ECLI:NL:TAHVD:2026:310 Hof van Discipline 's Gravenhage 260174

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:310
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 260174
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. De mogelijkheid om de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening, voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. In dat kader rust op de rechtzoekende een inspanningsverplichting om eerst zelf op zoek te gaan naar een advocaat. Anders dan klager aanvoert, lag het daarmee wel degelijk op de weg van klager in deze zaak om tegenover de deken concreet te onderbouwen welke stappen hij daartoe heeft gezet. Klager heeft niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan. Daarnaast heeft de deken terecht geconcludeerd dat de door klager gewenste procedure tegen zijn bovenburen op basis van de bewijsstukken die klager tot op dat moment had aangeleverd geen redelijke kans van slagen heeft. Ten aanzien van een procedure tegen de woningbouwvereniging heeft de deken er terecht op gewezen dat huurgeschillen kunnen worden aangebracht bij de kantonrechter waarvoor bijstand van een advocaat niet vereist is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat wel verplicht is gesteld.


Beslissing van 28 september 2026
 
in de zaak 260174

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
klager
    
tegen:
    
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en mr. J.H. Stek
samen deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Amsterdam

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 28 april 2026 met het daarvoor bestemde webformulier bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Uit het webformulier blijkt dat klager een advocaat aangewezen wenst te krijgen vanwege (geluids)overlast van zijn bovenburen en omdat de woningbouwvereniging niet aan de zorgplicht zou voldoen om de overlast te verminderen dan wel te verhelpen. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 13 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd - zakelijk weergegeven - dat klager zich onvoldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden, voor een huurgeschil geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt en een procedure tegen de bovenburen geen redelijke kans van slagen heeft. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 13 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken, met bijlagen, van 24 juni 2026;
-    de repliek van klager van 25 juni 2026;
-    de dupliek van de deken van 8 juli 2026. 

1.5    Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken in het dossier. 

2    FEITEN 

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    In reactie op het aanwijzingsverzoek van klager heeft de deken klager bij e-mail van 30 april 2026 onder meer als volgt geïnformeerd:

“Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan de deken een advocaat aanwijzen, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

•    de rechtzoekende moet er aantoonbaar niet in zijn geslaagd om zelf een advocaat te vinden om hem of haar bij te staan;
•    het moet gaan om een kwestie, waarbij bijstand/vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is;
•    de zaak moet dienen in het arrondissement Amsterdam;
•    de deken moet ervan overtuigd zijn dat u een voldoende belang bij de zaak heeft.

Gelet op deze wettelijke voorwaarden verzoek ik u om de navolgende vragen te beantwoorden en mij de volgende informatie aan te leveren:
 

1) Ten aanzien van uw inspanningsverplichting ontvang ik graag een afschrift van de vijf afwijzingen van de advocaten die u reeds benaderd heeft.
(…)

Pas nadat ik de gevraagde informatie ontvangen heb, kan ik uw verzoek om aanwijzing van een advocaat in behandeling nemen en beoordelen.”

2.2    Bij e-mail van 4 mei 2025 heeft klager de deken geïnformeerd over welke advocaten(kantoren) hij heeft benaderd en een viertal afwijzingen meegezonden, waaronder een afwijzing van [mr. P] (hierna: mr. P). Bij het e-mailbericht heeft klager ook correspondentie met [naam woningbouwvereniging], de woningbouwvereniging, over de overlast overgelegd. 

2.3    Bij brief van 24 maart 2026 heeft de woningbouwvereniging klager onder meer als volgt geïnformeerd:

“Met deze brief wil ik u laten weten dat wij het overlastdossier hebben afgesloten.

We kunnen u op dit moment niet verder helpen 
Wij hebben samen met onze collega's van Vastgoed verschillende stappen gezet om uw meldingen serieus te onderzoeken en tot een oplossing te komen. Tot nu toe zijn er geen nieuwe feiten naar voren gekomen die vervolgacties rechtvaardigen.

Hieronder vindt u een overzicht van wat wij al hebben gedaan:

  • Uw klachten zijn besproken met uw bovenburen, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing.

