ECLI:NL:TADRAMS:2026:204 Raad van Discipline Amsterdam 26-654/A/A 26-655/A/A 26-656/A/A 26-657/A/A 26-658/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:204
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-654/A/A
  • 26-655/A/A
  • 26-656/A/A
  • 26-657/A/A
  • 26-658/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Achttien gelijkluidende klachten over de advocaat van de wederpartij die is verwikkeld in een juridisch conflict met klaagster, over drie kantoorgenoten die hem daarbij hebben geadviseerd en/of anderszins ondersteund en over het advocatenkantoor waar deze vier advocaten aan verbonden zijn. De klachtonderdelen zijn deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.   Ten aanzien van twee klachtonderdelen geldt dat klaagster te laat heeft geklaagd over handelen dan wel nalaten van (één van) verweerders in 2015/2016. Bij zes klachtonderdelen wordt klaagster niet rechtstreeks in haar belang geraakt. In die onderdelen klaagt klaagster over belangenverstrengeling tussen verweerders en hun cliënt, over de wijze van declareren van verweerders aan hun cliënt en over het handelen van (één van) verweerders in een andere procedure met een andere wederpartij. Tien klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond, te weten het verwijt dat op de website van het advocatenkantoor niet is vermeld dat één van verweerders rechter-plaatsvervanger is (geweest), verwijten over de wijze van betekening van een dagvaarding aan klaagster en verwijten over procesrechtelijk handelen en nalaten van (één van) verweerders in de procedure tussen klaagster en de cliënt van verweerders en over de wijze waarop de vordering van hun cliënt in de procedure is onderbouwd.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 21 september 2026
in de zaken 26-654/A/A, 26-655/A/A/A, 26-656/A/A, 26-657/A/A en 26-658/A/A

naar aanleiding van de klachten van:


klaagster
gemachtigde: 

over:

