ECLI:NL:TAHVD:2026:304 Hof van Discipline 's Gravenhage 250293

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:304
Datum uitspraak: 25-09-2026
Datum publicatie: 28-09-2026
Zaaknummer(s): 250293
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Confraternele correspondentie/schikkingsonderhandelingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij die over de inhoud van een overleg, waarbij naast de wederzijdse advocaten ook de cliënten en een bedrijfsjurist aanwezig waren, in zijn conclusie van antwoord heeft geschreven. Gedragsregel 27 (vertrouwelijkheid van schikkingsonderhandelingen) beperkt zich tot de situatie van schikkingsonderhandelingen tussen uitsluitend advocaten. Als een cliënt of een andere derde daarbij aanwezig is, houdt gedragsregel 26 (vertrouwelijke mededelingen) in dat geheimhouding van wat is besproken expliciet afgesproken moet worden. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarom heeft het hof de raadsbeslissing, waarbij een waarschuwing is opgelegd, vernietigd en de klacht alsnog ongegrond verklaard.


Beslissing van 25 september 2026
in de zaak 250293

naar aanleiding van het hoger beroep van:


verweerder 

gemachtigde: mr. M.L.F. Schyns


tegen:


klaagster 

gemachtigden: mrs. E.A. Buziau en L.M. Wolfs, advocaten te Amsterdam

1    INLEIDING

1.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij die over de inhoud van een overleg, waarbij naast de wederzijdse advocaten ook de cliënten en een bedrijfsjurist aanwezig waren, in zijn conclusie van antwoord heeft geschreven. Gedragsregel 27 (vertrouwelijkheid van schikkingsonderhandelingen) beperkt zich tot de situatie van schikkingsonderhandelingen tussen uitsluitend advocaten. Als een cliënt of een andere derde daarbij aanwezig is, houdt gedragsregel 26 (vertrouwelijke mededelingen) in dat geheimhouding van wat is besproken expliciet afgesproken moet worden. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarom heeft het hof de raadsbeslissing, waarbij een waarschuwing is opgelegd, vernietigd en de klacht alsnog ongegrond verklaard. 

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-153/AL/MN) een beslissing genomen op 28 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2  Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:184 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 22 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad
-    het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2026.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 maart 2026. Daar is klaagster met haar gemachtigden verschenen en verweerder met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

2.6    Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het hof partijen geïnformeerd een eindbeslissing te willen nemen met een kamer van vijf leden en daartoe de behandelend kamer uit te breiden met een Kroonlid en advocaat-lid zonder dat opnieuw een zitting plaatsvindt. Partijen hebben zich daarmee akkoord verklaard. Aan partijen is voorafgaand aan de eindbeslissing het proces-verbaal van de zitting toegezonden en zijn de namen van het toegevoegd Kroonlid en advocaat-lid medegedeeld.  


3    FEITEN

3.1 Klaagster en de cliënten van verweerder (B en B B.V.) hebben een geschil in verband met (overtreding van) een non-concurrentiebeding in het kader van een aandelentransactie. Het geschil ziet op een aanzienlijke vordering die klaagster meent te hebben op de cliënten van verweerder. 

3.2    Op 25 maart 2024 heeft de advocaat van klaagster de cliënten van verweerder aansprakelijk gesteld. Op 12 april 2024 heeft verweerder namens zijn cliënten de aansprakelijkheid afgewezen. 

3.3  Op 2 mei 2024 is op verzoek van klaagster het exploot van dagvaarding aan de cliënten van verweerder betekend. Zij zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 15 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam. 

3.4  Op 13 mei 2024 heeft tussen verweerder en de advocaat van klaagster telefonisch overleg plaatsgevonden over de mogelijkheid van een schikking. In de daaropvolgende weken is tussen verweerder en de advocaat van klaagster verder overleg geweest tot het beproeven van een schikking. 

