ECLI:NL:TAHVD:2026:305 Hof van Discipline 's Gravenhage 250208

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:305
Datum uitspraak: 25-09-2026
Datum publicatie: 28-09-2026
Zaaknummer(s): 250208
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het hof acht het handelen van verweerder in strijd met de in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting, met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Het hof komt tot een ruimere gegrondverklaring van de klacht over verweerder dan de raad en acht alles afwegend een berisping passend en geboden.


Beslissing van 25 september 2026
in de zaak 250208

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:


klager

gemachtigde: mr. P.C.S.


tegen:


verweerder

gemachtigde: mr. P.P.J. v.d. M.

1    INLEIDING

1.1    Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het hof acht het handelen van verweerder in strijd met de in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting, met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Het hof komt tot een ruimere gegrondverklaring van de klacht over verweerder dan de raad en acht alles afwegend een berisping passend en geboden. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-647/A/A) een beslissing genomen op 12 mei 2025. De beslissing is gepubliceerd op ECLI:NL:TADRAMS:2025:85 In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten. 

Bij het hof van discipline

2.2 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Het beroepschrift van verweerder is ontvangen op 11 juni 2025.

2.3    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder.
 
2.4    Het hof heeft de zaak achter gesloten deuren behandeld tijdens de zitting van 30 maart 2026. Daar zijn de gemachtigde van klager en verweerder met zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, klager mede aan de hand van een brief die zijn gemachtigde heeft voorgelezen en verweerder door middel van spreekaantekeningen. De brief en spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast. 

3.2    In [griffier: geanonimiseerd] (hierna: het proces) wordt een groot aantal verdachten door het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) vervolgd voor betrokkenheid bij liquidaties in het criminele milieu en pogingen daartoe.

3.3    Klager is één van de verdachten in het proces. 

3.4    Op 14 januari 2017 heeft klager verweerder en een andere advocaat, te weten mr. AA benaderd om hem bij te staan. Klager heeft daarbij aan hen verteld dat hij kroongetuige wilde worden.

3.5    Verweerder en mr. AA zijn klager vanaf toen, dus vanaf 14 januari 2017, gaan bijstaan.

3.6    Op 15 januari 2017 is klager “gecontroleerd” aangehouden op basis van de Wet Wapens en Munitie (hierna: de WWM-zaak). Klager heeft hierna zogenaamde “kluisverklaringen” bij de politie afgelegd.

3.7    Op 18 januari 2017 zijn verweerder en mr. AA gestart met onderhandelingen met het OM over een regeling, waaronder de door het OM voor klager te formuleren strafeis in de WWM-zaak. 

3.8    Op 26 april 2017 is de WWM-zaak van klager ter zitting bij de rechtbank [griffier: geanonimiseerd] behandeld.

3.9    Op 10 mei 2017 is klager in de WWM-zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. In oktober 2017 is deze gevangenisstraf door het gerechtshof [griffier: geanonimiseerd] (hierna: het hof) verlaagd naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en drieëntwintig dagen.

3.10     Op 29 mei 2017 heeft verweerder aan een bij de WWM-zaak betrokken officier van justitie (hierna: OvJ BB, ook wel aangeduid als mr. BB) bericht dat klager zich zorgen maakte over zijn veiligheid.

3.11     Op 19 augustus 2017 hebben verweerder en mr. AA de kluisverklaringen van klager mogen inzien.

3.12     Op 6 september 2017 is klager aangehouden in verband met een verdenking van medeplichtigheid aan moord (onderzoek [griffier: geanonimiseerd]) en poging tot moord (onderzoek [griffier: geanonimiseerd]). Vanaf toen vormde de aanhouding in deze onderzoeken de grondslag van zijn vrijheidsbeneming.

3.13     Op 4 oktober 2017 is de concept kroongetuige-overeenkomst aan klager, verweerder en mr. AA gepresenteerd.

3.14     Op 13 oktober 2017 en op 26 oktober 2017 hebben verweerder en mr. AA nadere onderhandelingen met het OM gevoerd. Mr. AA heeft hiervan handgeschreven aantekeningen gemaakt. De uitkomst van de onderhandelingen is neergelegd in een kroongetuige-overeenkomst.

3.15     Op 17 november 2017 heeft klager de kroongetuige-overeenkomst ondertekend.

3.16     Op 17-18 december 2017 heeft er een poging tot moord plaatsgevonden op een persoon (hierna: DD) waarover klager een kluisverklaring had afgelegd. DD is daarna aangehouden.

3.17     In een Whatsapp-bericht van 19 december 2017 tussen verweerder en OvJ BB staat, voor zover relevant:
[griffier: geanonimiseerd]  

3.18     Het OM heeft vervolgens bij de rechter-commissaris (hierna: de RC) verzocht om de kluisverklaringen van verdachte over DD in het onderzoek naar DD te betrekken.

3.19     Op 27 december 2017 heeft bij de RC de rechtmatigheidstoets plaatsgevonden van de voorgenomen kroongetuige-overeenkomst. Klager is die dag ook door de RC gehoord.

3.20  Bij beschikking van 29 december 2017 heeft de RC op de rechtmatigheid van de voorgenomen kroongetuige-overeenkomst tot de totstandkoming van die overeenkomst beslist. In de beschikking staat, voor zover relevant:

“(…) Geen verdere of andersluidende afspraken:

"Zowel [klager] als het OM heeft verklaard dat geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt die voor het onderzoek in de zaken waarin de door [klager] af te leggen getuigenverklaringen zouden kunnen worden gebruikt, van betekenis zijn. Wel is in tijdens het verhoor op 27 december 2017 nog toegelicht dat het OM, in geval van totstandkoming van deal, in het hoger beroep tegen een veroordeling van [klager] voor het bezit van vuurwapens, een lagere straf dan in eerste aanleg zal eisen. Die lagere strafeis is volgens het OM passend, gelet op de bijzondere omstandigheden van dat geval, waarover in eerste aanleg geen openheid van zaken kon worden gegeven maar na totstandkoming van de deal wel. (…)”

3.21 De RC heeft het gebruik van de kluisverklaringen van klager in het onderzoek tegen DD toegestaan. Daarbij heeft de RC op 13 februari 2018 bepaald dat de machtiging tot het onthouden van deze verklaringen aan het procesdossier op 16 maart 2018 zou aflopen. Op 9 februari 2018 is door het OM aan DD medegedeeld dat er processtukken aan hem worden onthouden. Duidelijk was dat dat (een aantal van) de kluisverklaringen van klager betrof.