in de zaak met zaaknummer 26-654/A/A
verweerder 1

in de zaak met zaaknummer 26-655/A/A
verweerder 2

in de zaak met zaaknummer 26-656/A/A
verweerder 3

in de zaak met zaaknummer 26-657/A/A
verweerder 4

in de zaak met zaaknummer 26-658/A/A
verweerder 5

alle verweerders: gemachtigde mr. A.E. Goossens

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 28 juli 2026 met kenmerk 2512615/EvR/AS, door de raad ontvangen op 28 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 17 augustus 2026 namens verweerders nagezonden stukken.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerder 2 heeft Staatsloterij B.V. (hierna: SL) bijgestaan in een juridisch conflict met klaagster. Verweerders 1, 3 en 4 hebben verweerder 2 daarbij geadviseerd en/of anderszins ondersteund. Verweerder 5 is het advocatenkantoor waaraan verweerders 1 t/m 4 verbonden zijn. SL exploiteert de Nederlandse Staatsloterij. 
De achtergrond van het juridisch conflict
1.2    Van 2008 tot en met 2015 waren (de rechtsvoorganger van) SL en de (niet in deze klachtprocedure betrokken stichting) Stichting Loterijverlies verwikkeld in een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW (oud). 
1.3    Op 28 mei 2013 heeft het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0587) in een door Stichting Loterijverlies in 2008 aanhangig gemaakte collectieve actie voor recht verklaard dat (de rechtsvoorganger van) SL gedurende de periode 2000 tot en met 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel of niet gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen en dat SL hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. Verder heeft het hof voor recht verklaard dat SL in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. In een arrest van 30 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:178) heeft de Hoge Raad zowel het door SL ingestelde cassatieberoep als het door Stichting Loterijverlies ingestelde incidentele cassatieberoep verworpen.
Een schets van de (deels gezamenlijke) historie van klaagster en Stichting Loterijverlies
1.4    In 2008 is de gemachtigde van klaagster een initiatief gestart om schadevergoeding van SL te verkrijgen vanwege het feit dat SL de winnende loten niet uitsluitend trok uit verkochte loten maar ook uit niet verkochte loten en de prijzen die op de niet verkochte loten viel behield. De gemachtigde van klaagster is zijn initiatief gestart vanuit zijn eenmanszaak Morand Rechtsbijstand, die hij heeft ingebracht in Morand Juridische Bijstand B.V. (hierna Morand BV) opgericht op 26 juni 2008. Morand BV sloot overeenkomsten met deelnemers van SL die zich voor het initiatief hadden aangemeld. De deelnemers betaalden eenmalig een inschrijfgeld van € 25 en zouden, als de procedure succesvol werd afgerond, 15% van het voor hen geïncasseerde geld aan Morand BV moeten betalen. 
1.5    Op 26 juni 2008 heeft Morand BV klaagster opgericht met als doel “het verlenen van juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen”. Morand BV heeft vervolgens de rechten en verplichtingen uit de met de deelnemers gesloten overeenkomsten aan klaagster overgedragen. 
1.6    Op 3 juli 2008 heeft Morand BV Stichting Loterijverlies opgericht. Stichting Loterijverlies heeft als doel het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de belangen van gedupeerden van kansspelen en het verrichten van alle handelingen die daarvoor dienstig kunnen zijn.
1.7    Destijds zag de structuur van het initiatief van de gemachtigde van klaagster er als volgt uit:  
1.8    Op 30 maart 2015 is Breton Limited, een op Guernsey gevestigd trustkantoor bestuurder geworden van klaagster en van Morand BV.  Klaagster en Morand BV hebben zich op 30 maart 2015 eveneens gevestigd op Guernsey. 
1.9    Eind juni 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (ECLI:NL:RBNHO:2016:5331) Breton Ldt geschorst als bestuurder van Stichting Loterijverlies vanwege vermoedens van financieel wanbeheer. Eind januari 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam deze beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar bekrachtigd (ECLI:NL:GHAMS:2017:210). In maart 2017 heeft Betron Ldt ontslag genomen als bestuurder van Stichting Loterijverlies. Op 8 juni 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (ECLI:NL:RBNHO:2017:4695) twee (andere) personen tot bestuurslid van de Stichting Loterijverlies benoemd. 
1.10    In een vonnis van 27 december 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:4857) heeft de rechtbank Overijsel de gemachtigde van klaagster schuldig bevonden aan verduistering van EUR 2,8 miljoen aan inleggelden van de deelnemers aan Stichting Loterijverlies, witwassen, valsheid in geschrifte en belastingfraude. De gemachtigde van klaagster is van deze uitspraak in hoger beroep gegaan. 
De procedures tussen klaagster en SL
1.11    In 2016 is klaagster een procedure tegen SL begonnen waarin klaagster op eigen naam een vordering instelde die er toe moest leiden dat SL aan klaagster zou betalen een bedrag gelijk aan de nominale waarde van de loten die in de relevante periode zijn gekocht door deelnemers die klaagster stelde te vertegenwoordigen, vermeerderd met rente en kosten. In een arrest van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3289) heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat niet kan worden aangenomen dat zij procesbevoegdheid had en omdat zij misbruik maakt van (proces)bevoegdheid. Volgens het hof moest klaagster, die voortdurend benadrukte dat zij het handelen van Stichting Loterijverlies bepaalde en de directie voerde over de acties van Stichting Loterijverlies hebben geweten (i) dat alle in 2016 nog aangesloten deelnemers uitsluitend aan Stichting Loterijverlies een machtiging hadden gegeven om in eigen naam voor deze deelnemers op te treden en (ii) Stichting Loterijverlies voorafgaand aan een collectieve schadevergoedingsactie al een kort geding tegen SL was gestart waarin Stichting Loterijverlies ten behoeve van dezelfde deelnemers een voorschot op de schade vorderde. 
1.12    Op 24 december 2024 heeft SL klaagster doen dagvaarden in een procedure waarin SL  vergoeding vordert van de volledige proceskosten en interne kosten die zij heeft moeten maken in de collectieve schadevergoedingsprocedure (zie 1.11) die klaagster tegen SL had aangespannen. 
1.13    Op 19 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerders. 
1.14    In een vonnis van 8 april 2026 heeft de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:7807) klaagster veroordeeld om aan SL (afgerond) € 600.000 te betalen aan schadevergoeding, vermeerderd met rente en met veroordeling van klaagster in de proceskosten. De rechtbank heeft de door SL in redelijkheid gemaakt advocaatkosten geschat op € 560.000. 