3.5  In een e-mail van 27 mei 2024 heeft verweerder het volgende aan de advocaat van klaagster geschreven:

‘Gaarne verneem ik naar aanleiding van ons overleg van vorige week of uw cliënte kan instemmen met een uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord van 4 weken en of uw cliënte bereid is tot overleg, een en ander zoals wij bespraken.’

3.6  Op 20 juni 2024 heeft een fysieke bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de advocaat van klaagster, waarbij de vertegenwoordigers van klaagster, de cliënten van verweerder, beide advocaten en een bedrijfsjurist aanwezig waren. Het overleg tussen klaagster en de cliënten van verweerder met hun advocaten heeft niet geleid tot een minnelijke regeling. 

3.7  Op de rol van 17 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam heeft verweerder namens zijn cliënten de conclusie van antwoord ingediend. In die conclusie van antwoord heeft verweerder inhoudelijke mededelingen gedaan over de bespreking van 20 juni 2024: 

‘40. […] Niemand had op het netvlies dat er eventueel onoorbare activiteiten zouden plaatsvinden als werd samengewerkt en aan de voorgenomen samenwerking [van de zonen van cliënt B van verweerder] werd dan ook de nodige ruchtbaarheid gegeven.’ 
 

‘58. […] NB: De heer Z heeft later (op 20 juni 2024) verteld dat gaandeweg steeds meer klanten vertrokken en dat daarom in maart 2024 aan juristen (waarschijnlijk van ASR) is gevraagd om uit te zoeken of een verdere uittocht contractueel was te verhinderen. In januari/februari 2024 was er echter nog geen vuiltje aan de lucht.’
 

‘70. Op 20 juni 2024 hebben partijen ten kantore van de advocaten van [klaagster] alsnog overleg gehad over een minnelijke regeling. Bij dit gesprek waren [MG en cliënt B van verweerder] aanwezig, evenals hun advocaat [verweerder]. Verder waren de heren K en Z (namens klaagster] aanwezig, bijgestaan door [advocaat van klaagster] en een bedrijfsjurist van ASR. 
 

‘71. [MG] en [cliënt B van verweerder] hebben tijdens het overleg toegelicht dat zij zich nooit bewust zijn geweest van de thans door [klaagster] voorgestane uitleg van het non-concurrentiebeding, waarop de heer Z. heeft geantwoord dat JK en hij ook niet op het netvlies hadden dat het non-concurrentiebeding zou zijn overtreden. Nadat in januari 2024 veel klanten zouden zijn overgestapt naar [de concurrerende onderneming], was echter aan de advocaten/juristen (van ASR) gevraagd om de koopovereenkomst te analyseren waarna werd besloten tot de aansprakelijkstelling van 25 maart 2024, aldus de heer Z.(…)’ 

‘72. Voorts is tijdens het overleg van 20 juni 2024 door [MG en cliënt B van verweerder] [de bestuurders van B B.V.] geadresseerd dat het werkelijke probleem van [klaagster] lijkt te zijn dat zij er na de overname van [bedrijf A] onvoldoende in is geslaagd om personeel en klanten vast te houden. Zij hebben onverplicht aangeboden om onbezoldigd te helpen met klantenbehoud opdat het onderliggende probleem wordt opgelost. Voorts hebben zij onverplicht aangeboden om eventuele schade te vergoeden. Tot slot hebben [MG en cliënt B van verweerder] toegelicht dat [de cliënten van verweerder] bij lange na niet beschikken over het door [klaagster] gevorderde boetebedrag en dat het hoogst haalbare resultaat voor klaagsters is dat [cliënten van verweerder] in staat van faillissement geraken, wat in niemand zijn belang is. Helaas heeft [klaagster] al deze oplossingsrichtingen en waarschuwingen afgewezen, reden waarom namens [cliënten van verweerder] verweer wordt gevoerd.’ 