3.22 Op 15 februari 2018 is in een gesprek door het OM aan klager en zijn advocaten meegedeeld dat de kluisverklaringen van klager in het dossier van DD gevoegd zouden gaan worden, voorafgaand aan de zitting van 23 maart 2018. 

3.23     In een e-mailbericht van 28 februari 2018 heeft verweerder aan de betrokken OvJ’s van het Landelijk Parket (LP) zijn zorgen geuit over de veiligheidssituatie van klager bij het openbaren van de kluisverklaringen.

3.24 In een e-mailbericht van 28 februari 2018 heeft een bij de kroongetuige-overeenkomst betrokken OvJ [EE] hierop gereageerd met, voor zover relevant:

“Verwijzend naar ons telefoongesprek van deze week het volgende: wij zien geen andere mogelijkheid in onze strafzaak dan het inbrengen van de verklaringen van [klager] voorafgaand aan de komende pro forma. We begrijpen de zorgen die dit bij [klager] oproept, maar er is geen andere oplossing mogelijk. (…)”

3.25 Op 16 maart 2018 zijn de door klager afgelegde kluisverklaringen aan de verdediging van DD kenbaar gemaakt.

3.26 Op 23 maart 2018 is tijdens een pro forma zitting de kroongetuige-overeenkomst door het OM gepresenteerd. Daarbij is ook een korte weergave gegeven van de inhoud van de vier kluisverklaringen van klager.

3.27 Op 29 maart 2018 is de broer van klager vermoord.

3.28 Op 8 oktober 2018 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden als advocaat van klager zou gaan beëindigen in verband met zijn overstap naar de rechterlijke macht.

3.29 Op 15 november 2018 heeft verweerder de zaak van klager overgedragen aan een opvolgend advocaat van klager.

3.30 Op 19 november 2018 is er een overdrachtsmemo door verweerder opgesteld, bedoeld voor de opvolgend advocaten van klager. In het overdrachtsmemo staat, voor zover relevant:

“(…)
Uiteindelijk is de WWM-zaak gebruikt om cliënt binnen te houden. De zaak is in eerste aanleg behandeld en er is een fikse straf opgelegd. Het appel diende begin september en het Hof heeft de straf bekort. Deze zaak zit niet in de deal en er is afgesproken dat de tijd wordt verdisconteerd in de executiefase. De afspraken daarover staan deels op schrift, maar dit moet goed worden afgehandeld zodra de straf in de hoofdzaak duidelijk is.
(…)”

3.31 In een hierop volgend (ongedateerd) overdrachtsmemo van een andere opvolgend advocaat van klager staat voornoemde passage ook opgenomen met daarbij als aanvulling:

“(…) 

[OvJ BB] weet van deze afspraak. (…) "iedere andere gedetineerde heeft natuurlijk recht op fasering/ verloven/ vervroegde invrijheidstelling. Cliënt kan hier om redenen van veiligheid geen gebruik van maken en zal tot het einde van zijn detentie in betrekkelijke eenzaamheid door moeten brengen.
 

De rechtbank kan bij oplegging van de straf met deze omstandigheden rekening houden, maar of zij dat doet is natuurlijk onzeker. Er zijn door [verweerder] en [mr. AA] afspraken met [OvJ BB] gemaakt over de executie. Met betrekking tot de VI heb ik een mail van [mr. AA] aan [OvJ BB] bij de digitale stukken gevoegd, met daarin een bevestiging van de afspraak, na de wetswijziging omtrent de Vl. Ten aanzien van de WWM-zaak weet ik niet welke concrete afspraken er zijn gemaakt. 
 

Wellicht dat het goed is om op korte termijn met [OvJ BB] een afspraak te maken om vast te leggen welk percentage van de straf niet zal worden geëxecuteerd/althans op alternatieve wijze wordt geëxecuteerd."

3.32 In een Whatsapp-bericht van 8 december 2018 tussen verweerder en OVJ BB schrijft verweerder, voor zover relevant: 

“(…)

[griffier: geanonimiseerd] 

(…)”

3.33 In een e-mailbericht van 7 juli 2019 heeft mr. AA aan OvJ BB geschreven, voor zover relevant:

"(…) De Tweede Kamer heeft inmiddels het wetsvoorstel waarin de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt aangepast aangenomen. Mogelijk wordt dat nog door de Eerste Kamer verworpen, maar stel dat de nieuwe regeling in gaat dan is dat voor cliënt nadelig. De Memorie van Toelichting zegt dat er geen sprake is van terugwerkende kracht, maar dat de nieuwe regeling (na inwerkingtreding) van toepassing is op alle daarna uitgesproken veroordelingen. Dat zou o.a. in de zaak van cliënt kunnen zijn. Wij hebben daarover in <verwijderd> gesproken en afgesproken dat cliënt zal vallen onder de oude VI-regeling. Het leek mij goed dat nog vast te leggen. (…)"
 

3.34 OvJ BB heeft hier op 22 juli 2019 op geantwoord met, voor zover relevant:

“(…)

Zoals jij het beschrijft, hebben we het inderdaad besproken. Het laatste woord is uiteraard aan de rechter.

(...)”

3.35 In juli 2019 heeft verweerder via mr. AA het verzoek van klager ontvangen om alle e-mails in de zaak aan klager over te dragen. Verweerder heeft hierop de volgens hem relevante e-mails uit het dossier via mr. AA aan klager verstrekt.

3.36 Op 18 september 2019 is mr. AA vermoord.

3.37 Verweerder had hierna weer tijdelijk contact met klager.

3.38 Op 15 januari 2020 is OvJ BB als getuige bij de RC bevraagd over de onderhandelingen over de kroongetuige-overeenkomst.

3.39 Op 22 juli 2020 heeft er een gesprek tussen verweerder en de opvolgend advocaten van klager plaatsgevonden, waarbij verweerder zijn kennis van de zaak met hen heeft gedeeld.

3.40 Op 24 juli 2020 heeft verweerder desgevraagd (nogmaals) een aantal e-mails in de zaak overgedragen aan de advocaten van klager.

