ECLI:NL:TAHVD:2026:311 Hof van Discipline 's Gravenhage 250464
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:311 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 30-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250464 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft een klacht ingediend over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Net als de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is het hof van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de boedelscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot. Ook had verweerder zonder toestemming van klaagster zijn correspondentie aan klaagster niet in cc mogen sturen aan een bekende van klaagster (hierna: “L”). Verweerder had bovendien klaagster moeten informeren over de relatie die hij met L kreeg omdat zij de moeder is van de ex-echtgenoot van klaagster en verweerder L ook bijstond in een geschil met haar zoon, de ex-echtgenoot van klaagster (hierna “A”). De onzorgvuldige handelwijze van verweerder is niet overeenkomstig de professionele standaard die voor een betamelijk handelend advocaat geldt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de maatregel. In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden. |
Beslissing van 28 september 2026
in de zaak 250464
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klaagster
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Net als de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is het hof van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de boedelscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot. Ook had verweerder zonder toestemming van klaagster zijn correspondentie aan klaagster niet in cc mogen sturen aan een bekende van klaagster (hierna: “L”). Verweerder had bovendien klaagster moeten informeren over de relatie die hij met L kreeg omdat zij de moeder is van de ex-echtgenoot van klaagster en verweerder L ook bijstond in een geschil met haar zoon, de ex-echtgenoot van klaagster (hierna “A”). De onzorgvuldige handelwijze van verweerder is niet overeenkomstig de professionele standaard die voor een betamelijk handelend advocaat geldt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de maatregel. In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-301/AL/OV) een beslissing genomen op 1 december 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:261 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift met bijlagen van verweerder tegen de beslissing is op 30 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster
- aanvullende stukken van klaagster.
Tegelijk met het indienen van de aanvullende stukken heeft klaagster een brief meegestuurd
waarin zij nader ingaat op de klacht over verweerder en het door verweerder ingestelde
beroep. Het hof voegt deze brief niet toe aan het dossier. Op grond van de artikelen
4.4 en 4.5 procesreglement van het hof mocht klaagster uitsluitend aanvullende stukken
indienen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
6 juli 2026. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunten
toegelicht, verweerder aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken
van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klaagster is vanaf 2019 verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met A. Verweerder heeft klaagster in deze zaak als advocaat in de boedelscheidingsprocedure bijgestaan vanaf 2 juni 2022. Op 11 juni 2022 heeft verweerder aan klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. Verweerster heeft diezelfde dag aan verweerder gemaild dat zij akkoord is met de voorwaarden en dat zij deze een volgende keer op het kantoor van verweerder zal tekenen.
3.3 Verweerder heeft op enig moment tijdens zijn dienstverlening aan klaagster een relatie gekregen met L, haar (voormalig) schoonmoeder. Verweerder heeft vanaf mei 2022 ook als advocaat van L opgetreden in een geschil dat zij had met A.
3.4 Op 1 februari 2024 heeft klaagster aan verweerder een e-mail gestuurd waarin
zij schrijft:
[verweerder], betreffende [L] daar waar u al langdurig mee samen leeft..oftewel
een relatie mee heeft, ik heb nooit toestemming gegeven om mijn ex schoonmoeder op
de hoogte te houden betreffende mijn echtscheiding tegen haar zoon. het kontakt met
[L] is voor mij al lang geleden een afgesloten hoofdstuk.
(…)
3.5 Verweerder heeft dit bericht diezelfde dag om 10.46 uur naar [L] doorgestuurd:
‘[L],
Door [klaagster] ben ik teruggefloten. Zie mail hieronder.
(…)’
Klaagster is niet in cc opgenomen in dit bericht.
3.6 In de boedelscheidingsprocedure twistten partijen onder andere over de waarde van de bedrijven van A. Verweerder heeft ten behoeve van klaagster drs. B als deskundige gevraagd om in het kader van de waardering te adviseren.
3.7 Op 1 juni 2024 heeft verweerder het concept rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige ter beoordeling toegestuurd aan drs. B en daarna ook naar klaagster waarbij hij klaagster laat weten dat hij het concept rapport ook naar drs. B heeft gestuurd en hem om een reactie heeft gevraagd.
3.8 Op 11 november 2024 stuurt verweerder de door hem opgestelde concept akte voor de rechtbank in een e-mail aan klaagster:
‘(…)
Hieronder gaat mijn e-mail aan drs. B en als bijlage mijn concept akte die ik wil indienen op de rechtbank. U heeft al twee keer een concept ontvangen van mij maar een reactie bleef tot op heden uit van u.