‘87. […] Dat [de bepalingen van de koopovereenkomst vaag zouden zijn en pas later door Klager in haar voordeel zijn uitgelegd] wordt ook bevestigd door de uitlating van de heren Z en K ter gelegenheid van de bespreking van 20 juni 2024 waarbij zij expliciet hebben verklaard dat zij ook niet op het netvlies hadden dat sprake was van een overtreding.’ 

‘134. (…) [Cliënten van verweerder] wijzen er in dit verband ook op dat [klaagster] hun voorstel van 20 juni 2024 om onverplicht en onbezoldigd [bedrijf A] te helpen bij klantbehoud heeft afgewezen, wat erop duidt dat het [klaagster] niet is te doen om klantbehoud waartoe het concurrentieverbod is ingegeven, maar om de incasso van boetes en het beschadigen van [cliënten van verweerder], die bij toewijzing failliet gaan.’ 

‘149. […] b. […] In de periode waarin de beweerde overtredingen plaatsvonden, had geen van partijen op het netvlies dat [cliënten van verweerder] ervoor moesten zorgdragen dat [de zonen van cliënt B van verweerder] niet (indirect) in [de concurrerende onderneming] mochten participeren. (…) [Klaagster] heeft de later door haar als inbreuk betitelde situatie zelf lange tijd laten voortbestaan en heeft dus ook niet op het netvlies gehad dat [cliënten van verweerder] in strijd met enige ‘aansporing’ zouden hebben gehandeld.’

3.8 In randnummers 71, 205 en 206 van zijn conclusie van antwoord heeft verweerder bewijs aangeboden van zijn mededelingen omtrent de inhoud van de schikkingsonderhandelingen door het doen horen van de personen die daarbij aanwezig waren:

‘71 (…) [Cliënten van verweerder] bieden uitdrukkelijk bewijs aan dat [klaagster] zelf ook niet op het netvlies hadden staan dat het non-concurrentiebeding zou zijn overtreden. Bewijslevering kan plaatsvinden door het doen horen van de heren Z en JK en de andere aanwezigen bij het overleg van 20 juni 2024.’  
‘

205. […] Het bewijs van de stellingen van [cliënten van verweerder] kan onder meer worden geleverd door middel van getuigenverklaringen van (…) en door de ASR-jurist die aanwezig was bij het gesprek van 20 juni 2024.’
 

‘206. In het bijzonder bieden [cliënten van verweerder] bewijs aan van de stelling dat tijdens het overleg van 20 juni 2024 door de heer Z is erkend dat [klaagster] in eerste instantie niet op het netvlies had dat in strijd met het non-concurrentiebeding zou zijn gehandeld en pas na januari 2024, na daartoe te zijn gesouffleerd door juristen/advocaten, het standpunt heeft ingenomen dat haar partijbedoeling ‘met terugwerkende kracht’ zou zijn dat Y. en M. B [de zonen van cliënt B van verweerder] onder de reikwijdte van het begrip ‘Verbonden Partij’ zouden vallen.’

3.9  Telefonisch en in een e-mail van 17 juli 2024 heeft de advocaat van klaagster aan verweerder laten weten dat onderdelen van de conclusie van antwoord in strijd zijn met gedragsregel 27 en heeft hij hem verzocht om zijn conclusie van antwoord aan te passen. 

3.10 In een e-mail van 18 juli 2024 heeft (de secretaresse van) verweerder aan de advocaat van klaagster geschreven dat de conclusie van antwoord niet zal worden aangepast en dat de gedragsregels niet zijn overtreden.