3.41 Vanaf het najaar 2020 zijn de huidige gemachtigde van klager en mr. CC  klager gaan bijstaan. 

3.42 Op 12 april 2021 heeft een behandeling van [het proces] bij de rechtbank plaatsgevonden. Ter zitting heeft klager vragen beantwoord over het al dan niet meenemen van de WWM-zaak in de kroongetuige-overeenkomst en over het bestaan van een afspraak over het van toepassing laten zijn van de nieuwe vi-regeling voor klager. Klager heeft hierover verklaard, voor zover relevant:

"Dit is tijdens de dealonderhandelingen wel besproken. Daar is ook duidelijk neergelegd dat er wellicht in de toekomst een nieuwe VI-regeling zou komen. Dat was voor mij nieuw. Dat had wel met de deal te maken, of ik nou wel of niet verder zou gaan. Dat is toen met het Openbaar Ministerie besproken. Dat is er wel in meegenomen, net zoals mijn wapenzaak. Alleen mijn wapenzaak zit volgens mij ook in de deal. Over de voorwaardelijke invrijheidstelling is toen wel afgesproken dat we dat mee zouden nemen naar de rechtbank en het is uiteindelijk aan de rechters om daar een oordeel over te vellen."

3.43 In een e-mailbericht van 15 april 2021 is door de advocaten van klager (nogmaals) aan verweerder gevraagd om alle correspondentie te verstrekken ten behoeve van een goede dossiervorming.

3.44 In een proces-verbaal van 17 juni 2021 heeft OvJ BB verklaard, voor zover relevant:

“(…) Het kabinetsvoornemen om te komen tot versobering van de VI regeling is besproken met [klager] en diens raadslieden toen het OM zijn voorstel voor een overeenkomst ex art. 226g Sv op tafel legde. De kwestie kwam aan de orde bij de bespreking van de netto strafverwachting van [klager]. Het OM heeft toen aangegeven dat [klager] ervan mocht uitgaan dat de afspraak zoals die op dat moment met hem werd gemaakt (en de gerechtvaardigde verwachtingen die de kroongetuige daaraan mocht ontlenen) door het OM zou worden geëerbiedigd. Met de advocaten van [klager] was het OM van opvatting dat [klager] niet de dupe zou mogen worden van eventueel naderhand in voor hem negatieve zin aangepaste wetgeving. Daarbij heeft het OM steeds aangegeven dat het laatste woord hierover uiteraard aan de rechter is.
 

Bij diezelfde bespreking is door de raadslieden gevraagd of [klager] (bij wijzigende wetgeving In de toekomst) eventueel aanspraak zou kunnen maken op een hoger kortingspercentage. Het OM heeft daarop geantwoord dat dat niet bespreekbaar was; uitgangspunt was de op dat moment geldende wetgeving en het aanbod dat toen op tafel lag.
 

(…)

Omdat een voornemen om je aan een overeenkomst te houden en daarbij de intenties en de gerechtvaardigde verwachtingen van beide partijen die bestonden bij het aangaan van de overeenkomst te zullen respecteren, bezwaarlijk als een gunstbetoon kan worden aangemerkt. is hierover geen apart proces-verbaal opgemaakt. Het OM dient zich te houden aan eenmaal gemaakte afspraken.

(…)”

3.45 In een e-mailbericht van 5 oktober 2021 heeft mr. CC aan verweerder geschreven, voor zover relevant:

“Kun jij mij uiteenzetten wat er destijds in de voorfase van het afsluiten van de 226g Sv overeenkomst, dan wel in het kader van de beschermingsovereenkomst is besproken over de toepassing van de VI en de detentiefasering.

Is er besproken dat het niet kunnen benutten van die detentiefasering op een of andere wijze gecompenseerd zou worden. Is er destijds een rekensom gemaakt, erop uitkomende dat zijn detentie er als volgt uit zou komen te zien: (…)
Graag verneem ik hoe dit destijds exact is besproken en met wie. Voorts hoor ik graag of en zo ja wat daar van is vastgelegd en door wie. Ik vind voor deze rekensom wel aanwijzingen in de aantekeningen van [mr. AA]. (…)”

3.46 In een e-mailbericht van 12 oktober 2021 heeft verweerder hierop gereageerd met, voor zover relevant:

“(...) Ik heb goed nagedacht en mijn handgeschreven aantekeningen erop nageslagen en kom tot de volgende reconstructie.
 

Op het moment dat de deal tot stand kwam was het idee dat leidde tot de wet Straffen en Beschermen al wel onderwerp van politieke discussie, maar nog [het hof begrijpt dat hier moet worden ingelezen ‘geen’] concreet voorstel.
 

Er is in verschillende gesprekken met het OM (…) gesproken over de detentie, de fasering daarvan, de verrekening van de zwaardere omstandigheden en andere beperkingen, en ook de eventuele gevolgen van de nieuwe wet zo die zou worden aangenomen. [Mr. AA] en ik hebben daar ook met cliënt over gesproken. [Mr. AA] heeft daarbij verschillende rekensommen gemaakt.
 

Bij mijn weten zijn er evenwel vóór half november 2018, toen ik de zaak verliet, op deze onderwerpen geen harde afspraken met het OM gemaakt. Dat zou anders kunnen zijn in de periode daarna, (…) zou dat dan moeten weten. In 'mijn' periode is afgesproken dat deze onderwerpen later aan de orde zouden moeten komen, onder meer in de gesprekken over de toekomst. Op dat moment zouden we immers ook moeten vaststellen wanneer die toekomst (buiten detentie) dan zou beginnen. Zoals jullie weten zijn de gesprekken over de toekomst niet afgerond, omdat uiteindelijk niet tot een overeenstemming kon worden gekomen en cliënt zijn contract met TGB opzegde. In hoeverre in die gesprekken (eerste helft 2019) factoren rondom (het einde van) detentie een rol speelden weet ik niet. (…)”
 

3.47 Op 24 januari 2022 hebben de advocaten van klager een bespreking met OvJ BB gehad over wat er destijds met verweerder en mr. AA is besproken over de kroongetuige-overeenkomst.

3.48 In een brief van 18 februari 2022 hebben de advocaten van klager een verslag voor het OM opgesteld van de bespreking van 24 januari 2022. Hierin staat, voor zover relevant:

“(…)

Ook bespraken wij welke gevolgen moeten worden gegeven aan de toezegging van het openbaar ministerie om de in de toekomst te missen detentiefasering van cliënt, die daar uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik van zal kunnen maken nadat hij is veroordeeld, te compenseren op de duur van de netto straf.
 

(…)

Ook stukken van [verweerder] duiden er op dat er afspraken zijn gemaakt over een compensatie voor het ontbreken van een detentiefasering.

In een notitie van [mr. AA] d.d. 13 oktober 2017 is opgenomen, na de initialen waarmee u wordt aangeduid (mr. BB): "aanbod ogv kluisverkl. (geen twijfel - betrouwbaar & bruikbaar)( ...) (2) straf 24 jr (3) strafaanbod 50% lager= 12 jr (8 jaar zitten), korting in fasering etc daarbovenop." [onderstreping door ondergetekende).