(…)’
3.9 Op 21 november 2024 21.25 uur schrijft verweerder in een e-mailbericht aan klaagster:
‘(…)
Hierbij gaat mijn brief aan de griffier met de akte én het verslag van de door ons ingeschakelde deskundige drs. B. Ik neem aan u dat u zich hierin kunt vinden.
(…)’.
3.10 Op 15 juli 2024 heeft A een klacht over verweerder ingediend, onder meer over belangenverstrengeling vanwege de relatie tussen verweerder en zijn moeder (L).
3.11 Verweerder heeft op 29 november 2024 klaagster geïnformeerd over de klacht die A over hem heeft ingediend. Daarbij geeft verweerder aan klaagster aan hoe zij een andere advocaat kan vinden.
3.12 Op 24 januari 2025 mailt klaagster aan verweerder:
‘(…)
Waarom mr. B laten berekenen en vervolgens niet meesturen? Snap uw logica niet helemaal. maar ik wil graag mij nu op zitting concentreren en niets anders (…). ik wil nu de zitting datum weten. (…).’
3.13 Op 2 februari 2025 reageert verweerder op deze e-mail van klaagster:
‘Geachte mevrouw,
Uw mail is mij duidelijk. Alle stukken zijn aan u gestuurd (…). Daarna zal – naar
verwachting – de rechtbank uitspraak gaan doen.
(…)’
3.14 Op 11 februari 2025 mailt verweerder aan klaagster:
‘(…).
Er is nog geen zittingsdatum bekend en ook geen datum vonnis.
(…)’
3.15 Op 17 juli 2025 heeft verweerder de rechtbank verzocht om bij vervroeging te beslissen in de boedelverdelingsprocedure.
3.16 Op 1 september 2025 heeft verweerder het bij vervroeging door de rechtbank uitgesproken vonnis van 28 augustus 2025 aan klaagster per e-mail toegestuurd en daarbij een toelichting gegeven.
3.17 Op 1 december 2024 heeft klaagster onderhavige klacht ingediend over verweerder.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klaagster niet goed op de hoogte te houden.
Toelichting
Klaagster heeft verweerder bij herhaling tevergeefs verzocht om duidelijkheid en om haar op de hoogte te houden van de gang van zaken. Voorbeelden van de gebrekkige communicatie van verweerder zijn dat hij klaagster het deskundigenrapport niet heeft willen toezenden en dat hij niet aan klaagster kenbaar heeft gemaakt wanneer de zitting zou zijn.
b) belangenverstrengeling te laten bestaan, doordat verweerder een relatie heeft met de moeder van haar ex-partner. Klaagster is van deze relatie rond augustus 2023 op de hoogte geraakt.
(…)
(…)
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel a) onvoldoende geïnformeerd
5.1 De raad heeft geoordeeld dat in een omvangrijke en complexe zaak als deze het voldoende aannemelijk is dat er voldoende ontwikkelingen zijn geweest waarover klaagster geïnformeerd diende te worden. Ingevolge gedragsregel 16 moeten belangrijke informatie en afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De raad heeft geconstateerd dat verweerder zijn betwisting van het verwijt van klaagster dat hij haar onvoldoende op de hoogte heeft gehouden met geen enkel stuk heeft onderbouwd. Zo heeft hij geen (niet-ondertekende) opdrachtbevestiging, geen e-mails en geen afdrukken van appberichten overgelegd. Dit had wel op zijn weg gelegen. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat hij vanwege ziekte geen tijd had gehad om bij de deken verweer, inclusief stukken, in te dienen en dat hij dacht dat hij na inzending van het dossier door de deken geen stukken meer mocht indienen. Hij kan hierin niet worden gevolgd, aangezien er tijdens de klachtprocedure van de raad verschillende momenten zijn, tot en met de zitting, waarop partijen nog kunnen vragen om bepaalde stukken toe te voegen aan het dossier. Nu elke onderbouwing van zijn verweer ontbreekt, is het voor de raad als onvoldoende weersproken komen vast te staan dat verweerder klaagster gedurende de procedure niet voldoende op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen in haar zaak. Klachtonderdeel a) is om die reden gegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) belangenverstrengeling