3.11 Op 5 augustus 2024 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend bij de deken Midden-Nederland. 


4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 

in strijd met gedragsregel 27 (schikkingsonderhandelingen)

a)    in de conclusie van antwoord, bestemd voor de rol van 17 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, in te gaan op de inhoud van schikkingsonderhandelingen die op 20 juni 2024 op het kantoor van haar advocaten plaatsvonden, waarvoor geen toestemming is gevraagd of gegeven;

b) in de conclusie van antwoord bewijs aan te bieden van stellingen dat tijdens schikkingsonderhandelingen bepaalde mededelingen zouden zijn gedaan door het horen van aanwezigen, waaronder haar advocaat; 

c)   te weigeren een gewijzigde conclusie van antwoord, namelijk zonder alle verwijzingen naar de schikkingsonderhandelingen, in te dienen.


5    BEOORDELING RAAD

Rechtstreeks belang

5.1 Verweerder heeft bij de raad gesteld dat klaagster geen belang heeft bij deze klacht omdat zij geen advocaat is. De raad volgt verweerder niet in deze stelling. Klaagster was partij in de procedure waarin verweerder mededelingen uit het overleg heeft gedaan. Daarmee heeft klaagster een eigen en rechtstreeks belang bij de klacht over dit handelen door verweerder. Daarbij is van belang dat de raad toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing kunnen de gedragsregels wel van belang zijn, maar de tuchtrechter is daar niet aan niet gebonden. Daarom leidt de (aangevoerde) omstandigheid dat gedragsregel 27 een gedragsregel is die ziet op het handelen van een advocaat in de verhouding tot zijn beroepsgroep niet tot de conclusie dat klaagster geen belang heeft bij deze klacht. Dat betekent dat de klaagster ontvankelijk is in deze klacht.  

Beoordeling van de klacht

5.2 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij. Bij de beoordeling van de klacht heeft de raad de volgende omstandigheden van belang geacht: verweerder heeft in een brief aan de advocaat van klaagster van 27 mei 2024 gevraagd of  ‘uw cliënt bereid is tot overleg’. Vervolgens heeft op 20 juni 2024 een overleg plaatsgevonden. Daarbij waren de vertegenwoordigers van klaagster, hun advocaat, de cliënten van verweerder en verweerder aanwezig. De vertegenwoordigers van klaagster zijn er vanuit gegaan dat dit overleg vertrouwelijk zou zijn. Na het overleg heeft verweerder bij de rechtbank Amsterdam een conclusie van antwoord ingediend. In die conclusie heeft verweerder uitgebreid geschreven over de inhoud van het overleg en op meerdere plekken gerefereerd aan wat de partijen tijdens dat overleg hebben gezegd. Ook heeft verweerder medegedeeld dat zijn cliënten tijdens dat overleg een aanbod hebben gedaan, welk aanbod door klaagster is afgewezen. In die conclusie van antwoord heeft verweerder verder geschreven dat de partijen op 20 juni 2024 ‘een overleg hebben gehad over een minnelijk regeling’.   

5.3  Gelet op de omstandigheden is voor de raad vast komen te staan dat het (gehele) overleg van 20 juni 2024 het karakter had (gekregen) van schikkingsonderhandelingen, waarop gedragsregel 27 van toepassing is. Dat bij dit overleg ook de vertegenwoordigers van klaagster en de cliënten van verweerder en een bedrijfsjurist aanwezig waren, maakt dat niet anders. Door op deze wijze (zonder toestemming van klaagster) mededelingen aan de rechter te doen van de inhoud van deze schikkingsonderhandelingen heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 27. Verweerder kan daarvan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat betekent dat de klacht gegrond wordt verklaard.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1  Verweerder stelt voorop dat het overleg op 20 juni 2024 geen vertrouwelijk karakter heeft gehad omdat dit vooraf niet was afgesproken. Vertrouwelijkheid was ook niet mogelijk door de aanwezigheid van een bedrijfsjurist op wie geen geheimhoudingsplicht rust. Tijdens dit overleg heeft de directeur van de cliënte van verweerder een onvoorwaardelijk aanbod gedaan dat niet werd geaccepteerd. Omdat geen vertrouwelijkheid was afgesproken, is gedragsregel 27 niet van toepassing. Bovendien geldt gedragsregel 27 niet voor de cliënten van de advocaten. Daarom – en gelet op artikel 21 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering – mocht verweerder het door de directeur van zijn cliënte gedane aanbod in zijn processtuk opnemen alsook de visie van de wederpartij op het geschil tussen partijen.  