2    KLACHT
2.1    De klacht in alle zaken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerders het volgende. 
a)    Verweerders maken zich schuldig aan belangenverstrengeling. Verweerders hebben de belangen van SL behartigd terwijl verweerder 1 werkzaam was als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Den Haag waar de zaak tussen partijen is behandeld en ook veel andere zaken worden behandeld waarbij klaagster en/of anders spelers die door SL zijn misleid zijn betrokken. Klaagster wist dit eerder niet. Verweerder 1 heeft hierover ten onrechte geen openheid betracht. Op de website van het advocatenkantoor is hierover niets vermeld. 
b)    Verweerders hebben klaagster op 24 december 2024 namens SL doen dagvaarden zonder dat er een redelijke grond was om dat juist op die datum te doen. Het bezorgen van een dagvaarding vlak voor Kerstmis is pure intimidatie. 
c)    Verweerders hebben klaagster zonder enige vooraankondiging (rauwelijks) gedagvaard op 24 december 2024.
d)    Verweerders hebben geen afschrift van de dagvaarding gestuurd aan de advocaat van klaagster, terwijl verweerders wisten dat klaagster door meerdere advocaten werd bijgestaan.
e)    Verweerders hebben de dagvaarding van 24 december 2024 aan klaagster uitgebracht met als enig doel klaagster te schaden. Op 6 januari 2026 stond de behandeling van een andere zaak tussen partijen gepland. Onmiskenbaar heeft SL klaagster snel in een andere zaak gedagvaard op 24 december 2024 omdat zij hoopt dat die zaak eerder wordt behandeld die tot een onterechte uitspraak komt waarmee klaagster onderuit wordt gehaald. 
f)    Verweerders hebben geweigerd uitstel te verlenen voor het dienen van een memorie van grieven door klaagster enkel met de strategie om klaagster kapot te maken.
g)    Verweerders zijn blijven volhouden dat de gemachtigde van klaagster terecht is veroordeeld voor verduistering en andere misdrijven, terwijl verweerders weten dat deze veroordeling onterecht was. In de dagvaarding van 24 december 2024 doen verweerders dit ook. Zij houden daarmee relevante informatie achter voor de rechter. 
h)    Verweerder hebben bij dagvaarding van 24 december 2024 namens SL van klaagster betaling van € 700.000 aan proceskosten (van de eerder procedure) gevorderd. Dit bedrag is buitensporig hoog voor een bevoegdheidsincident en kwalificeert als verduistering en valsheid in geschrifte. De kosten worden schattenderwijs geclaimd, terwijl advocaten gehouden zijn om inzicht in die kosten te verschaffen. Bovendien wordt de rechtbank een onjuist beeld van de waarheid voorgehouden. 
i)    Omdat verweerders zelf ook aansprakelijk zijn gesteld door klaagster hebben zij een eigen belang gekregen bij de afwikkeling van de zaak tegen SL. Zij hebben een persoonlijk omzetbelang alsook belang om van klaagster af te komen als partij die haar aansprakelijk heeft gesteld. Daarmee zijn verweerders onvoldoende onafhankelijk van hun eigen cliënte. 
j)    Verweerders houden achter door wie hun rekeningen worden betaald. De Staat heeft de kosten van de rekeningen van verweerders betaald en niet SL zoals ten onrechte wordt gesuggereerd in de dagvaarding van 24 december 2024.
k)    Verweerders hebben in twee verschillende gerechtelijke procedures volstrekt tegengestelde stellingen ingenomen ter zake van een lastgevingsovereenkomst. 
l)    Verweerders hebben namens SL in een andere procedure met een andere wederpartij geweigerd die zaak aan te houden. Op 5 december 2024 vond een zitting plaats bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak van een derde tegen SL. De advocaat van die derde werd door klaagster betaald. Onderweg naar het gerechtshof leek dat die advocaat wegens een dringende medische noodzaak niet kon verschijnen. Ondanks dit gegeven wilden verweerders de zaak toch laten doorgaan waarbij G. zichzelf dus zou moeten verdedigen tegen een team van advocaten van SL. Klaagster is verbouwereerd over deze gang van zaken. 
m)    SL heeft niet naar waarheid verklaard dat zij stuitingsexploten niet heeft ontvangen, terwijl zij weet dat dit tegen beter weten in is. 
n)    Er is sprake van emotionele intimidatie door verweerders. Zij willen dat het feitelijk bestuur van klaagster, haar gemachtigde, stopt met procederen tegen SL. 
o)    Verweerders hebben meegewerkt aan het optuigen van een rechtszaak door derden tegen de tegenpartij van hun cliënte (klaagster). Dit is jezelf schuldig maken aan activiteiten die je als een betrouwbare advocaat die het recht wil laten spreken nooit zou doen. Deze klacht is ingediend buiten de daarvoor geldende driejaarstermijn, maar het is in dit specifieke geval naar maatschappelijke normen onaanvaardbaar dat er sprake zou zijn van verjaring.
p)    Verweerders hebben de afgelopen jaren tientallen miljoenen gefactureerd aan de Staat, althans aan de Staat gelieerde ondernemingen zoals SL. Daarmee hebben verweerders op onrechtmatige en wederrechtelijke wijze geld onttrokken aan de Staat. In het geval van de zaak tegen klaagster gaat het om een bedrag van ruim € 700.000 voor een bevoegdheidsincident waarin verweerders slechts 115 pagina’s geschreven hebben. Dit is buitensporig en excessief.
q)    Verweerders hebben misbruik gemaakt van het feit dat hun cliënte haar facturen niet goed controleert waardoor excessieve declaraties mogelijk zijn. 
r)    Verweerders hebben klaagster in 2015 en 2016 voorgehouden dat hun cliënte wilde schikken. Echter hebben zij niet te goeder trouw onderhandeld. Het ging om ene bewuste strategie om een redelijk aanbod te doen, waarmee klaagster doelbewust werd misleid. 