5.2 De raad heeft vooropgesteld dat één van de in artikel 10a Advocatenwet geformuleerde kernwaarden de onafhankelijkheid van de advocaat is ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt. Ingevolge gedragsregel 2 lid 1 dient de advocaat te vermijden dat zijn vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zouden kunnen komen. Een belangenverstrengeling, door financiële of persoonlijke relaties, kan de gewenste onafhankelijkheid in gevaar brengen en kan maken dat de advocaat mede tot partij wordt. Of een advocaat vrij staat om in een voorkomend geval als advocaat op te treden hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.3 Verweerder heeft op de zitting bevestigd dat hij tijdens de behandeling van de zaak van klaagster een relatie heeft gekregen met L, de moeder van A. Daarmee is volgens de raad sprake van een nauwe persoonlijke band, zoals bedoeld in gedragsregel 2 lid 1, met de moeder van de wederpartij van zijn cliënte. De raad heeft geoordeeld dat deze onderlinge relaties verweerder in een situatie konden brengen waarin hij de belangen van klaagster niet in alle onafhankelijkheid meer zou kunnen behartigen. Het feit dat L een procedure is gestart tegen haar zoon, zoals verweerder tijdens de zitting heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Het ontstaan van de relatie had voor verweerder aanleiding moeten zijn om zich terug te trekken of dit in ieder geval uitdrukkelijk met zijn cliënte te bespreken. De raad is niet gebleken dat klaagster ermee heeft ingestemd dat verweerder haar belangen zou blijven behartigen na het ontstaan van de relatie. Pas nadat A onder meer hierover een klacht had ingediend tegen verweerder, heeft hij klaagster laten weten de zaak niet te willen voortzetten. Aangezien sprake was van een klachtwaardige belangenverstrengeling, is klachtonderdeel b) gegrond verklaard door de raad.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Het hoger beroep van verweerder is gericht tegen de gegrond verklaarde klachtonderdelen en de opgelegde maatregel. Verweerder heeft de navolgende beroepsgronden aangevoerd.
Beroepsgrond 1 (klachtonderdeel a)
6.2 Verweerder stelt dat hij klaagster gedurende de gehele procedure op verschillende
manieren en op meerdere momenten op de hoogte heeft gehouden van de voortgang en de
inhoud van de procedure, zowel schriftelijk als mondeling, waaronder e-mail, telefonisch
en via WhatsApp-berichten. Ook de (concept)processtukken zijn volgens verweerder aan
klaagster toegezonden. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn beroep bewijsstukken
overgelegd. Dat de einduitspraak in de boedelverdelingsprocedure anders is uitgevallen
dan verwacht, betekent volgens verweerder niet dat hij klaagster onvoldoende zou hebben
geïnformeerd.
Beroepsgrond 2 (klachtonderdeel b)
6.3 Verweerder erkent dat het zorgvuldiger was geweest als hij zijn relatie met
L met klaagster zou hebben besproken. Verweerder verkeerde echter in de veronderstelling
dat klaagster op de hoogte was van deze relatie en klaagster heeft er tijdens de procedure
geen bezwaar tegen gemaakt dat verweerder als advocaat van L optrad, maar daar juist
uitdrukkelijk mee ingestemd. Volgens verweerder is geen sprake van een daadwerkelijke
belangenverstrengeling omdat L ook een procedure had aangespannen tegen A.
Beroepsgrond 3 (de maatregel)
6.4 Primair voert verweerder aan dat de klachtonderdelen a) en b) alsnog ongegrond
zouden moeten worden verklaard. Onder verwijzing naar jurisprudentie voert verweerder
subsidiair aan dat in het geval het hof een maatregel zou opleggen, kan worden volstaan
met de oplegging van een waarschuwing. Verweerder acht de opgelegde maatregel van
berisping disproportioneel.
Verweer klaagster
6.5 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit regel 16 van de gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
7.3 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.
Overwegingen hof
Ten aanzien van klachtonderdeel a)
7.4 Verweerder heeft in beroep een enorme hoeveelheid aan stukken overgelegd (zonder duidelijke leeswijzer) ter onderbouwing van zijn beroepsgrond dat hij klaagster via e-mail en WhatsApp op de hoogte heeft gehouden van het verloop van de boedelscheidingsprocedure. Verweerder miskent dat het doorsturen aan klaagster van (proces)stukken en correspondentie aan/van de advocaat van A niet gelijkstaat met het informeren van zijn cliënt, een verplichting die voortvloeit uit de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 16. Verweerder heeft niets schriftelijk vastgelegd over wat hij heeft besproken met klaagster (adviezen, processtrategie, kansen, risico’s en kosten). Het hof begrijpt dat klaagster daardoor de communicatie met verweerder als gebrekkig heeft ervaren. Verweerder had klaagster uitleg moeten geven over de te nemen (vervolg)stappen in de boedelverdelingsprocedure, ook omdat deze procedure vanwege de waardering van de onderneming van de A complex was. Verder had verweerder een voor klaagster begrijpelijke toelichting moeten geven over de inhoud van (proces)stukken en correspondentie, zeker ook omdat Nederlands voor klaagster niet haar eerste taal is.
