ECLI:NL:TGZRSHE:2026:164 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9591
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:164 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-09-2026 |
| Datum publicatie: | 23-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2026/9591 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dermatoloog. Klager maakt de dermatoloog een groot aantal verwijten, waaronder dat zij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over een proctoscopie, het onderzoek zonder verdoving heeft uitgevoerd, onvoldoende verslag heeft gedaan, geen nader onderzoek heeft verricht naar de oorzaak van zijn klachten en schade heeft veroorzaakt. Het college oordeelt dat de klacht kennelijk ongegrond is, omdat de dermatoloog op basis van de destijds beschikbare informatie mocht uitgaan van perianaal eczeem, de proctoscopie een passende onderzoeksmethode was en de later vastgestelde zeldzame auto-immuunziekte ten tijde van de behandeling niet hoefde te worden vermoed. Ook kan de dermatoloog geen persoonlijk verwijt worden gemaakt van de gestelde vertraging bij de afgifte van het medisch dossier. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 23 september 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
dermatoloog,
destijds werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager werd vanwege anale klachten door de chirurg verwezen naar verweerster.
Op 8 augustus
2024 werd klager door verweerster voor het eerst gezien. Verweerster zette een medicamenteuze
behandeling in. Op 2 september 2024 verrichtte verweerster een proctoscopie, een
medisch
kijkonderzoek aan het laatste deel van de endeldarm en de anus. Klager verwijt verweerster
dat zij
hem vooraf onvoldoende heeft geïnformeerd over het onderzoek, dit zonder verdoving
heeft uitgevoerd
en hem daardoor pijn en huidbeschadiging heeft toegebracht. Verder verwijt klager
verweerster dat
zij het consult niet goed heeft afgerond, onvoldoende verslag heeft gedaan van het
onderzoek, geen
nader onderzoek heeft verricht naar de uiteindelijke oorzaak van zijn klachten en
daarmee zijn
levensgeluk langdurig heeft aangetast. Ook verwijt klager verweerster dat zij de
afgifte van zijn
medisch dossier heeft vertraagd.
1.2 Verweerster heeft gevraagd de klacht ongegrond te verklaren. Zij heeft onder
meer aangevoerd
dat zij ten tijde van de behandeling van klager niet had hoeven te denken aan een
zeer zeldzame
auto-immuun blaarziekte die in 2026 door een andere zorgverlener werd gesteld.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2026;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 24 maart 2026;
- de aanvullende stukken, ontvangen van klager op 19 mei 2026;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek met de bijlagen, gehouden
op 27 mei 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager is sinds 2013 bekend met een chronische anale fissuur waarvoor hij
werd behandeld. Op
3 april 2024 onderging klager een botoxbehandeling bij een chirurg.
Op 7 augustus 2024 bezocht klager opnieuw deze chirurg omdat de klachten verergerden.
De chirurg
heeft klager verwezen naar verweerster. In de verwijzing staat het volgende (alle
citaten voor
zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Vraagstelling: anale fissuur sinds lange tijd. nog geen effect van diltiazem
en botox Nu
echter toename van klachten, meer schrijnend en uitgebreidere wonden niet alleen
meer fissuur graag
op korte termijn beoordeling (…)”
3.2 Op 8 augustus 2024, een dag na de verwijzing, ziet verweerster klager voor het
eerst.
Verweerster heeft over dit consult in het medisch dossier van klager het volgende
opgenomen:
“(…) Medische gegevens: chronische fissura ani, botox behandeling 2013
Anamnese
Al meer dan een jaar klachten. Verliest vocht uit de anus. Reinigt met water en
zeep. Gebruikt
dunne inlegkruisjes. Geen vochtige toiletdoekjes.
Dermatologisch onderzoek
Oppervlakkig gelegen anus weinig beharing een marisken op 12 uur. Rondom erythemateus
en
gemacereerd tevens erosief.
Conclusie
Perianaal eczeem bij fissuur. Beleid
Advies reinigen met lauwwarm, geen zeep. Overdag beschermen met zinkzalf/sudocreme.