3    VERWEER
3.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De voorzitter ziet aanleiding om de klachtonderdelen waar mogelijk gezamenlijk behandelen.  Omdat partijen, net als de deken, de klachtonderdelen met cijfers hebben genummerd, wordt dat cijfer in de onderstreepte tussenkopjes hieronder tussen haakjes vermeld achter de door de raad gehanteerde (letter)nummering.
ontvankelijkheid
4.2    Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten moet, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst worden beoordeeld of klaagster in haar klachten worden ontvangen. 
Klachtonderdelen o (15) en r (18)
4.3    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn (vgl. Hof van Discipline 21 september 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:192) 
Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat deze klachtonderdelen zien op handelen of nalaten van (één van) verweerders in 2015/2016. Toen klaagster de klachten tegen verweerders bij de deken indiende was de termijn van drie jaar al ruimschoots verstreken. Klaagster heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de gevolgen van dit handelen of nalaten van verweerders in 2015/2016 haar binnen de éénjaarstermijn van artikel 46g lid 2 bekend zijn geworden. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is de voorzitter niet gebleken. De voorzitter begrijpt dat klaagster verweerders verwijt dat zij informatie aan een andere wederpartij van klaagster hebben verstrekt. Dat geldt niet als een bijzondere omstandigheid waardoor termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Daarom zal de voorzitter in alle zaken de beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaren.  
Klachtonderdelen (i) i (9) (ii) j (10), p (16) en q (17) en (iii) l (12) en m (13)
4.4    In alle zaken zal de voorzitter deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaren. Als maatstaf geldt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen, niet klaagster. 
    (i) Klachtonderdeel i (9)
De voorzitter begrijpt dat klaagster verweerders verwijt dat zij een belangenconflict hebben met SL zoals bedoeld in gedragsregel 15. Omdat alleen een cliënt kan klagen over belangenverstrengeling door zijn eigen advocaat, heeft klaagster onvoldoende eigen en rechtstreeks belang bij dit klachtonderdeel. 
(ii) Klachtonderdelen j (10), p (16) en q (17) 
4.5    Klachtonderdelen j), p) en q) zien op de vermeende wijze van declareren van verweerders aan SL. Over de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt kan de wederpartij in beginsel niet klagen, dat kan alleen de deken (vgl. Hof van Discipline 13 februari 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:27). Het gaat klaagster dus niet aan wat verweerders aan SL in rekening hebben gebracht. 
(iii) Klachtonderdeel l (12) en m (13)
4.6    Klaagster mist het vereiste eigen tuchtrechtelijke belang om te klagen over het handelen van verweerders in een andere procedure met een andere wederpartij.
(on)gegrondheid van de overige klachten
4.7    Op de overige klachtonderdelen zal de voorzitter inhoudelijk ingaan. In alle zaken zal de voorzitter klachtonderdelen (iv) a, (v) b, c en d, (vi) e, f, h en n, (vii) g en k kennelijk ongegrond verklaren. De voorzitter gaat daarbij uit van de volgende maatstaf. 
4.8    Deze zaken betreffen een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
(iv) Klachtonderdeel a (1)
4.9    De voorzitter begrijpt dat klaagster verweerders verwijt dat op de website van het advocatenkantoor niet is gepubliceerd dat verweerder 1 van 2006 tot en met 2012 rechter-plaatsvervanger was bij de rechtbank Den Haag. 
4.10    Dit verwijt is onterecht. Rechters(-plaatsvervangers) en raadsheren(-plaatsvervangers) moeten openheid te geven over nevenfuncties. De nevenfuncties van rechterlijk-ambtenaren worden op een voor ieder toegankelijke website gepubliceerd. De voorzitter stelt vast dat verweerder 1 in zijn hoedanigheid van rechter-plaatsvervanger die openheid heeft gegeven. Klaagster heeft namelijk een uitdraai overgelegd van het nevenfunctieregister zoals dat op rechtspraak.nl was gepubliceerd, waarin staat wanneer verweerder 1 rechter-plaatsvervanger was en ook dat en waar verweerder 1 advocaat is. Op verweerders rustte niet de plicht om deze informatie anderszins (bijvoorbeeld via de website van het advocatenkantoor) te delen met klaagster. 