6.2  De raad heeft volgens verweerder de reikwijdte van gedragsregel 27 ten onrechte uitgebreid door te beslissen dat het gehele overleg onder de strekking van deze gedragsregel valt. Gelet op de toelichting bij deze gedragsregel 27 hoefde verweerder daar in 2024 niet op bedacht te zijn. 

6.3  Verder heeft verweerder de navolgende beroepsgronden aangevoerd. 

Beroepsgrond 1: ontvankelijkheid 
6.4  Verweerder stelt dat klaagster ten onrechte ontvankelijk is verklaard in haar klacht. Dat oordeel van de raad staat haaks op een eerdere beslissing van dezelfde raad (ECLI:NL:TADRARL:2023:40), aan welke beslissing de raad zonder motivering voorbij is gegaan. In die uitspraak oordeelde dezelfde raad dat een klager die geen advocaat is zich niet kan beroepen op gedragsregel 27. 
De advocaat van klaagsters heeft zelf niet gesteld dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klagers kunnen dan niet zelf een beroep doen op gedragsregel 27. 

Beroepsgrond 2  
6.5 Verweerder stelt dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat hij zich erop zou hebben beroepen dat er geen sprake van schikkingsonderhandelingen was. Verweerder heeft zich – in lijn met gedragsregel 27– erop beroepen dat hij geen inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen heeft medegedeeld aan de rechter. Deze belangrijke restrictie staat in gedragsregel 27 en dat heeft de raad miskend (randnummer 5.5). 

Beroepsgrond 3 
6.6 De raad heeft ten onrechte en zonder toelichting overwogen dat het gehele overleg als vertrouwelijk mocht worden ervaren door klaagster (randnummers 5.6 en 5.7). De advocaat van klaagster heeft zelf geen uitlatingen gedaan over de veronderstelde vertrouwelijkheid en die  advocaat staat klaagster ook niet in deze klachtzaak bij. Voorts kan vertrouwelijkheid niet eenzijdig worden afgesproken. De cliënten van verweerder gingen uit van een open gesprek. Vertrouwelijkheid was ook niet mogelijk door de aanwezigheid van een bedrijfsjurist (van de zijde van klaagster) op wie geen wettelijke geheimhoudingsplicht rust. 

Beroepsgrond 4 
6.7  De raad heeft volgens verweerder ten onrechte overwogen dat verweerder in de conclusie van antwoord een mededeling heeft gedaan van het gedane aanbod alsook dat het een overleg over een minnelijke regeling betrof (randnummer 5.6). Verweerder voert aan dat een overleg over een minnelijke regeling iets anders is dan de inhoud van schikkingsonderhandelingen. Gedragsregel 27 beperkt zich tot de inhoud van schikkingsonderhandelingen. Gelet op de toelichting op gedragsregel 27 mocht verweerder het door zijn cliënt in het  overleg gedane aanbod in de conclusie van antwoord herhalen. Of een overleg vertrouwelijk is, wordt bepaald door gedragsregel 26: een overleg is alleen vertrouwelijk als dit vooraf is afgesproken. 

Beroepsgrond 5
6.8  Verweerder stelt dat de raad ten onrechte gedragsregel 27 op het hele overleg heeft toegepast. Dit is volgens verweerder in strijd met de gedragsregel 27 omdat deze zich beperkt tot de inhoud van schikkingsonderhandelingen en niet geldt voor de cliënten van de advocaten. Tijdens het overleg hebben de cliënten van partijen hun visie op het geschil gegeven. Het ging volgens klager om het uitwisselen van standpunten en dat valt niet onder gedragsregel 27.