U heeft ons tijdens de bespreking laten weten dat dit inderdaad "wel is besproken, maar niet is afgesproken." Dit betwisten wij, er zijn wel degelijk toezeggingen gedaan, ons inziens zelfs schriftelijk. In elk geval dient het vertrouwensbeginsel te worden toegepast. (…)”

Kortom, dat de afspraak omrent detentiefasering niet in een (begunstigings)-PV is opgenomen, hoeft niet te betekenen dat geen sprake is geweest van een toezegging. Het is dus onvoldoende om enkel te kijken naar de taalkundige betekenis van de toezegging, maar er dient ook te worden gekeken naar gerechtvaardigde verwachtingen die bij cliënt door die toezegging(en) zijn opgewekt. (…)”

3.49     In een e-mailbericht van 18 februari 2022 hebben de advocaten nog enkele aanvullende vragen aan verweerder gesteld.

3.50 In een e-mailbericht van 20 februari 2022 heeft verweerder hierop gereageerd en daarbij aan de advocaten geschreven dat er geen afspraken zijn gemaakt over de vi-regeling. Verweerder heeft hierover aan de advocaten van klagers geschreven, voor zover relevant:

“(…) Zoals al eerder aangegeven door mij (…) zijn hierover bij mijn weten geen schriftelijke afspraken gemaakt. In mijn tijd zeker niet, enerzijds omdat de wet nog volop werd bediscussieerd en het ook niet zeker was dat deze zou worden aangenomen, anderzijds omdat we alle aspecten t.a.v. detentiefasering, vi, etc. voor zover mogelijk en binnen de macht van het OM zouden meenemen in de nadere onderhandelingen over de toekomst na detentie. De verschillende gesprekken waar dit aan de orde is gekomen zijn gevoerd met [OvJ BB] (…) maar dat was in de fase waar ik bij betrokken was nog niet concreet en zou natuurlijk - zoals nog steeds - ook erg afhankelijk zijn van de uiteindelijk opgelegde straf en andere omstandigheden. Om die reden staat er ook niets op papier. Ik weet niet of cliënt de rekensom in de aantekeningen van [mr. AA] of een andere rekensom is voorgehouden, in ieder geval niet door mij en voor zover ik me kan herinneren ook niet in mijn aanwezigheid.

Zoals al eerder aangegeven (en hieronder ook nog weer) hebben jullie alle correspondentie tussen [mr. AA] en mij over de zaak. Wij voerden zelden schriftelijke communicatie, omdat we elkaar dagelijks spraken en (meestal) zagen. (…)”.
 

3.51 Op 22 februari 2022 heeft OvJ BB aan de advocaten van klager per brief bericht dat het volgens hem "niet klopt" dat is afgesproken dat de tijd die klager heeft gezeten voor de WWM-zaak zal worden afgetrokken van de netto gevangenisstraf waarvoor hij zal worden veroordeeld voor de feiten die in de kroongetuige-overeenkomst zijn opgenomen. OvJ BB betwist in de brief dat hij zou hebben gezegd dat hij zich niet goed kon herinneren wat er destijds is afgesproken met betrekking tot de WWM-zaak. Hij heeft in deze reactie de beschikking van de RC van 29 december 2017 betrokken en schrijft hierover, voor zover relevant:

“(…) Zoals destijds bij het ondertekenen van de deal ten overstaan van de rechtercommissaris door uw cliënt, door diens advocaat en door mij bevestigd, zijn er in aanvulling op het bovenstaande geen nadere afspraken gemaakt." (…)
 

"Er is wel gesproken over de omstandigheid dat uw cliënt naar alle omstandigheid niet in aanmerking zou komen voor detentiefasering / een penitentiair programma. Of en zo ja in welke vorm hiervoor compensatie geboden zou kunnen worden is tijdens de onderhandelingsfase evenwel nooit concreet geworden. (...) Aangezien er geen concrete afspraken over gemaakt konden worden zijn deze ook niet gemaakt. Schriftelijk, noch mondeling. In lijn met het vorenstaande is er door mij ook geen toezegging gedaan.(…)”

3.52 In een e-mailbericht van 6 maart 2022 hebben de advocaten van klagers verweerder nogmaals gevraagd om het volledige dossier aan hen te verstrekken. Mr. CC schrijft daarbij aan verweerder, voor zover relevant:

“(…) In het toetsings PV staat slechts dat het OM in appel een lagere straf zal eisen, maar dat is toch geen schriftelijke afspraak over de verdiscontering van de in die zaak uitgezeten gevangenisstraf? In jouw in het rood geschreven antwoorden zeg je dat het "voor het overige dan via art 63 en in de executiefase kon worden verdisconteerd'' en vestig je wederom de aandacht op "nadere afspraken en bevestiging". Onze vraag is waar en door wie is dan bevestigd dat zo'n (kort gezegd) verrekening zou plaatsvinden? Wij hebben uiteraard jouw antwoorden met cliënt besproken. Hij betwist uitdrukkelijk dat hetgeen het OM en jij stellen, nl dat er geen nadere afspraken zijn gemaakt over de verrekening van de tijd die in de wapenzaak is uitgezeten, juist zou zijn. Cliënt stelt dat hierover mondelinge afspraken zijn gemaakt, die later schriftelijk zijn vastgelegd. Voor dit standpunt zijn wel duidelijke aanwijzingen te vinden in bijv de aantekeningen die [mr. AA] heeft gemaakt n.a.v. de besprekingen met het OM en in andere stukken. Dat geldt ook voor de kwestie van de detentiefasering.

Mails/berichten

Wij hebben nog steeds de indruk dat wij niet beschikken over alle correspondentie die in die fase is gevoerd. Alhoewel het natuurlijk erg moeilijk is om te duiden wat er mist als je daar niet over beschikt, zullen wij een paar voorbeelden geven.
 

Wij beschikken niet of nauwelijks over correspondentie die is gevoerd tussen de betrokken OvJ's en waar jullie (jij en/of [mr. AA] in de cc zijn meegenomen, correspondentie tussen jou en [mr. AA] en andere betrokken advocaten onderling en evt anderen) en ook hebben wij niet het appverkeer tussen jou/[mr. AA] en de betrokken Officieren. Ik doel dan op de zakelijke appjes. Graag jouw reactie hierop.
 

(…)”.