4.11    De voorzitter voegt nog toe dat niet is gebleken van enige betrokkenheid van verweerder 1 bij de zaken van klaagster, laat staan beïnvloeding daarvan door verweerders als gevolg van de inschrijving van verweerder 1 als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Den Haag.  In een vonnis in een onbevoegdheidsincident van 17 september 2025 (in de door SL tegen klaagster aangespannen procedure waarin SL schadevergoeding vordert) heeft de rechtbank overwogen dat verweerder 1 wel geruime tijd rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank was, maar nimmer door de rechtbank als rechter-plaatsvervanger is ingezet en hij ook geen toegang had tot de systemen van de rechtbank. 
(v) Klachtonderdelen b (2), c (3) en d (4) over de wijze van betekening van de dagvaarding
-    Klachtonderdeel b
4.12    Het feit dat verweerder op verzoek van SL de deurwaarder heeft geïnstrueerd om de dagvaarding de dag vóór kerst aan klaagster te laten betekenen, is ongelukkig maar niet klachtwaardig. De datum van 24 december 2024 was geen explootvrije dag als bedoeld in artikel 3 van de Algemene termijnenwet. Deurwaarders konden op die dag dus gewoon hun ambtshandelingen verrichten tussen 07.00 en 20.00 uur (artikel 64 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 
-    Klachtonderdeel c
4.13    Gedragsregel 6 lid 2 bepaalt, voor zover hier relevant, dat een advocaat is gehouden om, alvorens hij overgaat tot het nemen van rechtsmaatregelen zijn wederpartij of, zo deze wordt bijgestaan door een advocaat, die advocaat van zijn voornemen kennis te geven. Deze gedragsregel dient het belang dat geen onnodige gedingen worden gevoerd en ook dat – als een geding onvermijdelijk is – de wederpartij in staat moet worden gesteld om zich in rechte naar behoren te verdedigen. 
4.14    Verweerders hebben klaagster niet vooraf geïnformeerd over het uitbrengen van de dagvaarding. Het kan evenwel voor klaagster niet als een verrassing zijn gekomen dat zij door SL werd gedagvaard. De dagvaarding is een uitvloeisel van een eerder tussen klaagster en SL gevoerde procedure waarin het gerecht Den Haag op 8 oktober 2019 heeft geoordeeld dat klaagster misbruik heeft gemaakt van procesrecht en verweerder 2 namens SL de verjaring van de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsvorderingen heeft gestuit in een aan klaagster betekende brief van 8 juli 2021. Uit het verdere verloop van de procedure blijkt ook dat overleg vooraf geen enkele zin zou hebben gehad. Klachtonderdeel c) is daarom kennelijk ongegrond. 
-    Klachtonderdeel d
4.15    Uit een uitspraak van het Hof van Discipline van 11 februari 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:46) blijkt dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. 
4.16    Tegen klachtonderdeel d) hebben verweerders ingebracht dat hun ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding niet duidelijk was wie op dat moment voor klaagster optrad. In hun verweer in de procedure bij de deken hebben verweerders aangevoerd dat dit komt omdat klaagster veel verschillende advocaten heeft gehad. Dat alles heeft klaagster niet betwist in haar repliek in de procedure bij de deken. De voorzitter maakt daaruit op dat verweerders niet konden weten of klaagster op dat moment een advocaat had, en zo ja wie. Verweerders hoefden niet een eerdere advocaat van klaagster te benaderen met de vraag of die nog voor klaagster optrad. Klachtonderdeel d) is daarom kennelijk ongegrond. 
(vi) Klachtonderdelen e (5), f (6), h (8) en n (14)
4.17    Deze klachtonderdelen raken het juridisch debat en de procedure tussen klaagster en SL waarin SL vergoeding vordert (onder meer) van de volledige proceskosten die zij heeft moeten maken in de collectieve schadevergoedingsprocedure (zie 1.11) die klaagster tegen SL had aangespannen.