Inlegkruisjes regelmatig vervangen en inlegkruisjes voor licht urineverlies aanschaffen.
S’avonds
voor het slapen mometasonvetzalf aanbrengen.
Diltiazem volgens instructies chirurg continueren, co 4 wkn.”
3.3 Op 2 september 2024 heeft verweerster bij klager een proctoscopie uitgevoerd
en het volgende
genoteerd in het medisch dossier:
“(…) Polikliniek: vervolgconsult
Behandeling heeft geen effect gehad erosief en geel beslag ; bij proctoscopie (wel
mogelijk)
hemoroïdweefsel en poliepen zichtbaar retour chirurgie daar moet hij volgende week
weer zijn. ook
heftig bloedverlies gehad; chirurg telefonisch van de bevindingen op de hoogte gebracht.”
3.4 Op 1 oktober 2024 vindt een telefonisch consult plaats. Verweerster heeft over
dit consult
het volgende genoteerd in het medisch dossier:
“(…) Belconsult bestaande zorgvraag (…)
Anamnese
Had vragen moet hij de mometason nog smeren. Hij was geschrokken van de proctostoel;
Uitleg dat het
procto-onderzoek ook bij de dermatoloog plaatsvindt en dat gebeurd in een speciale
proctostoel en
niet op de zij liggend. Uitleg dat ik nadat ik merkte dat hij het vervelend vond
ook meteen de
chirurg gebeld heb en aangegeven dat patiënt weer terug verwezen dient te worden
zodat bij de
chirurgie de anale klachten waarvoor hij onder behandeling is verder bekeken kunnen
worden.
Daarnaast ook de melding van heftig bloedverlies wat nog een reden was om terug
te verwijzen naar
de chirurgie. Hij is ongerust en hij moet nog even wachten op de operatie; hij heeft
er geen goed
gevoel over; advies dit met zijn chirurg te bespreken en deze onrust kenbaar te
maken.
dermatologisch gezien kan ik niet meer adviseren dan het advies van 08-08-2024
Beleid
Wanneer er sprake is van eczeem kan mometasonvetzalf 4 dagen achtereenvolgens gesmeerd
worden.
Overdag beschermen met zinkzalf en vochtopvangen met inlegkruisjes (…) Alles is
nu duidelijk voor
patiënt vragen en onduidelijkheden zijn voor patiënt nu goed en voldoende besproken.
(…)”
3.5 Klager is in de periode die hierop volgde (tot en met 2026) door verschillende
dermatologen,
chirurgen en MDL-artsen in verschillende academische en regionale ziekenhuizen en
gespecialiseerde
klinieken onderzocht en behandeld.
3.6 Omstreeks 1 april 2025 heeft verweerster haar werkzaamheden voor het ziekenhuis beëindigd.
3.7 Op 10 juni 2025 heeft de klachtenbemiddelaar het volgende aan klager geschreven,
nadat klager
had geklaagd over verweerster:
“(…) Verweerster is inmiddels niet meer werkzaam in [naam ziekenhuis waar verweerster
klager heeft
behandeld] (…); uw klacht is gericht tegen de wijze waarop zij [verweerster] het
onderzoek heeft
uitgevoerd. Dit is door de chirurg met u besproken tijdens het gesprek op 19 mei
jongstleden”
3.8 Uiteindelijk is bij klager de zeldzame diagnose ‘peri-anaal slijmvliespemphigoid’ gesteld.
Op 5 januari 2026 wordt daarover door een arts van een academisch ziekenhuis het
volgende
genoteerd over een consult met klager:
“(…) er is sprake van een auto-immuun blaarziekte, waarbij het immuunsysteem verbindingen
tussen de
cellen in het slijmvlies aanvalt. Behandeling bestaat uit het onderdrukken hiervan.
(…)”
3.9 Hierna werd klager verwezen voor een behandeling in een ander academisch ziekenhuis.
3.10 In januari 2026 is verweerster voor het eerst geïnformeerd over de klacht van
klager.
Verweerster heeft via de klachtenfunctionaris tweemaal een gesprek aan klager aangeboden.