3.53 In een e-mailbericht van 8 maart 2022 heeft verweerder hierop gereageerd. Verweerder heeft in dit bericht een uitdraai verstrekt van meer dan vierhonderd WhatsAppberichten die tussen januari 2017 en november 2018 zijn verzonden tussen verweerder en de betrokken OvJ’s.

3.54 Op 17 maart 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en de advocaten van klager. Na afloop hiervan heeft verweerder een op 18 maart 2022 opgemaakt gespreksverslag van de advocaten van klager ontvangen. Tussen de advocaten van klager en verweerder is hierna discussie ontstaan over dit verslag waarbij verweerder heeft laten weten dat hij het niet eens is met de inhoud en dat hij geen toestemming geeft voor verspreiding.

3.55 De advocaten van klager hebben vervolgens op 20 mei 2022 hun onderzoekswensen in het proces bij de RC kenbaar gemaakt en verzocht om voeging van stukken.

3.56 In een brief van 17 juni 2022 heeft OvJ BB in een brief aan de RC geschreven. Hierin staat, voor zover relevant:

“(…) Tijdens de rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris op 27 december 2017 is nog uitdrukkelijk stilgestaan bij de vraag wat er tussen partijen is besproken ten aanzien van de WWM-zaak die op dat moment nog onder de rechter was. De rechter commissaris heeft hierover een uitgebreide (en uitputtende) passage opgenomen in zijn beschikking van 29 december 2017. Tijdens de rechtmatigheidstoets is door alle partijen verklaard dat er geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt.

De enige uitzondering hierop betreft hetgeen is afgesproken ten aanzien van de mogelijke wijziging van de VI regeling. De reden waarom deze afspraak niet op papier is gezet, heb ik verwoord in mijn proces-verbaal van 17 juni 2021: dit betrof eind 2017 nog een onzekere omstandigheid. Ten aanzien van het gemeenschappelijke uitgangspunt over deze kwestie (zoals verwoord in genoemd proces-verbaal) is door het OM steeds de kanttekening gezet dat het laatste woord daarover aan de rechter is. De aangehaalde notitie heb ik nooit gezien en kan ik ook niet plaatsen in enig gesprek dat ik ooit met [mr. AA] en/of zijn cliënt heb gevoerd. (…)

Eerder heeft mijn (voormalig) collega officier van justitie belast met getuigenbescherming bij brief van 4 oktober 2021 verklaard dat er geen aanvullende of andersluidende afspraken gemaakt zijn met de kroongetuige. Daarenboven heeft [verweerder], destijds als advocaat betrokken bij de totstandkoming van de overeenkomst, geconfronteerd met genoemde notitie, recentelijk aan mij bevestigd dat er ook in zijn beleving en herinnering geen aanvullende afspraken zijn gemaakt in de thans door de raadslieden van de kroongetuige gesuggereerde zin. [Verweerder] is ervan op de hoogte en stemt ermee in dat ik dat in deze brief kenbaar maak.(…)”.

3.57 Op 26 juni 2022 is de overdrachtsmemo door de advocaten van klagers aan de rechtbank overgelegd, met daarbij het verzoek om verweerder als getuige te horen.

3.58  Op 2 augustus 2022 is er een verzoek om bemiddeling met verweerder ingediend door klagers advocaten. Verweerder stond hiervoor open, maar bemiddeling heeft onder meer om logistieke redenen niet plaatsgevonden.

3.59 In een e-mailbericht van 21 oktober 2022 heeft de deken aan verweerder bericht dat hij zijn verschoningsrecht als getuige in deze zaak deels mag doorbreken. De RC heeft hierover verklaard voor zover relevant:

“U heeft de deken om advies gevraagd naar aanleiding van het e-mailbericht van 5 oktober 2022 van de RC waarin u wordt gevraagd of u zich bij gelegenheid van het verhoor als getuige gaat beroepen op uw verschoningsrecht. (…) Gezien de omstandigheden van het onderhavige geval (…) meen ik dat in dit specifieke geval sprake is van een uiterst klemmende situatie die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigt. Ik wijs er daarbij wel op dat dit naar mijn mening alleen geldt voor het verklaren over de mogelijke tegenstelling tussen wat de officier van justitie namens u in zijn brief van 17 juni 2022 schrijft en wat u op 17 maart 2022 blijkens het gespreksverslag tegenover de advocaten van [klager] zou hebben gezegd. (…)”.

3.60 Op 9 november 2022 heeft er een verhoor van verweerder bij de RC plaatsgevonden. Bij de beantwoording van een aantal vragen heeft verweerder zich beroepen op zijn verschoningsrecht.

3.61 Op 30 november 2022 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

3.62 Bij brief van 21 december 2022 heeft de gemachtigde van klager verweerder aansprakelijk gesteld voor de schade die klager zou hebben geleden als gevolg van het handelen van verweerder.

3.63 Op 27 februari 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de strafzaak van klager. In het vonnis overweegt de rechtbank met betrekking tot de strafmaat, voor zover relevant:

“De ernst van de feiten waarvoor [verdachte] wordt veroordeeld rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. De basis-strafeis van het Openbaar Ministerie zoals die in de overeenkomst is opgenomen - vierentwintig jaren gevangenisstraf - was ten tijde van het sluiten van die overeenkomst in 2017 op zichzelf een passende straf voor de bewezen verklaarde feiten. Op dit moment - ruim zes jaren verder - is deze inmiddels aan de lage kant. Toch gaat de rechtbank bij het bepalen van een passende straf uit van de overeengekomen vierentwintig jaren.
(...)

 

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de basis-strafeis van het Openbaar Ministerie zoals die in de overeenkomst is opgenomen - vierentwintig jaren gevangenisstraf - op zichzelf een passende straf Is voor de bewezen verklaarde feiten. Er heeft zich echter tijdens het strafproces een aantal omstandigheden voorgedaan, die invloed hebben op deze basis-straf. Dit betreft in ieder geval de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 Sr. Bovengenoemde bijzondere omstandigheden rechtvaardigen een substantieel lagere (basis-)gevangenisstraf.
Alles afwegend acht de rechtbank de (basis)gevangenisstraf van twintig jaren, waar ook het Openbaar Ministerie van uit is gegaan, redelijk. Gelet op de vermindering van de straf met de helft acht de rechtbank - alle hiervoor genoemde omstandigheden afwegend - een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van de tijd die [verdachte] al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend. De rechtbank zal aan [verdachte) een gevangenisstraf van tien jaren opleggen.”


