ECLI:NL:TADRSHE:2026:110 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-635/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:110
Datum uitspraak: 22-09-2026
Datum publicatie: 22-09-2026
Zaaknummer(s): 26-635/DB/LI
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een erfrechtkwestie deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 22 september 2026

in de zaak 26-635/DB/LI


naar aanleiding van de klacht van:

klagers


over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 21 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) met kenmerk K26-001, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 en van de nagekomen e-mail met bijlage van klagers van 22 juli 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager sub 1 en klaagster sub 2 zijn echtgenoten.

1.2 Klaagster sub 2 heeft een geschil (gehad) met haar zus, mevrouw B, over de afwikkeling van de nalatenschap van hun op 24 maart 2024 overleden vader. De onderhavige klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster als advocaat van B.

1.3 Op 18 november 2025 heeft verweerster namens haar cliënte aan klaagster sub 2 een brief gestuurd. In deze brief heeft verweerster de feiten uiteengezet, heeft zij een opsomming gemaakt van de stand van zaken van de afwikkeling van de nalatenschap, heeft zij een voorlopige boedelbeschrijving gedeeld en heeft zij verzocht om rekening en verantwoording af te leggen. Ook heeft verweerster in deze brief aan klaagster verzocht om informatie en stukken aan te leveren, omdat inzicht in de administratie voor verweersters cliënte noodzakelijk was om de omvang en samenstelling van de nalatenschap te kunnen beoordelen. Verweerster heeft klaagster sub 2 verzocht om binnen 21 dagen aan het verzoek te voldoen, bij gebreke waarvan een gerechtelijke procedure aanhangig zou worden gemaakt.

1.4 Klaagster sub 2 heeft bij brief van 9 december 2025 gereageerd en haar ongenoegen over de inhoud van verweersters brief aan verweerster kenbaar genaakt.

1.5 Bij brief van 23 december 2025 heeft verweerster het informatieverzoek en de daaraan ten grondslag liggende redenen herhaald. Verweerster heeft klaagster sub 2 verzocht om binnen 14 dagen aan het verzoek te voldoen, bij gebreke waarvan een gerechtelijke procedure aanhangig zou worden gemaakt. Verweerster heeft tot slot aan klaagster sub 2 kenbaar gemaakt dat haar cliënte, zodra de noodzakelijke stukken en informatie waren gedeeld, bereid was om met klaagster in gesprek te gaan, onder meer om zaken uit te spreken.

1.6 Bij brief van 27 december 2025 heeft klaagster sub 2 een conceptklacht aan verweerster toegestuurd, met het verzoek om hier uiterlijk 2 januari 2026 op te reageren. Verweerster heeft bij brief van 6 januari 2026 aan klaagster bericht dat zich niet in het door klaagster geschetste beeld herkent en dat zij de klacht betwist.

1.7 Op 6 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend.

1.8 Klaagster heeft bij brief van 6 januari 2026 gereageerd op verweersters brief van 23 december 2025. Verweerster heeft hierop bij brief van 5 februari 2026 gereageerd en het informatieverzoek herhaald.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende:

Verweerster heeft klaagster sub 2 op onnodig grievende en intimiderende wijze aangeschreven met een informatieverzoek, dat een legitiem doel ontbeert, voor klaagster een disproportionele administratieve belasting vormt en niet de-escalerend werkt. De handelwijze van verweerster geeft blijk van een gebrek aan zorgvuldigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit en roept de vraag op of het informatieverzoek voldoende was gericht op behartiging van een gerechtvaardigd cliëntbelang en niet (mede) werd ingegeven door de wens om declarabele uren te genereren. Verweerster heeft feiten geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende, dan wel behoorde te kennen.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Ontvankelijkheid

Klager sub 1 heeft zowel op het webformulier als in de begeleidende klachtbrief aangegeven dat hij de klacht mede namens klaagster sub 2 indient. Voor zover klager sub 1 de klacht namens zichzelf heeft ingediend overweegt de voorzitter als volgt. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Omdat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat klager sub 1 door het verweten handelen van verweerster direct in zijn belang is of kon worden getroffen, kan klager sub 1 niet in de klacht worden ontvangen.