4.18    Bij de beoordeling van deze klachtonderdelen geldt bovenal dat verweerders namens SL proceshandelingen mochten verrichten en standpunten mochten innemen waar klaagster het niet mee eens is. Verder is het aan klaagster om een begin van een onderbouwing te geven van de verwijten die zij verweerders maakt. Die onderbouwing ontbreekt bij deze klachtonderdelen. Dat wordt hierna bij de afzonderlijke klachtonderdelen uitgelegd. 
-    Klachtonderdeel e
4.19    Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verweerders met het uitbrengen van de dagvaarding van 24 december 2024 de belangen van klaagster onnodig of op een ontoelaatbare wijze hebben beschadigd omdat in een andere procedure de mondelinge behandeling op 6 januari 2026 stond gepland. 
-    Klachtonderdeel f
4.20    Een advocaat is in beginsel niet verplicht om mee te werken aan een uitstelverzoek van de wederpartij. Een advocaat is partijdig en behartigt in principe alleen de belangen van zijn eigen cliënt. Verweerder 2 handelde dus in beginsel, bijzondere door klaagster niet gestelde feiten en/of omstandigheden uitgezonderd, niet klachtwaardig toen hij niet instemde met een door de advocaat van klaagster gevraagd uitstel voor het indienen van een memorie van grieven. 
-    Klachtonderdeel h
4.21    Niet valt in te zien hoe de schadevergoedingsvordering van SL kan kwalificeren als verduistering en/of valsheid in geschrifte door verweerders. Klaagster heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat verweerders onjuiste informatie hebben verschaft. Dat volgt niet uit de omstandigheid dat de rechtbank de vordering aan gemaakte advocaatkosten niet volledig (maar wel grotendeels) heeft toegewezen. 
-    Klachtonderdeel n
4.22    Tot slot valt niet in te zien dat verweerders zich schuldig hebben gemaakt aan emotionele intimidatie van (de gemachtigde van) klaagster. Dat klaagster procedures heeft verloren van SL die door verweerders wordt bijgestaan, levert geen grond op voor het aan verweerders gemaakte verwijt van emotionele intimidatie. 
(vii) Klachtonderdelen g (7) en k (11) over de onderbouwing van de vordering van SL
4.23    Vaststaat dat de rechtbank Overijssel in een vonnis van 27 december 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:4857) de gemachtigde van klaagster schuldig heeft bevonden aan verduistering van EUR 2,8 miljoen aan inleggelden van de deelnemers aan Stichting Loterijverlies, witwassen, valsheid in geschrifte en belastingfraude. SL maakt daarvan melding in de dagvaarding van 24 december 2024. Niet valt in te zien hoe deze informatie onjuist kan zijn. Het opnemen van deze informatie is evenmin onnodig grievend jegens klaagster. 
4.24    In de dagvaarding van 24 december 2024 heeft verweerder 2 namens SL opgenomen dat het hof in zijn arrest van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3289) heeft geoordeeld geen sprake was van een last aan klaagster om namens de deelnemers rechtshandelingen te verrichten en de daarbij behorende motivering van het hof vermeld. Van het verschaffen van onjuiste informatie is geen sprake. Ook hier geldt dat verweerders namens SL standpunten mochten innemen waar klaagster en/of het hof het niet mee eens is.
4.25    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter:
-    de klachtonderdelen o) en r) met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren 
-    de klachtonderdelen i), j), l), m), p), en q met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. 
-    de klachtonderdelen a), b), c), d) e), f) g), h), k) en n) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klachtonderdelen o) en r) met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk;
-de klachtonderdelen i), j), l), m), p), en q met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk; 
- de klachtonderdelen a), b), c), d) e), f) g), h), k) en n) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026