4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:

a) in strijd met gedragsregel 12 te hebben gehandeld, door de aan hem opgedragen taak, te weten namens klager met het OM onderhandelen over de voorwaarden van de overeenkomst in de zin van art. 226g Sv en deze vast te leggen, niet zorgvuldig te behandelen;

b) (…) 

c) zijn geheimhoudingsplicht in de zin van art. 11a Advocatenwet en gedragsregel 3 te hebben geschonden. Zonder voorafgaand overleg en toestemming van klager heeft verweerder toestemming gegeven voor de verspreiding van vertrouwelijke informatie in een brief van de officier van justitie aan de rechter-commissaris;

d) (…) 

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a) en b) 
5.1    De raad heeft vastgesteld dat de klachtonderdelen a) en b) zien op het verwijtbaar handelen van verweerder rondom de totstandkoming van de kroongetuige-overeenkomst en het (daarin) al dan niet vastleggen van de volgende drie onderwerpen: de toepassing de (oude) v.i. regeling, een compensatie voor het niet kunnen benutten van de detentiefasering en de aftrekbaarheid van de voorlopige hechtenis in de WWM-zaak. Daarbij stelt klager dat verweerder ook al eerder zou hebben geweten dat zijn kluisverklaringen in het dossier van de medeverdachte DD terecht zouden komen, maar dat hij deze wetenschap toen niet meteen met klager zou hebben gedeeld. Ook dit had verweerder beter moeten vastleggen in de deal, aldus klager.

5.2    In de beschikking van 29 december 2017 heeft de RC de rechtmatigheid van de kroongetuige-overeenkomst getoetst. In die beschikking staat dat zowel klager als het OM op 27 december 2017 bij de RC hebben verklaard dat er “geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt, die voor het onderzoek in de zaken waarin de door klager af te leggen getuigenverklaringen zouden kunnen worden gebruikt, van betekenis zijn.” Daarbij is door de RC expliciet de opmerking gemaakt dat er tijdens het verhoor is toegelicht dat het OM, in het geval van totstandkoming van de kroongetuige-overeenkomst, in het lopende hoger beroep tegen de veroordeling van klager voor het bezit van vuurwapens, een lagere straf dan in eerste aanleg zou eisen. Met andere woorden: los van de afspraak over de eis van het OM in hoger beroep in de WWM-zaak, zijn er, blijkens de inhoud van deze beschikking, voor de toets bij de RC op 27 december 2017 geen andere aanvullende afspraken met elkaar vastgelegd, dan de kroongetuige-overeenkomst bevat. Zoals ook uit de beschikking blijkt, en verweerder heeft aangevoerd, was klager bij deze toets aanwezig en droeg hij vanaf dat moment, 27 december 2017, dan ook kennis over hetgeen hierover was vastgelegd. Klager wist vanaf toen dus dat er geen andere afspraken op schrift waren gesteld (over de vi-regeling, een mogelijke strafcompensatie of de aftrek van de voorlopige hechtenis in de WMM-zaak). Verweerder heeft hierover desgevraagd ook herhaaldelijk in diverse berichten aan klager (en zijn advocaten) gelijkluidend verklaard. Door hierover pas op 30 november 2022, dus ruim vijf jaar later, een klacht bij de deken in te dienen, heeft klager naar het oordeel van de raad de in de Advocatenwet (Aw) genoemde termijn van drie jaar ruimschoots overschreden en zijn de klachtonderdelen a) en b) niet-ontvankelijk. Voor zover klager in deze klachtonderdelen verweerder ook verwijt dat hij de afspraken over de voorwaarden voor het zijn van kroongetuige (en de hiermee gepaarde gaande veiligheidsmaatregelen) niet goed zou hebben vastgelegd, is dit verwijt naar het oordeel van de raad eveneens niet-ontvankelijk gelet op de hiervoor genoemde driejaarstermijn. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat verweerder al eerder wist dat de kluisverklaringen van klager in het dossier van DD zouden worden gevoegd. De raad overweegt in dit verband dat klager er ook vanaf 27 december 2017 mee bekend was, en voor heeft getekend, dat de door hem afgelegde getuigenverklaringen op enig moment in een strafonderzoek konden worden gebruikt. Vervolgens is er op 15 februari 2018 door het OM aan klager en verweerder medegedeeld dat de kluisverklaringen in het onderzoek van DD zouden worden betrokken. Uit niets blijkt dat verweerder al eerder hiervan zou hebben geweten, maar dit toen niet meteen met klager zou hebben gedeeld. Het door klager aangehaalde transscript van een gesprek tussen verweerder en de broer van klager, maakt dit niet anders, nu dit – los van de inhoud – een ongedateerd verslag betreft en niet kan worden vastgesteld wanneer dit gesprek zou hebben plaatsgevonden.

5.3    Dat klager pas op 24 januari 2022 kennis zou hebben genomen van het verwijtbaar handelen van verweerder, omdat hij er tijdens een gesprek met het OM op die datum (pas) achter kwam dat de eerder door verweerder bij hem gewekte indruk (over het bestaan van de afspraken rond de v.i. regeling) onjuist was, is de raad evenmin gebleken. De raad weegt hierin mee dat uit de overdrachtsmemo’s van verweerder en zijn opvolgend advocaat, de handgeschreven aantekeningen van mr. AA en de e-mailberichten van 7 en 21 juli 2021 gewisseld tussen mr. AA en OvJ BB, volgt dat er door de advocaten van verweerder wel met het OM is gesproken over die onderwerpen. Weliswaar is gebleken dat er een intentie bestond om dit nog nader vast te leggen, maar niet dat er toen al “harde” afspraken met elkaar waren gemaakt waarover verweerder klager op enig moment anders zou hebben geïnformeerd.

5.4    De door klager aangehaalde WhatsApp-gesprekken tussen verweerder en OvJ BB, waarop klager in het kader van de ontvankelijkheid een beroep heeft gedaan, leiden naar het oordeel van de raad evenmin tot de ontvankelijkheid van de klachtonderdelen a) en b). Weliswaar is klager pas later, te weten op 8 maart 2022, bekend geraakt met deze berichten, maar de inhoud hiervan leidt naar het oordeel van de raad er niet toe dat klager toen (pas) bekend zou zijn geraakt met het vermeende verwijtbaar handelen van verweerder en zijn opstelling rondom de afspraken, dan wel hetgeen hierover al dan niet door verweerder zou zijn toegezegd of vastgelegd. Voor zover klager met deze berichten zijn standpunt dat verweerder te veel “op schoot bij het OM zat” heeft willen onderbouwen, overweegt de raad dat deze interpretatie door verweerder gemotiveerd is betwist en dit ook overigens niet (direct) ter zake doet bij een beoordeling van de klachtonderdelen. De raad weegt hierin mee dat klager heeft nagelaten te concretiseren welke (passages uit deze) berichten hiertoe van enige relevantie zouden kunnen zijn en waarom dit tot een ander oordeel met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klachtonderdelen a) en b) zou moeten leiden.  De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat evenmin sprake is van een situatie als bedoeld in lid 2 van artikel 46g Advocatenwet, waarin een klager pas later met de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat bekend is geworden.