Klager
heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
3.11 Op 23 januari 2026 heeft klager verzocht om een afschrift van zijn medisch dossier
bij het
ziekenhuis waar verweerster werkzaam was. Op 9 maart 2026 schrijft klager aan de
klachtenbemiddelaar van de instelling het volgende:
“(…) Mij is destijds toegezegd dat dit binnen 4 weken geregeld zou zijn. Inmiddels
zijn we 6 weken verder en heb ik (…) nog niets ontvangen. (…)”
3.12 Op 10 maart 2026 heeft klager zijn medisch dossier ontvangen.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij:
a) bij het consult op 2 september 2024 niet heeft uitgelegd wat zij ging doen
(het inwendige
onderzoek bij klager), waarom zij dit ging doen en hoe zij dit onderzoek ging
verrichten;
b) niet heeft verteld wat de gevolgen (pijn en ontvelling) van de ingreep konden
zijn;
c) zonder verdoving een proctoscoop naar binnen heeft geduwd terwijl zij kon weten
dat dit gebied
(van de anus en rectum) al pijnlijk was;
d) het consult niet heeft afgemaakt, geen mogelijkheid heeft geboden om vragen
te stellen over
het gebruik van de zalf na dit onderzoek;
e) het niet beter maar slechter heeft gemaakt, het gevolg van de ingreep was dat
klager daarna
ergere pijn en huidbeschadiging had dan daarvoor;
f) over het onderzoek niets in haar dossier had geschreven;
g) toen al onderzoek had kunnen doen naar de oorzaak van de (huid)problemen van
klager zoals
later in 2026 in het academisch ziekenhuis met biopten is gedaan;
h) het levensgeluk van klager door (het toebrengen van) iatrogene rectale schade
ruim 17 maanden
dag en nacht heeft ontnomen;
i) de afgifte van het medisch dossier van klager heeft vertraagd tot zeven weken.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende dermatoloog. Daarbij moet
rekening worden
gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen en met wat toen
in de
beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard. Dat betekent dat achteraf verkregen
kennis en
wetenschap, evenals het verdere beloop, buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de dermatoloog geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen
is niet altijd
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) uitleg over het onderzoek
5.2 Dit klachtonderdeel treft naar het oordeel van het college geen doel. Het
college kan niet
precies nagaan hoe de communicatie tussen klager en verweerster direct voorafgaand
en tijdens het
onderzoek is verlopen. Verweerster heeft in het verweerschrift echter navolgbaar
toegelicht dat zij
voorafgaand aan een onderzoek altijd uitleg verschaft, aangeeft waarom een onderzoek
nodig is en
hoe en met welke hulpmiddelen dat onderzoek wordt uitgevoerd. Het is niet aannemelijk
dat
verweerster die uitleg en toelichting in het geval van de proctoscopie bij klager
achterwege heeft
gelaten omdat dat onderzoek een zekere mate van coöperatie van klager vereist. Klager
moet
bijvoorbeeld plaatsnemen op een speciale stoel en krijgt daarbij noodzakelijkerwijs
hulp en
toelichting van verweerster en/of haar assistente. Dit klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdelen b) niet vertellen van de gevolgen van het onderzoek
5.3 Dit klachtonderdeel treft naar het oordeel van het college geen doel. De door
verweerster
verrichte proctoscopie is (zoals verweerster terecht in haar verweerschrift heeft
gesteld) op
zichzelf bezien vooral onprettig en ongemakkelijk, maar doorgaans niet schadelijk
voor degene die
het ondergaat. Dat betekent dat verweerster klager niet hoefde te wijzen op pijn
en ontvelling,
omdat die gevolgen in de regel niet voortvloeien uit het door verweerster verrichte
onderzoek of de
wijze waarop verweerster dat heeft verricht. Dat de gevolgen voor klager mogelijk
anders waren
vanwege zijn – toen nog onbekende – zeer zeldzame aandoening, maakt dat niet anders.
