 2025 telefonisch met klaagster gesproken. In dit gesprek heeft klaagster akkoord gegeven voor het opstellen van een sociaal-medisch advies op basis van de beschikbare gegevens.
3.5    Op 16 januari 2025 stuurde de F. aan klaagster het door de arts opgestelde concept sociaal-medisch advies. In het advies heeft de arts geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van een GPK.

3.6    Klaagster heeft vervolgens gevraagd een aantal correcties in het sociaal-medisch advies door te voeren. Zij gaf geen toestemming voor het doorsturen van het advies aan de gemeente zonder haar akkoord. Na bemiddeling door de klachtenfunctionaris van de F. is er een afspraak voor een nieuwe beoordeling gepland bij een collega van de arts (verweerster in de zaak C2026/3172). Het door de arts opgestelde advies is niet naar de gemeente verzonden.

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster heeft bij het Regionaal Tuchtcollege de volgende klachtonderdelen geformuleerd: 

a) De arts heeft ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Hij heeft geen onderzoek gedaan naar de aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen, die een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigen;
b) Het advies van de arts voldoet niet aan de eisen van de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart;
c) De arts heeft klaagster op een schandalige manier bejegend;
d) De F. heeft niet adequaat gereageerd op de klacht van klaagster, haar verzoek om tot een oplossing te komen en haar verzoek om informatie over de toepasselijke richtlijnen;
e) De F. moet de kosten betalen van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerkaart.

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht in volle omvang beoordeelt, alsnog gegrond verklaart en dat aan de arts een maatregel wordt opgelegd.

4.3    De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep van klaagster te verwerpen.  

Ontvankelijkheid
4.4     Allereerst overweegt het Centraal Tuchtcollege dat uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege kunnen worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover klaagster in beroep nieuwe verwijten aanbrengt kan zij daarin dus niet worden ontvangen. 

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.6    Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het door de arts opgestelde sociaal-medisch advies voldoet aan de vereisten zoals door het Regionaal Tuchtcollege genoemd onder 5.3. In het advies is op voldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het advies steunt. 

Conclusie
4.7    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klaagster deels niet-ontvankelijk is in haar beroep en dat het beroep voor het overige moet worden verworpen.

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover zij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, 
R. Prakke-Nieuwenhuizen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en D. Coppoolse en J. Hermans,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.
Voorzitter w.g.             Secretaris  w.g.