5.5    Ook is de raad niet gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. De klachtonderdelen a) en b) zijn daarom op grond van artikel 46g lid 1 onder a niet-ontvankelijk waardoor de raad niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de klachtonderdelen a) en b).

5.6    De in de klachtonderdelen c) en d) aan klager gemaakte verwijten, zijn naar het oordeel van de raad wel ontvankelijk nu deze verwijten zien op het vermeend verwijtbaar handelen vanaf het najaar in 2020, het moment dat de huidige gemachtigde klager is gaan bijstaan. Deze klachtonderdelen heeft de raad inhoudelijk beoordeeld. 

Klachtonderdeel c)

5.7    In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerder dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Klager doelt hierbij op de brief van 17 juni 2022 waarin OvJ BB aan de RC heeft geschreven dat er (ook) in de herinnering van verweerder geen aanvullende afspraken (rondom de kroongetuige-overeenkomst) waren gemaakt. Daarbij heeft verweerder er blijkens deze brief mee ingestemd dat dit zo in de brief zou worden opgenomen. Klager vindt dit tuchtrechtelijk verwijtbaar nu hij geen toestemming aan verweerder had gegeven om deze vertrouwelijke informatie met de OvJ te delen en verweerder heeft hierover ook geen overleg met klager gevoerd. Daarnaast heeft verweerder het OM ingelicht over de gemoedstoestand van klager. Verweerder heeft klager in een WhatsApp-bericht van 8 december 2017 [correctie hof: dit moet zijn: 8 februari 2018] aan OvJ BB omschreven als [griffier: geanonimiseerd]. Verweerder had ook hiervoor geen toestemming aan klager gevraagd. Door deze informatie wel door te spelen, zonder dit vooraf met klager te overleggen, schond verweerder eveneens zijn geheimhoudingsplicht, aldus klager. De raad stelt vast dat OvJ BB in zijn brief van 17 juni 2022 aan de RC heeft geschreven dat verweerder hem recentelijk had bevestigd dat er rondom de kroongetuige-overeenkomst “ook in zijn beleving en herinnering geen aanvullende afspraken waren gemaakt”. Daarbij had verweerder er, zo staat vervolgens in de brief, mee ingestemd dat OvJ BB deze bevestiging van verweerder in de betreffende brief zou citeren. Naar het oordeel van de raad had verweerder, alvorens er mee in te stemmen dat zijn herinnering aan de inhoud van de gemaakte afspraken in de brief van OvJ BB werd opgenomen, in overleg moeten treden met zijn cliënt. De stelling van verweerder dat OvJ BB “slechts” zou hebben opgeschreven wat hij al wist, namelijk wat hij met verweerder had besproken, en dat het door verweerder hiervoor toestemming geven daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar kan zijn, gaat in het voorliggende geval niet op. Mede gelet op de uiteenlopende standpunten van verweerder en klager over hetgeen waarop het bewuste citaat ziet (namelijk het al dan niet bestaan van afspraken of toezeggingen rondom de kroongetuige-overeenkomst) en de discussies die hieraan vooraf waren gegaan, had verweerder zich moeten realiseren dat een bevestiging van (zijn begrip van) de inhoud van de gemaakte afspraken, in strijd zou kunnen komen met het andersluidende standpunt van klager omtrent de inhoud van diezelfde afspraken. Dit had verweerder ertoe moeten bewegen om klager vooraf om toestemming te vragen, of klager er in ieder geval bij te betrekken, dan wel hem te raadplegen. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar. Nu de raad niet heeft kunnen vaststellen dat verweerder klager bewust niet heeft betrokken bij zijn handeling en in de veronderstelling verkeerde klager hiermee juist een dienst te bewijzen, is van een schending van de geheimhoudingsplicht, zoals klager verweerder verwijt, geen sprake. Wel ziet de raad dat verweerder hiermee niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Klachtonderdeel c) is daarom in zoverre gegrond.

5.8    Het in dit klachtonderdeel eveneens aan verweerder gemaakte verwijt dat hij door aan OvJ BB mede te delen dat klager [griffier: geanonimiseerd] zou zijn, (ook) zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden, acht de raad ongegrond. De raad weegt hierin mee dat de betreffende uitlating moet worden bezien in de context van de totstandkoming van de kroongetuige-overeenkomst waarin er veel op het spel stond en alle partijen, klager in het bijzonder, (vanzelfsprekend) gespannen waren. Dat verweerder hierover op enig moment een uitlating richting OvJ BB heeft gedaan, acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De raad weegt hierin mee dat niet valt in te zien op welke wijze verweerder, met het doen van deze uitlating, zijn geheimhoudingsplicht jegens klager zou hebben geschonden. Klachtonderdeel c) is daarom in zoverre ongegrond verklaard door de raad.

Maatregel 

5.9  De raad heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door niet te handelen met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De raad heeft bij het bepalen van de op te leggen maatregel de aard van de verweten gedraging, de bijzondere situatie waarin verweerder heeft gehandeld en het feit dat verweerder een schoon tuchtrechtelijk verleden kent in aanmerking genomen. De raad heeft alles overziend een waarschuwing op zijn plaats geacht. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van klachtonderdeel a) 

6.1    Klager stelt allereerst dat hij ten aanzien van klachtonderdeel a) ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover dit klachtonderdeel ziet op het niet zorgvuldig handelen van verweerder waarvan klager eerst kennis heeft kunnen nemen nadat hij de Whatsapp-berichten van verweerder ontving op 8 maart 2022. Klager heeft binnen één jaar na deze datum zijn klacht over verweerder ingediend en daarom is hij in zijn klacht ontvankelijk. 

6.2    Uit deze Whatsapp-berichten tussen verweerder en het OM blijkt dat verweerder zich niet op zorgvuldige wijze van zijn taak gekweten heeft. Klager wijst hierbij specifiek op berichten van verweerder van 25 april 2018 [griffier: geanonimiseerd],11 oktober 2018 [griffier: geanonimiseerd]  en 15 oktober 2018 [griffier: geanonimiseerd].

