ECLI:NL:TADRARL:2026:189 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-617/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:189
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 22-09-2026
Zaaknummer(s): 26-617/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Dreigementen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing over advocaat wederpartij. Verweerster mocht afgaan op de juistheid van de van haar cliënt ontvangen persoonsgegevens van klaagster zonder nader onderzoek. Niet is gebleken dat verweerster gedragsregel 3 en de AVG heeft geschonden. Verweerster heeft bij het partijdig optreden voor haar cliënt voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Verweerster handelde daarbij in opdracht van haar cliënt. Het sommeren van klaagster was niet nodeloos, gezien het eerder door klaagster ingenomen standpunt. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 21 september 2026
in de zaak 26-617/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 16 juli 2026 met kenmerk 2530209. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    In een e-mail van 28 februari 2025 heeft de ex-partner van klaagster haar erop gewezen dat zij de pensioenverevening na echtscheiding niet aan haar pensioenverzekeraar ABP heeft doorgegeven en heeft haar verzocht om dat op korte termijn te regelen. 

1.2    Op 6 maart 2025 heeft klaagster aan haar ex-partner gemaild dat zij dat zal doorgeven zodra zij een aantal bedragen ter zake van ziektekosten (uit 2018) van hem heeft ontvangen. 

1.3    Op 8 juli 2025 heeft klaagster, in reactie op zijn e-mail van 7 april 2025, aan haar ex partner gemaild dat het echtscheidingsconvenant twee kanten op werkt en zij nog geld van hem moet krijgen en daarna wat zal doen. 

1.4    In een e-mail van 15 juli 2025 heeft verweerster klaagster aangeschreven als advocaat van de ex-partner. Verweerster heeft hierin onder meer geschreven dat klaagster, in strijd met de in 2012 in het echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken met haar ex partner, niet binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking daarvan mededeling heeft gedaan bij haar pensioenuitvoerder. Verweerster heeft klaagster verzocht om die mededeling van pensioenverevening alsnog zo snel mogelijk, uiterlijk 30 juni 2025, te doen. Verder heeft verweerster geschreven:
Graag verneem ik binnen tien dagen na dagtekening van deze brief, derhalve op uiterlijk 25 juli 2025 van u of u met het bovenstaande voorstel kunt instemmen. Mocht u daar niet meer kunnen instemmen, dan wel wanneer u zich in geval van overeenstemming niet aan de gemaakte afspraken houdt, heb ik de opdracht van cliënt om een gerechtelijke procedure jegens u op te starten, teneinde de verdeling van de ouderdomspensioenrechten in rechte af te dwingen. De aan een dergelijke procedure verbonden kosten zullen dan zoveel als mogelijk op u worden verhaald. Het zou cliënt zeer spijten wanneer u het zover zou laten komen. 

1.5    In een e-mail van 18 juli 2025 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij het zal regelen zodra zij in de gelegenheid is.

1.6    In een e-mail van 29 juli 2025 heeft verweerster gemeld dat klaagster de gestelde termijn heeft laten verlopen. Verweerster heeft klaagster tot uiterlijk 31 augustus 2025 om 15:00 uur de gelegenheid gegeven om te reageren. Als een tijdige reactie uitblijft, heeft verweerster aangekondigd dat haar cliënt zich dan tot de rechter zal wenden met verhaal van de kosten van de procedure op klaagster. 

1.7    In een e-mail van 30 juli 2025:
- om 8:31: heeft klaagster verweerster verwezen naar haar e-mail van 18 juli 2025;
- om 11:39: heeft verweerster aan klaagster laten weten dat haar reactie te vrijblijvend is en dat als klaagster niet uiterlijk 31 augustus 2025 voor 15.00 uur heeft gereageerd, haar cliënt een procedure zal starten. 

1.8    In een e-mail van 12 augustus 2025 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat het voor 1 januari 2026 geregeld zal zijn.

1.9    In een e-mail van 26 augustus 2025 om 8:01 uur heeft klaagster aan verweerster gemeld dat zij ervan uitgaat, omdat zij geen reactie heeft gekregen, dat haar ex-partner met haar voorstel instemt. Om 8:07 uur heeft klaagster aan verweerster geschreven:
Ik krijg de melding dat u tot en met maandag 8 september afwezig bent.
Waarom moest ik dan vóór 31 augustus 15.00 uur reageren? Nota bende de sterfdag en zelfs het sterfuur van mijn moeder. Kutwijf dat je er bent!!!

1.10    In een e-mail van 30 augustus 2025 heeft klaagster bij verweerster haar beklag gedaan over de gang van zaken, specifiek over de gestelde termijnen en dat het verweerster is die de verevening traineert. 