•    Er heeft een gesprek via BeterBuren (buurtbemiddeling) plaatsgevonden en ook dit heeft niet geleid tot een oplossing.
•    Tijdens huisbezoeken bij uw bovenbuur is geen woonoverlast vastgesteld.
•    Bij het vloeronderzoek in uw woning en die van uw bovenbuur zijn geen technische problemen gevonden en geen geluidsoverlast vastgesteld.
•    De geluidsmeter in uw woning liet geen structurele woon- of geluidsoverlast zien (zie bijlage).
•    Er zijn geen meldingen of signalen ontvangen van politie, gemeente of andere instanties.

Het dossier wordt gesloten 
Op basis van al het bovenstaande zijn wij helaas genoodzaakt het overlastdossier te sluiten.”

2.4    Bij e-mailbericht van 3 maart 2026 heeft mr. P. klager als volgt geïnformeerd:

“De ontvangen stukken heb ik voor uw beoordeeld. Hoewel op de geluidsopnamen duidelijk gebonk /gestamp is te horen, wordt niet goed duidelijk wie dit precies doet. Het is van belang dat er meer objectief bewijs komt waaruit is op te maken dat uw buur de overlast veroorzaakt, bijvoorbeeld in de vorm van videobeelden.
Voor nu denk ik dus dat het dossier nog niet voldoende aanknopingspunten heeft om ofwel de woningbouw aan te spreken ofwel om de buur aan te spreken. Als er meer concreet bewijs komt dat uw buur deze overlast veroorzaakt dan zou dit mogelijk anders kunnen zijn. Het kan hierbij ook helpen als er verklaringen komen van buren.

(…)

Voor nu zou ik u het volgende willen meegeven:

•    Verzamel objectief bewijs (foto’s / video’s);
•    Informeer bij uw buren of zij deze overlast ook ervaren en vraag of zij hierover een verklaring op papier willen zetten;
•    Blijf de overlast melden bij de woningbouw en het meldpunt zorg en overlast van de gemeente.

Mocht u in de komende periode meer bewijsstukken hebben verzameld dan kunt u altijd weer bij mij aankloppen.”


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager voert daartoe een drietal gronden aan:

1.    onjuiste beoordeling inspanningsverplichting: 
de conclusie van de deken dat slechts twee reacties van advocaten als een daadwerkelijke afwijzing kunnen worden aangemerkt is onjuist. Volgens klager heeft hij vijftien advocaten benaderd met het verzoek hem bij te staan, maar hebben slechts drie van hen gereageerd. Klager stelt dat de op hem rustende inspanningsverplichting om eerst te proberen zelf een advocaat te vinden ziet op het benaderen van advocaten, en niet op het verkrijgen van vijf schriftelijke afwijzingen. Het uitblijven van reacties valt buiten zijn invloedssfeer en kan hem niet worden tegengeworpen, aldus klager.

2.    onjuiste toepassing van artikel 13 Advocatenwet: 
het standpunt van klager is dat dit artikel niet uitsluitend is geschreven voor zaken waarin vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is, maar ook van toepassing is op zaken waarin bijstand noodzakelijk is vanwege complexiteit of ongelijkheid tussen partijen. Dat geldt ook voor zijn zaak, aldus klager.

3.    onvoldoende en eenzijdige beoordeling van de kans van slagen:
volgens klager heeft de deken de beslissing dat een procedure tegen de bovenburen geen redelijke kans van slagen heeft voornamelijk gebaseerd op de mededeling van de woningbouwvereniging dat het dossier gesloten is, en daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de structurele aard en ernst van de overlast, de impact op zijn gezondheid en studie, zijn documentatie en meldingen en de ongelijkheid tussen hem en de woningbouwvereniging.

Klager verzoekt het hof de beslissing van de deken te vernietigen en de deken op te dragen een advocaat aan te wijzen, dan wel de deken op te dragen zijn verzoek opnieuw en volledig te beoordelen.