4.2 In de klachtbrief wordt de vraag opgeworpen of het informatieverzoek voldoende was gericht op behartiging van een gerechtvaardigd cliëntbelang en niet (mede) werd ingegeven door de wens om declarabele uren te genereren. Die vraag heeft betrekking op de kwaliteit van de door verweerster aan haar cliënte verleende rechtsbijstand. Daarover kan klaagster sub 2 echter niet klagen. Niet is gebleken dat klaagster sub 2 door het vermeend tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster, inhoudende dat zij zich (mogelijk) (mede) zou hebben laten leiden door haar eigen belang (of dat van haar kantoor), rechtstreeks in haar belang is of kon worden getroffen. Voor zover de klacht ziet op het verwijt dat het informatieverzoek (mogelijk) (mede) werd ingegeven door de wens om declarabele uren te genereren, kan klaagster sub 2 op grond van het voorgaande niet in de klacht worden ontvangen.

4.3 Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.4 De klacht is kennelijk ongegrond

Klaagster sub 2 verwijt verweerster dat zij haar op onnodig grievende en intimiderende wijze heeft aangeschreven met een informatieverzoek, dat een legitiem doel ontbeert, voor klaagster een disproportionele administratieve belasting vormt en niet de-escalerend werkt. Volgens klaagster sub 2 geeft de handelwijze van verweerster blijk van een gebrek aan zorgvuldigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit en heeft verweerster feiten geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende, dan wel behoorde te kennen. Verweerster heeft de klacht  uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken.

4.5 Naar het oordeel van de voorzitter kan verweerster noch van de inhoud, noch van de toonzetting van de gewraakte correspondentie een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerster vrij om klaagster sub 2 aan te schrijven op een wijze die haar, met het oog op de door haar te behartigen belangen, juist voor kwam. De voorzitter is van oordeel dat verweerster genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom zij het nodig vond om het door haar geformuleerde informatieverzoek aan klaagster sub 2 over te brengen en dit verzoek (ook nadat klaagster daarop had gereageerd) te handhaven. De voorzitter is van oordeel dat klaagster noch door de omvang van het informatieverzoek, noch door de door verweerster gestelde termijnen, onnodig of op een ontoelaatbare manier in haar beklagen is geschaad. Verweersters brieven waren bovendien gesteld in zakelijke en professionele bewoordingen, zodat de inhoud en toonzetting van verweersters brieven naar het oordeel van de voorzitter geenszins intimiderend, onnodig grievend of anderszins ontoelaatbaar waren. Het feit dat verweerster klaagster heeft voorgehouden dat het niet voldoen aan het informatieverzoek een gerechtelijke procedure tot gevolg zou (kunnen) hebben, maakt dit niet anders. Op een advocaat rust juist de verplichting om een wederpartij ter voorkoming van een gerechtelijke procedure in de gelegenheid te stellen om in der minne aan zijn verplichtingen te voldoen. Verweerster heeft zorgvuldig gehandeld door klaagster erop te wijzen dat volharding in de weigering om stukken te verstrekken het aanhangig maken van een gerechtelijke procedure tot gevolg zou (kunnen) hebben.

4.6 Dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende, dan wel behoorde te kennen, is de voorzitter evenmin gebleken. Verweerster heeft de standpunten van haar cliënten verwoord en ter onderbouwing daarvan verwezen naar jurisprudentie en dat was ook haar taak. Indien en voor zover klaagster het met de inhoud van verweersters brieven niet eens was, heeft zij, dan wel haar advocaat, daarop kunnen reageren. Het is niet aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter, om een oordeel te geven over de juistheid van de standpunten van partijen en over hetgeen partijen in het civielrechtelijke geschil verdeeld houdt. De voorzitter heeft tot slot in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten gevonden voor het verwijt dat zijdens verweerster sprake was van een gebrek aan zorgvuldigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit.

4.7 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht, voor zover ontvankelijk,  op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      klager sub 1, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

-      de klacht, voor zover deze ziet op het verwijt dat het informatieverzoek (mogelijk) (mede) werd ingegeven door de wens om declarabele uren te genereren, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

-      de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, ontvankelijk en kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 22 september 2026