ECLI:NL:TADRARL:2026:192 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-618/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:192
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 26-618/AL/MN
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 28 september 2026

in de zaak 26-618/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 16 juli 2026 met kenmerk 2580339.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerster heeft klager vanaf 23 juli 2029 tot in 2024 bijgestaan in een geschil over de verdeling van een gemeenschap.

1.2 In februari 2026 heeft klager verzocht om hem een aantal stukken uit zijn dossier te sturen. Verweerster heeft die stukken gedurende de behandeling van de klacht door de deken uit het (gearchiveerde) dossier aan klager gestuurd.

1.3 Op 6 maart 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, door:

a)         zijn procedures niet zorgvuldig te behandelen;

b)         te weigeren stukken uit het dossier te overhandigen.

3 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling  van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het behoort het tot de professionele standaard van een advocaat om een inschatting te geven van de slagingskans van de zaak.

Klachtonderdeel a)

4.2 De voorzitter begrijpt uit de (toelichting op de) klacht dat dit klachtonderdeel ziet op het handelen van verweerster met betrekking tot een wrakingszaak bij de rechtbank Haarlem. Klager noemt daarbij onder meer de (in de ogen van klager) onjuiste voorlichting over de zitting door verweerster, de duur van de zitting, en het feit dat zij op de gang moesten wachten. De voorzitter overweegt dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende heeft onderbouwd. Omdat het gestelde verwijtbare handelen ook niet uit andere stukken blijkt en verweerster dit heeft betwist, is de juistheid daarvan en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet komen vast te staan. Dat leidt ertoe dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.3 Klager stelt dat verweerster heeft geweigerd om hem stukken uit zijn dossier te sturen. Verweerster heeft hier tegenin gebracht dat de verzoeken van klager zagen op documenten die zich in een al afgesloten archiefdossier bevonden, wat betekende dat het lokaliseren van die stukken meer tijd vergde dan bij een lopende zaak. De voorzitter overweegt hierover dat het beter was geweest als verweerster klager had laten weten dat het verstrekken van die stukken langer zou kunnen duren, maar omdat verweerster de stukken wel degelijk aan klager heeft verstrekt en niet is gebleken dat klager door dit handelen in zijn belangen is geschaad, is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.  

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

Griffier                                                                                                                         Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026