Verweer
3.2    De deken heeft als volgt op de beklaggronden van klager gereageerd:

1.    Over de verplichting om minimaal vijf schriftelijke afwijzingen van advocaten aan te leveren die werkzaam zijn op het relevante rechtsgebied is klager meermaals geïnformeerd, zodat het klager op voorhand duidelijk kon zijn dat de vier overgelegde afwijzingen onvoldoende waren. Van die vier afwijzingen kunnen er twee als een geldige afwijzing worden aangemerkt. Gelet op het feit dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een ultimum remedium is, had het op de weg van klager gelegen om bij de advocaten van wie hij zegt geen reactie te hebben ontvangen te rappelleren totdat zij wel reageerden, en de adviezen op te volgen van de advocaten die wel hebben gereageerd en die een verwijzing naar een ander kantoor of een kantoorgenoot inhielden, dan wel het advies eerst een dossier op te bouwen. Verder heeft de deken erop gewezen dat de stelling van klager dat de inspanningsverplichting zou zien op het benaderen van advocaten en niet op het verkrijgen van (vijf) schriftelijke afwijzingen, onjuist is.

2.    Omdat voor een huurgeschil bij de kantonrechter geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt, bood artikel 13 Advocatenwet geen grondslag voor het toewijzen van klagers verzoek. Dat klager rechtsbijstand door een advocaat wel wenselijk acht, betekent niet dat de deken daarom een advocaat moet aanwijzen.

3.    In de afwijzingsbeslissing is klager erop gewezen dat de conclusie van de deken is gebaseerd op het bericht van mr. P van 3 maart 2026 en de brief van de woningbouwvereniging van 24 maart 2026.

De deken heeft het hof verzocht het beklag van klager ongegrond te verklaren.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Ten aanzien van het verzoek van klager

4.2    Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid om de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening is, voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. In dat kader rust op de rechtzoekende een inspanningsverplichting om eerst zelf op zoek te gaan naar een advocaat. Anders dan klager aanvoert, lag het daarmee wel degelijk op de weg van klager in deze zaak om tegenover de deken concreet te onderbouwen welke stappen hij daartoe heeft gezet. Hoewel klager door de deken duidelijk was gevraagd vijf schriftelijke afwijzingen van advocaten over te leggen, heeft klager bij zijn e-mail van 4 mei 2026 met vier volstaan. Het hof schaart zich achter het oordeel van de deken dat bij slechts twee daarvan sprake is van een daadwerkelijke afwijzing, en dat de reacties waarbij aan klager is meegedeeld dat het betreffende kantoor niet op toevoegingsbasis werkt, dan wel dat het verzoek aan een kantoorgenoot zou worden doorgestuurd geen daadwerkelijke afwijzingen betreffen. Daarmee heeft klager naar het oordeel van het hof niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan. 

4.3    Eén van de advocaten van wie een daadwerkelijke afwijzing is verkregen, is mr. P. Daaruit blijkt dat mr. P de van klager ontvangen stukken inhoudelijk heeft beoordeeld en op basis daarvan een (vooralsnog) negatief procesadvies voor een procedure tegen de bovenburen heeft gegeven. Het hof acht dit advies van mr. P gelet op de overgelegde stukken niet onbegrijpelijk. Het stond de deken vrij zich daar mede op te baseren. In de afwijzende beslissing heeft de deken zich daarnaast gebaseerd op de brief van de woningbouwvereniging van 24 maart 2026. Naar het oordeel van het hof heeft de deken daar terecht de conclusie uit getrokken dat een door klager gewenste procedure tegen zijn bovenburen op basis van de bewijsstukken die klager tot op dat moment had aangeleverd geen redelijke kans van slagen heeft. Ten aanzien van een procedure tegen de woningbouwvereniging heeft de deken er terecht op gewezen dat dat neerkomt op een huurrechtgeschil en dat huurgeschillen kunnen worden aangebracht bij de kantonrechter waarvoor bijstand van een advocaat niet vereist is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat wel verplicht is gesteld. 

Conclusie 

4.4    Op grond van het voorgaande heeft de deken het verzoek van klager naar het oordeel van het hof op juiste gronden afgewezen. Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 13 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A Heenk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 september 2026.