1.11    In een e-mail van 9 september 2025 heeft verweerster aan klaagster onder meer laten weten:
Dank voor uw reactie.
Het is mij niet duidelijk waarom de berichtgeving aan de pensioenuitvoerders dusdanig lang op zich laat wachten. Desondanks stemt cliënt in met uw bericht dat er ervoor zorgdraagt dat voor 1 januari 2026 de pensioenuitvoerders zijn ingelicht over de pensioenverevening (…).
Graag ontvang is spoedig uw bevestiging, alsmede het bericht aan de pensioenuitvoerders zodra u deze heeft verzonden. 

1.12    Op 10 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) te overtreden;
Toelichting: Verweerster heeft de door haar cliënt aangeleverde NAW-gegevens van klaagster en haar e-mailadres klakkeloos gebruikt en in haar kantooradministratie verwerkt, zonder toestemming van klaagster. Verweerster had moeten nagaan of de wijze waarop zij de gegevens over klaagster had ontvangen wel rechtmatig was. Klaagster heeft haar NAW-gegevens met reden bij het BRP afgeschermd;

b)    in haar e-mails van 29 en 30 juli 2025 bewust een hele vreemde reactiedatum te stellen en vragen daarover van klaagster niet te beantwoorden; 
Toelichting: In haar e-mail heeft verweerster gesteld dat klaagster uiterlijk zondag 31 augustus 2025 om 15.00 uur moest reageren. Dit was in 2015 de sterfdag en bij benadering het tijdstip van overlijden van de moeder van klaagster. Dat kan niet willekeurig zo door verweerster zijn gekozen. Verweerster had vragen van klaagster daarover moeten beantwoorden; 

c)    in haar e-mails van 15 en 29 juli 2025 onnodig te dreigen met een rechtszaak en proceskostenveroordeling;
Toelichting: De cliënt van verweerster weet dat allerlei vormen van druk een negatieve weerslag op het ziektebeeld van klaagster hebben. Verweerster wist dat, dan wel had dat kunnen weten. Proceskosten in een familiezaak worden door partijen zelf gedragen, zodat klaagster met foutieve informatie onder druk is gezet. Gelet op de financiële situatie van klaagster was het ook verwerpelijk om alle kosten van een rechtszaak op haar te verhalen;

d)    zich onnodig grievend over klaagster uit te laten; 
Toelichting van grievende uitlatingen: 
(i) Bovenaan de e-mail van verweerster van 15 juli 2025 heeft verweerster geschreven “Op 24 juni 2025 per aangetekende post verzonden (niet door u afgehaald)”. Klaagster was van de aangetekende post niet op de hoogte want heeft daarvan geen bericht ontvangen. De cursieve toevoeging van verweerster bovenaan haar e-mail heeft klaagster als onnodig grievend ervaren;
(ii) Verweerster heeft in haar e-mail van 30 juli 2025 een ongebruikelijke niet noodzakelijke termijn opgenomen om een zakelijke reactie van klaagster te verlangen. Dat was op een zondagmiddag en ook nog op de sterfdag van haar moeder. Dat wist verweerster mogelijk niet maar haar cliënt wel. Verweerster was nota bene zelf tot 8 september 2025 wegens vakantie afwezig;
(iii) Ook grievend was hoe verweerster zich heeft uitgelaten in haar e-mail van 9 september 2025 aan klaagster. Omdat haar cliënt met het voorstel van klaagster akkoord was gegaan dat klaagster voor 1 januari 2026 haar pensioenuitvoerder zou informeren, was de toevoeging van verweerster zelf denigrerend en functioneel ook niet noodzakelijk. 

3    VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
 

Maatstaf

4.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.2    De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.3    De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

4.4    In de toelichting van gedragsregel 3 is bepaald dat een advocaat zich moet houden aan de AVG. Deze Europese verordening schrijft onder meer voor dat degene die persoonsgegevens verwerkt, passende technische en organisatorische maatregelen treft om deze gegevens te beveiligen. Dat zal in het bijzonder gelden voor de (persoons) gegevens die de advocaat in het kader van de dienstverlening van zijn cliënt verkrijgt en opslaat. 

4.5    Een advocaat dient een afweging te maken welke persoonsgegevens noodzakelijk zijn om deze wettelijke verplichtingen na te komen. Wel komt een advocaat meer vrijheid toe om de persoonsgegevens te gebruiken van de wederpartij zonder toestemming van deze betrokkene. Een advocaat mag echter niet de belangen van de wederpartij nodeloos of onevenredig schaden. 