Beroepsgrond 6
6.9  Verweerder voert aan dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanwezigheid van de bedrijfsjurist het oordeel van de raad niet anders maakt (randnummer 5.7). Verweerder vindt deze redenering onhoudbaar omdat gedragsregel 27 – zoals ook staat in de toelichting op deze gedragsregel – niet voor andere rechtshulpverleners geldt. 

Beroepsgrond 7 
6.10  Verweerder stelt dat de raad heeft nagelaten het verweer dat gedragsregel 27 niet aan de orde is, te honoreren. Het betrof geen overleg tussen louter advocaten, ook partijen waren aanwezig bij het gesprek. Dan kan niet het gehele overleg vertrouwelijk zijn. Verder was bij het overleg nog een buitenstaander aanwezig waardoor de cliënten van verweerder, en verweerder zelf, niet op vertrouwelijkheid hebben gerekend. Uit de mondelinge behandeling bij de raad volgt volgens verweerder dat klaagster vooral bezwaar had over de wijze waarop verweerder het een en ander had opgeschreven in de conclusie van antwoord en niet zozeer dat verweerder dit had gedaan. 

6.11  Verweerder concludeert dat hij niet het vertrouwelijke karakter van het overleg heeft miskend omdat het een niet-vertrouwelijke bespreking was. De klacht dient volgens verweerder niet-ontvankelijk te worden verklaard danwel alsnog ongegrond. 

Verweer klaagster

6.12  Klaagster heeft ter zitting in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. 


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1  De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een  over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

Klaagster is ontvankelijk

7.2    Klaagster heeft als niet-advocaat een rechtstreeks, eigen belang bij de onderhavige klacht omdat zij aanwezig was – met haar advocaat – bij de bespreking die centraal staat in een civiele procedure van klaagster. In die procedure heeft verweerder, als advocaat van de wederpartij van klaagster, een processtuk ingediend waarin volgens klaagster mededelingen zijn gedaan uit die bespreking die volgens klaagster zijn aan te merken als schikkingsonderhandelingen als bedoeld in gedragsregel 27. Dit betekent dat klaagster de onderhavige klacht mag onderbouwen met een beroep op gedragsregel 27 en dat dit niet is voorbehouden aan de advocaat van klaagster. 

7.3    Dit leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat klaagster door de raad terecht ontvankelijk is verklaard. In zoverre verweerder in beroep komt tegen deze beslissing van de raad, slaagt het beroep van verweerder niet. 

7.4    Dit betekent vervolgens dat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van verweerder. Het hof ziet echter aanleiding om eerst stil te staan bij de reikwijdte van gedragsregel 27.

Reikwijdte van gedragsregel 27 

7.5 Volgens gedragsregel 27 mag omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij. De achtergrond van deze regel is dat advocaten met elkaar vrijuit moeten kunnen spreken teneinde een oplossing voor het geschil te kunnen beproeven. Deze gedragsregel bindt, zoals ook uit de toelichting daarop volgt, niet de cliënt die bij de schikkingsonderhandelingen aanwezig is. Gelet hierop is gedragsregel 27 beperkt tot de situatie waarin schikkingsonderhandelingen plaatsvinden tussen uitsluitend advocaten.

7.6  Het vorenstaande betekent dat de vertrouwelijkheid van gedragsregel 27 een beperkte reikwijdte heeft, want van vertrouwelijkheid is geen sprake (meer) als (vertegenwoordiger(s) van) de cliënt(en) aanwezig is/(zijn) bij een gesprek tussen de advocaten om tot een schikking te komen. Dan is sprake van een situatie die niet onder gedragsregel 27 valt maar onder gedragsregel 26: alles wat wordt besproken, is niet vertrouwelijk tenzij vertrouwelijkheid is overeengekomen. Als in zo’n situatie niet expliciet vertrouwelijkheid is overeengekomen, mag door de advocaat over de inhoud van schikkingsonderhandelingen waarbij de cliënten aanwezig zijn (in beginsel) vrijelijk worden verklaard in bijvoorbeeld een gerechtelijke procedure. 