Verweerster
hoefde de aanwezigheid van een zeer zeldzame aandoening, zoals die later bij klager
is vastgesteld,
namelijk ten tijde van het onderzoek nog niet te verwachten (zie daarover ook klachtonderdeel
g
hierna). Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) niet gebruiken van verdoving tijdens het onderzoek terwijl het
onderzoeksgebied
pijnlijk was
5.4 Dit klachtonderdeel treft naar het oordeel van het college geen doel. Verweerster
heeft eerst
een behandeling met geneesmiddelen ingezet, en pas enkele weken later (toen die
behandeling geen
effect sorteerde) de proctoscopie verricht. Toen tijdens de proctoscopie bleek dat
klager pijn had,
heeft/hebben verweerster en/of haar assistente (zoals gebruikelijk) geprobeerd klager
‘door het onderzoek
heen te praten’. Het standpunt dat verweerster zou zijn gestopt als de pijn te hevig
zou zijn, acht het college navolgbaar. Daarbij overweegt het college ook dat bij een
patiënt die hevige pijn ervaart bij het onderzoek, het onderzoek praktisch onmogelijk
wordt door de spanning in de anus.
5.5 Hoewel het invoelbaar is dat klager pijn wilde voorkomen en dus verdoving (achteraf
gezien)
wenselijk achtte, kan verweerster van het niet gebruiken van verdoving naar het
oordeel van het
college geen verwijt worden gemaakt. Een proctoscopie wordt namelijk doorgaans op
geen andere wijze
verricht dan hoe verweerster dat heeft gedaan, namelijk zonder verdoving. Dat de
plek waar het
onderzoek zou plaatsvinden bij klager reeds pijnlijk was, maakt dat niet anders.
Immers, het
onderzoek is, zoals hiervoor overwogen, op zichzelf bezien vooral onprettig en ongemakkelijk
maar
doorgaans niet schadelijk. Het op voorhand verdoven of een proctoscopie onder algehele
anesthesie
is geen gangbare praktijk. Dit zal slechts in uitzonderlijke situaties worden overwogen.
Op het
moment dat verweerster het onderzoek uitvoerde, was er voor verweerster nog geen
aanleiding om een
auto-immuunziekte bij klager te vermoeden (zie klachtonderdeel g hierna). Dat verweerster
niet
heeft gekozen voor (volledige) verdoving (anesthesie), of naar de mogelijkheden
daartoe navraag
heeft gedaan, is daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is
kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel d) niet afmaken consult na afloop van het onderzoek
5.6 Na afloop van de proctoscopie heeft verweerster naar aanleiding van hetgeen
zij aantrof
telefonisch contact opgenomen met de chirurg. Ongeveer een maand na het consult,
nadat klager
aangaf nog vragen te hebben, heeft op 1 oktober 2024 een telefonisch consult plaatsgevonden.
5.7 Dat is naar het oordeel van het college weliswaar een groot tijdsverloop, maar
daarvan kan
verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Bezien vanuit het perspectief
van
verweerster was het consult op 2 september 2026 namelijk afgerond. Klager gaf nadien
aan nog vragen
te hebben voor verweerster over hoe een bepaald geneesmiddel te smeren. Klager had
echter via de
apotheek informatie ontvangen. Gelet daarop heeft verweerster met voldoende voortvarendheid
een
telefonisch consult ingepland en uitgevoerd. Tijdens dat consult heeft verweerster
de vragen van
klager afdoende beantwoord, zo staat tussen partijen niet ter discussie. Als onder
deze
omstandigheden al sprake is van een verzuim van verweerster, dan heeft verweerster
dit verzuim
tijdig en voldoende hersteld. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) niet beter maar slechter maken
5.8 Verweerster ging ten tijde van het onderzoek, op basis van de op dat moment
beschikbare
gegevens, terecht uit van de werkdiagnose peri-anaal eczeem. De proctoscopie die
verweerster heeft
uitgevoerd om te onderzoeken of aambeien aanwezig waren die de klachten zouden kunnen
verklaren, is
een correct aanvullend onderzoek van patiënten met die werkdiagnose. De keuze van
verweerster om
een proctoscopie uit te voeren is naar het oordeel van het college navolgbaar. Een
dergelijk