7.5 Uit de door verweerder overgelegde correspondentie met klaagster blijkt dat verweerder met regelmaat zijn e-mailberichten aan klaagster in cc verstuurde naar L. Volgens verweerder was dit afgesproken wat klaagster betwist. In haar e-mailbericht van 1 februari 2024 laat klaagster aan verweerder weten dat zij nooit toestemming heeft gegeven om L op de hoogte te houden over de ontwikkelingen in klaagsters boedelscheiding. Verweerder heeft ook hierover niets schriftelijk vastgelegd, wat verweerder wel had moeten doen (gedragsregel 16). Ook heeft verweerder door het ontbreken van de toestemming van klaagster in strijd gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid (artikel 10a lid 1 onder e Advocatenwet).
7.6 Door gebrekkige communicatie vanuit verweerder zijn misverstanden ontstaan
over een zittingsdatum en het rapport van drs. B. Dit blijkt uit de e-mails die tussen
verweerder en klaagster zijn gewisseld en waaruit in overwegingen 3.12 tot en met
3.14 is geciteerd.
De behoefte van zijn cliënte aan een zitting moet voor verweerder kenbaar zijn geweest.
Verweerder is daarover echter niet duidelijk geweest, getuige de terugkerende vraag
hierover van klaagster. Verweerder had dit begrijpelijker aan klaagster behoren uit
te leggen.
7.7 Uit overweging 3.9 van deze beslissing volgt dat verweerder op 21 november 2024 het deskundigenrapport van drs. B heeft gemaild aan klaagster. Het verwijt van klaagster dat verweerder dat niet zou hebben gedaan is derhalve niet juist. Echter, voor klaagster is blijkbaar niet duidelijk geweest dat wat verweerder haar toestuurde het rapport van drs. B was. Dit onderstreept voor het hof de gebrekkige communicatie vanuit verweerder en maakt de handelwijze van verweerder ook op dit punt onzorgvuldig (gedragsregel 12).
7.8 Het hof merkt aanvullend het volgende op. Verweerder heeft op meerdere momenten in zijn rechtsbijstand ten behoeve van klaagster nagelaten om haar duidelijk te informeren en het besprokene schriftelijk vast te leggen. Verweerder heeft met het oog op de rechtspositie van klaagster drs. B ingeschakeld en ook een andere adviseur geraadpleegd onder toezending van stukken uit het dossier van klaagster. Verweerder heeft niet vastgelegd dat hij dit van tevoren met klaagster heeft besproken, dat zij daarvoor akkoord heeft gegeven en dat verweerder een inschatting van de kosten van deze deskundigen heeft gegeven. Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat het voor klaagster ook niet duidelijk is geweest dat verweerder niet voor haar zou werken op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder heeft dat ook niet in zijn opdrachtbevestiging opgenomen. Het hof is van oordeel dat verweerder in de zaak van klaagster teveel zonder voorafgaand overleg met en instemming van klaagster heeft gehandeld.
Ten aanzien van klachtonderdeel b)
7.9 Verweerder heeft ter zitting bij het hof verklaard dat hij klaagster heeft geïnformeerd over zijn relatie met L. Uit de door verweerder in beroep overgelegde stukken leidt het hof af dat verweerder in de periode waarin hij de advocaat was van klaagster ook als advocaat van L heeft opgetreden in een geschil met A.
7.10 Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van belangenverstrengeling in de zin van gedragsregel 15: klaagster was niet betrokken als (tegen)partij in de procedure van L en andersom was L geen (tegen)partij in de procedure van klaagster. In beide procedures is echter wel sprake van dezelfde tegenpartij namelijk A. Dit gegeven had voor verweerder een klip en klare reden moeten zijn om klaagster te informeren over zijn relatie met L. Hoewel verweerder aanvoert dat te hebben gedaan, heeft het hof dat niet kunnen vaststellen. Klaagster betwist dit en verweerder heeft (ook) dit niet schriftelijk vastgelegd.
7.11 Klaagster heeft op 1 februari 2024 verweerder geïnformeerd dat zij wist van zijn relatie met L. In datzelfde bericht laat klaagster weten dat zij geen contact meer heeft met L en dat klaagster niet wil dat verweerder L op de hoogte houdt van de echtscheiding van klaagster. Dat had verweerder ervan moeten doordringen dat hij (alsnog) met klaagster over de ontstane situatie in gesprek moest gaan. In plaats daarvan heeft verweerder L verwittigd over de ontstane situatie tussen hem en klaagster terwijl klaagster in dat bericht juist liet weten dat zij voor geen toestemming heeft gegeven voor het informeren van L. In overweging 7.5 heeft het hof vastgesteld dat verweerder in strijd met de kernwaarde vertrouwelijkheid heeft gehandeld door – zonder instemming van klaagster – L in de cc van zijn berichten aan klaagster op te nemen. Dat verweerder desondanks en ondanks de uitdrukkelijke mededeling van klaagster op 1 februari 2024 dat zij niet wil dat hij L informeert, datzelfde bericht aan L doorstuurt, rekent het hof verweerder zwaar aan. Daarmee heeft verweerder welbewust in strijd gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid.