7.7 In het geval een advocaat wil dat de inhoud van een bespreking, waarbij ook de cliënten aanwezig zijn (of andere derden op wie geen geheimhoudingsplicht (van rechtswege) rust), vertrouwelijk blijft, dient de advocaat dat expliciet met de andere advocaat af te spreken en – bij voorkeur, ter voorkoming van discussie achteraf – vast te leggen. Daarbij kan ook overeengekomen worden dat de cliënten (of andere derden) ook zelf aan vertrouwelijkheid gebonden zijn. Gebeurt dit niet, dan is de inhoud van het gesprek niet vertrouwelijk. Dat geldt ook als de bespreking (mede) is bedoeld om tot een schikking te komen, omdat gedragsregel 27 zich beperkt tot schikkingsonderhandelingen tussen uitsluitend advocaten. 

7.8 Gedragsregel 27 brengt mee dat de advocaten hun cliënten over de tussen hen gevoerde schikkingsonderhandelingen zodanig informeren dat de door deze gedragsregel beschermde vertrouwelijkheid niet wordt geschaad. Advocaten dienen zich hiervan bewust te zijn.

7.9  Het hof zal de beroepsgronden van verweerder toetsen in het licht van de hiervoor uiteengezette reikwijdte van gedragsregel 27. 

Gedragsregel 27 mist toepassing  

7.10 Op basis van de stukken en het onderzoek ter zitting stelt het hof vast dat verweerder en de advocaat van klaagster een verschillende visie hebben op de vertrouwelijkheid van de bespreking van 20 juni 2024 (hierna: het overleg). In de visie van klaagster was het overleg vertrouwelijk omdat geprobeerd zou worden, onder aanwezigheid van de advocaten, een minnelijke regeling te bereiken terwijl het overleg volgens verweerder niet vertrouwelijk was omdat ook de cliënten (en een bedrijfsjurist van klaagster) daarbij aanwezig waren. Daarom was volgens verweerder gedragsregel 27 niet van toepassing. 

7.11 Uit de hiervoor in 7.5 tot en met 7.8 uiteengezette reikwijdte van gedragsregel 27 volgt dat de visie van verweerder juist is: door de aanwezigheid van de cliënten en de bedrijfsjurist viel het overleg buiten het bereik van gedragsregel 27. De inhoud van het overleg is om die reden niet vertrouwelijk, tenzij tussen de advocaten expliciet vertrouwelijkheid zou zijn overeengekomen (gedragsregel 26). Het hof stelt vast dat dit niet is gebeurd. Dit betekent dat de inhoud van het overleg niet vertrouwelijk is en dat het verweerder vrijstond om in zijn conclusie van antwoord te verwijzen naar dit overleg en te benoemen wat daar was besproken (zie hiervoor randnummers 3.7 en 3.8). 

7.12 Verweerder heeft daarom niet in strijd gehandeld met de aan gedragsregel 27 ten grondslag liggende gedachte. Ook overigens is het hof niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Er is niet sprake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt (artikel 46 Advocatenwet). Dit betekent dat het beroep van verweerder tegen de beslissing van de raad slaagt.    

Slotsom

7.13  Het hof komt – in tegenstelling tot de raad – tot de conclusie dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof zal de beslissing van de raad, inclusief de door de raad opgelegde maatregel en proceskostenveroordeling, vernietigen en de klacht alsnog ongegrond verklaren. 


8    BESLISSING

Het hof van discipline:

8.1 vernietigt de beslissing van 28 juli 2025 van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-153/AL/MN; 

en doet opnieuw recht:

8.2 verklaart de klacht alsnog ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.A. Huijgen en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 
25 september 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 25 september 2026.