4.6    Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat het kantoor van verweerster beschikt over een privacyverklaring om aan de op het kantoor ex art. 12-14 AVG rustende informatieverplichtingen te voldoen. Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij hiermee in strijd heeft gehandeld, is de voorzitter daarvan uit de stukken niet gebleken. 

4.7    Verweerster mocht daarnaast afgaan op de juistheid van de van haar cliënt ontvangen persoonsgegevens van klaagster zonder nader onderzoek. Verweerster heeft door die contactgegevens aan klaagster een brief kunnen versturen en haar kunnen mailen. Dat verweerster die - door klaagster afgeschermde - NAW-gegevens openbaar heeft gemaakt of anderszins daarmee de belangen van klaagster nodeloos of onevenredig heeft geschaad, is de voorzitter uit de stukken echter niet gebleken. 

4.8    Verweerster heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.9    Volgens verweerster wilde haar cliënt na de reactie van klaagster van 18 juli 2025 meer duidelijkheid. Daarom heeft verweerster in haar e-mail van 29 juli 2025 klaagster opnieuw aangeschreven met 31 augustus 2025 als reactietermijn. Dat was een verschrijving omdat verweerster 31 juli 2025 bedoelde, maar dat heeft ze maar zo gelaten. Klaagster kreeg daardoor een langere reactietermijn. Verweerster was niet bekend met de sterfdag van de moeder van klaagster.

4.10    Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster als gevolg van de verschrijving van de datum door verweerster een ruime termijn gekregen om te reageren. Dat die termijn daardoor op een zondag viel, is op zichzelf niet klachtwaardig. Evenmin is klachtwaardig dat die termijn in de vakantie van verweerster zou aflopen. Klaagster heeft erkend dat verweerster niet bekend was met de sterfdag van haar moeder zodat ook op dat punt verweerster niet laakbaar heeft gehandeld. 

4.11    Van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is de voorzitter dan ook niet gebleken. Klachtonderdeel b) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

4.12    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënt voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënt zoals dat ook duidelijk volgt uit haar correspondentie met klaagster. Het sommeren van klaagster was ook niet nodeloos, gezien het standpunt dat klaagster had ingenomen in haar e-mails van 6 maart 2025 en 8 april 2025 aan haar ex-partner. Het staat een advocaat vrij om tijdens het beproeven van een regeling alvast en voor zover nodig rechtsmaatregelen aan te kondigen zoals verweerster dat heeft gedaan. In haar e-mail van 15 juli 2025 heeft verweerster klaagster ook erop gewezen, en dit in latere e-mails herhaald, dat haar cliënt bij een procedure voor zover mogelijk proceskosten op klaagster zal verhalen. Het is aan een rechter voorbehouden om te bepalen of een wederpartij in de proceskosten wordt veroordeeld of dat die kosten eventueel tussen partijen worden gecompenseerd. Tuchtrechtelijk kan verweerster van de door haar gekozen insteek geen verwijt worden gemaakt. 

4.13    Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster met haar handelen niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overtreden. Klachtonderdeel c) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel d)

4.14    Van een onnodig grievende uitlating in tuchtrechtelijke zin (gedragsregel 7) is sprake als bewoordingen in de context van de berichtgeving, bijvoorbeeld, apert onjuist, zeer kwetsend of neerbuigend zijn. Van onnodig grievende uitlatingen kan daarnaast sprake zijn als grievende bewoordingen in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen worden gebruikt. Verweerster betwist dat zij zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten.

4.15    De voorzitter stelt vast dat bovenaan de e-mail van verweerster 15 juli 2025 een feitelijk mededeling stond dat klaagster de aangetekende post niet had afgehaald. Dat klaagster geen aangetekende post heeft ontvangen en geen afhaalmelding van PostNL, kan verweerster niet worden aangerekend. 

4.16    Onder klachtonderdeel b) is al geoordeeld over de termijnstelling en vergissing in de datering door verweerster in haar e-mail van 30 juli 2025. Dat klaagster die datum en het tijdstip als grievend heeft ervaren, maakt dat nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, temeer daar verweerster niet bekend was met de emotioneel lading voor klaagster bij de datum en het genoemde tijdstip op 31 augustus. 

4.17    Verweerster heeft zich naar het oordeel van de voorzitter in haar e-mail van 9 september 2025 op correcte wijze uitgelaten, overigens anders dan klaagster zelf met de door haar gebruikte heftige en lelijke bewoordingen in haar e-mails van 26 en 30 augustus 2025.

4.18    Al met al is verweerster door te handelen zoals zij heeft gedaan binnen de grenzen gebleven van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van haar cliënt. Klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
  


Griffier         Voorzitter
 

Verzonden op : 21 september 2026