7.12 Het hof acht het ook tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder niet met klaagster heeft besproken dat hij L ook bijstond in een geschil met A. Dit geldt te meer omdat de procedure tussen L en A een conflict betrof dat ook raakte aan de boedelscheidingsprocedure tussen klaagster en A. Dat, zoals verweerder stelt, klaagster van de afloop van de procedure tussen L en A geen nadeel heeft ondervonden – wat daar verder ook van zij – doet volgens het hof niets af aan de zorgvuldigheid die verweerder jegens klaagster in acht hoorde te nemen en de op verweerder rustende informatieplicht (gedragsregels 12 en 16). Verweerder heeft hiermee ook in strijd gehandeld met de kernwaarden integriteit van onafhankelijkheid omdat hij door zijn relatie met L en het voeren van de procedure voor L een persoonlijk belang kreeg bij de uitkomst van die procedure.
Slotsom
7.13 Verweerder heeft nagelaten te handelen zoals een zorgvuldig en bekwaam handelend advocaat betaamt. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarden vertrouwelijkheid, integriteit en onafhankelijkheid (artikel 10a Advocatenwet). Ook heeft verweerder de ratio en strekking van de gedragsregels 12 en 16 (zorgvuldigheid en informatieplicht) miskend. Dit betekent dat het beroep van verweerder tegen de gegrondverklaring door de raad van de klachtonderdelen a) en b) geen doel treft. Het hof zal de beslissing van de raad in zoverre bekrachtigen.
8 MAATREGEL
8.1 Verweerder heeft ook beroep ingesteld tegen de door de raad opgelegde maatregel van berisping. Verweerder vindt deze disproportioneel. Dit beroep slaagt niet om de volgende redenen. Het hof is verder van oordeel dat aan verweerder een zwaardere maatregel moet worden opgelegd dan de raad heeft uitgesproken.
8.2 Verweerder heeft in beroep erkend dat het zorgvuldiger was geweest om zijn relatie met L met klaagster te bespreken. Zowel in de procedure bij de raad als in beroep heeft verweerder er echter geen blijk van gegeven dat hij de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van zijn handelwijze inziet. Verweerder blijft de mening toegedaan – ook na daartoe te zijn bevraagd door het hof – dat hij niet klachtwaardig heeft gehandeld. Het hof vindt dit gebrek aan reflectie van verweerder op zijn eigen handelen laakbaar. Het door verweerder overgelegde dossier laat een patroon zien van eigenmachtig handelen van verweerder zonder overleg met en instemming van klaagster.
8.3 Het is het hof verder ambtshalve bekend dat verweerder ook in een andere procedure de op hem rustende informatieplicht (gedragsregel 16) heeft miskend en in strijd heeft gehandeld met artikel 10a Advocatenwet (kernwaarden advocatuur). Gelet hierop alsook op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder en zijn hierboven bedoelde houding ter zitting kan niet worden volstaan met het opleggen van een berisping. Het hof acht, al het voorgaande in aanmerking nemende, een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden. Het hof zal in zoverre de beslissing van de raad vernietigen. Het hof is ambtshalve bekend dat in de klachtprocedure met zaaknummer 250463 ook een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken aan verweerder is opgelegd. De schorsing in deze procedure zal ingaan na afloop van de schorsing in de procedure met zaaknummer 250463.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof aan verweerder een maatregel oplegt, zal het hof verweerder
op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor
de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline
2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,-- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 1 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-301/AL/OV, voor zover daarin de maatregel van een berisping aan verweerder is opgelegd;
en doet opnieuw recht:
10.2 legt aan verweerder de maatregel op van een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken;
10.3 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat na afloop van
de schorsing in de klachtprocedure met zaaknummer 250463;
en met dien verstande dat:
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder
niet op het tableau staat ingeschreven;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 1 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-301/AL/OV, voor het overige en voor zover in beroep aan het oordeel van het hof is voorgelegd;
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van
€ 50,-- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend
voorzitter, mrs. M.F. Baaij, D. Wachter, A. Groenewoud en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid
van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september
2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 september 2026.