onderzoek is (zoals het college hiervoor al overwoog) op zichzelf bezien vooral
onprettig en
ongemakkelijk, maar niet schadelijk voor degene die het ondergaat. Dat betekent
dat verweerster
niet had hoeven verwachten dat het onderzoek bij klager achteraf tot schade (pijn
en ontvelling)
zou leiden. Verweerster kan van het ontstaan van die gevolgen geen tuchtrechtelijk
verwijt worden
gemaakt. Die gevolgen vloeiden immers niet voort uit het onderzoek zelf of de wijze
waarop
verweerster dat heeft verricht, maar werd veroorzaakt door de zeldzame aandoening
die pas veel
later bij klager is vastgesteld. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) opnemen van informatie in het dossier
5.9 Anders dan klager stelt, heeft verweerster in het medisch dossier een afdoende
weergave van
het consult op 2 september 2024 en de proctoscopie neergelegd. Hoewel de weergave
aan de summiere
kant is, levert dit naar het oordeel van het college geen tuchtrechtelijk verwijt
op. De
belangrijkste elementen heeft verweerster namelijk in het medisch dossier beknopt
benoemd en
toegelicht. Het is in dit geval niet gebruikelijk om in het medisch dossier op te
nemen welke
uitleg en toelichting precies aan een patiënt is gegeven. Dat geldt te meer als
het, zoals in dit
geval, een algemene en informerende uitleg en toelichting bij een veelvoorkomend
onderzoek betreft.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) nalaten onderzoek doen naar de (huid)problemen van klager
5.10 Dit klachtonderdeel treft naar het oordeel van het college geen doel. Het
college overwoog
hiervoor al dat verweerster ten tijde van het onderzoek en de behandeling van klager
op basis van
de kennis die verweerster toen had, mocht uitgaan van de werkdiagnose peri-anaal
eczeem. Dat
verweerster op 23 september 2024 niet heeft gedacht, en dus ook geen (nader) onderzoek
heeft
verricht of laten verrichten naar, een zeer zeldzame auto-immuun blaarziekte levert
onder de
omstandigheden van dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt op. Er bestond voor verweerster
op het
moment dat zij klager behandelde, geen enkel aanknopingspunt te veronderstellen
dat klager aan een
zeer zeldzame auto-immuun blaarziekte leed. Bovendien zat tussen het moment van
de proctoscopie en
het uiteindelijke moment van het stellen van de definitieve diagnose een groot tijdsverloop.
Klachtonderdeel h) ontnemen levensgeluk
5.11 Omdat de overige klachtonderdelen geen doel treffen, treft dit klachtonderdeel
evenmin doel.
Hoezeer het college begrip heeft voor het vele ongemak dat klager heeft (gehad),
ziet het college
geen grond voor het oordeel dat verweerster met haar handelen, zoals klager in feite
stelt, klagers
levensgeluk (bewust) heeft ontnomen. Verweerster heeft, uitgaande van de kennis
die zij ten tijde van de
behandeling van klager redelijkerwijs had, gehandeld zoals van een redelijk bekwame
en redelijk handelende dermatoloog mocht worden verwacht. Zij heeft begrijpelijke
en navolgbare (onderzoeks- en behandel)keuzes
gemaakt en die in het medisch dossier en aan klager afdoende en correct uitgelegd
en toegelicht.
Dat klager minder levensgeluk ervaart of heeft ervaren valt kortom niet tuchtrechtelijk
aan verweerster te verwijten.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i) vertraging afgifte medisch dossier
5.12 Dit klachtonderdeel treft naar het oordeel van het college geen doel. Zoals
verweerster in
het verweerschrift ook heeft aangegeven, heeft zij per april 2025 haar werkzaamheden
voor het
ziekenhuis beëindigd. Bij de gang van zaken met betrekking tot de afgifte van het
medisch dossier
aan klager heeft verweerster daarom geen betrokkenheid gehad. Als het dossier al
te laat aan klager
zou zijn verstrekt, dan kan verweerster daarvan geen persoonlijk verwijt worden
gemaakt. Dit
klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, J.M. Mommers en E.J.M. van
Leent,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 23 september 2026.