6.3     Deze berichten staan volgens klager haaks op partijdige rechtsbijstand. Het aanbod van verweerder om [griffier: geanonimiseerd].  


Ten aanzien van het ongegrond verklaarde gedeelte van klachtonderdeel c) 

6.4    Volgens klager is klachtonderdeel c) ten onrechte ongegrond verklaard voor zover het gaat over het delen van de gemoedstoestand van klager. Dit klachtonderdeel heeft een zekere overlap met klachtonderdeel a) omdat dit ook is gebleken uit de Whatsappberichten die op 8 maart 2022 aan klager ter hand zijn gesteld. De betreffende uitlating is door verweerder gedaan toen klager de Staat nog in onderhandeling waren. Verweerder had [griffier: geanonimiseerd] en in ieder geval niet zonder toestemming van klager [griffier: geanonimiseerd]. Kennis over hoe iemand functioneert tijdens onderhandelingen is volgens klager simpelweg gevoelig, vertrouwelijk en geheim. Daarbij was er sprake van grote ongelijkheid in posities. Verweerder had zorgvuldiger behoren te handelen. Verweerder heeft dat niet gedaan en daarbij ook zijn geheimhoudingsplicht geschonden. 


Beroepsgronden verweerder

Ten aanzien van het gegrond verklaarde gedeelte van klachtonderdeel c) 

6.5    Volgens verweerder heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door aan OvJ BB toestemming te geven om in zijn brief aan de rechter-commissaris d.d. 17 juni 2022 te vermelden dat hij contact had gehad met verweerder en dat ook in verweerders beleving en herinnering geen aanvullende afspraken zijn gemaakt over de verdiscontering in de WWM-zaak, zonder daarover eerst contact te zoeken met de toenmalige raadslieden van klager. 

6.6    Volgens verweerder blijft klager tegen beter weten in volhouden dat er andersluidende afspraken waren. Wat verweerder heeft verklaard is de waarheid en klager en zijn raadslieden hebben dat meermalen van verweerder gehoord. Verweerder heeft bij herhaling verklaard dat er geen nadere afspraken zijn gemaakt tussen het OM en klager over de verdiscontering van de tijd die klager in de WWM-zaak in detentie heeft doorgebracht: 

-op 27 december 2017 bij de toets van de deal door de rechter-commissaris, waarbij klager aanwezig was; 

-in diverse mails, telefoongesprekken, in een bijeenkomst met de raadslieden van klager op 17 maart 2022 en uiteindelijk als getuige bij de rechter-commissaris op 9 november 2022.

6.7    In de bijeenkomst van verweerder met de raadslieden van klager op 17 maart 2022 hebben de raadslieden van klager toestemming gegeven aan verweerder om nogmaals in contact te treden met  OvJ BB. Doel daarvan was onder meer om te beproeven of een andere manier van compensatie van de detentie in de wapenzaak tot de mogelijkheden zou behoren. Verweerder verkeerde in de veronderstelling dat OvJ BB de mededeling in zijn brief kon doen omdat ook de raadslieden van klager al meermalen van verweerder hadden gehoord dat dit de waarheid is. Verweerder kan niet begrijpen hoe het benoemen van de waarheid binnen de context van deze zaak en het feit dat verweerder deze waarheid ook meerdere malen aan de raadslieden van klager kenbaar had gemaakt, op enige wijze onzorgvuldig is.


Ten aanzien van de opgelegde maatregel

6.8    In het geval het hof tot de conclusie mocht komen dat verweerder op een onderdeel van de door hem verleende rechtsbijstand onzorgvuldig heeft gehandeld, past in deze zaak geen maatregel met de daarbij horende proces- en griffiekosten. Verweerder heeft zijn rechtsbijstand van klager in november 2018 overgedragen aan zijn opvolger. De gevolgen van deze rechtsbijstand zijn nog altijd voelbaar. [griffier: geanonimiseerd]. Verweerder heeft meegewerkt aan een zorgvuldige overdracht van het dossier aan de opvolgende raadslieden en ook na zijn overstap naar de rechterlijke macht nog tientallen uren besteed aan de zaak zonder enige vorm van compensatie. 


Verweer 

6.9    Partijen hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.


Overwegingen hof

Zitting achter gesloten deuren 

7.3  Voorafgaand aan de zitting is door de gemachtigde van verweerder het verzoek gedaan om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Bij aanvang van de zitting zijn partijen over dit verzoek gehoord. Het hof heeft beslist dat het verzoek om een zitting achter gesloten deuren wordt gehonoreerd. Het hof licht dit als volgt toe. 

7.4 Het uitgangspunt is dat zittingen bij het hof van discipline openbaar zijn. Het belang van openbaarheid – en daarmee transparantie van de procedure en het ter zitting gevoerde partijdebat – staat volgens het hof in beginsel voorop. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden gemaakt (artikel 5.1 Procesreglement van het hof van discipline). Zulke uitzonderlijke omstandigheden zijn in deze procedure volgens het hof aan de orde. 

7.5    Een deel van de klacht van klager over verweerder hangt samen met tussen verweerder en OvJ BB gedeelde WhatsApp-berichten en gevoerde (onderhandelings)gesprekken. Afgezet tegen de achtergrond van deze gesprekken en berichten (bijstand van klager door verweerder gedurende het overleg over de voorwaarden van de kroongetuige-overeenkomst) acht het hof het van belang dat partijen tijdens het onderzoek ter zitting vrijuit kunnen praten zonder dat het risico bestaat dat de inhoud van hetgeen is besproken en via WhatsApp is gedeeld (deels) in de (sociale) media terecht komt. Het hof oordeelt dat vanwege deze specifieke situatie het belang van het vrije partijdebat zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van de zitting. 


Beroepsgronden van klager  

Ten aanzien van klachtonderdeel a) 

Klager is gedeeltelijk ontvankelijk 

7.6  Door klager is gesteld dat hij ontvankelijk is voor zover klager dit klachtonderdeel baseert op de WhatsApp-berichten tussen verweerder en OvJ BB. Klager voert aan dat hij eerst op 8 maart 2022 van de inhoud van die berichten kennis heeft kunnen nemen en vervolgens tijdig (binnen één jaar na deze datum) de klacht over verweerder heeft ingediend. 

7.7 De raad heeft klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard. Klagers beroep hiertegen, voor zover dit op de tussen verweerder en het OM in de periode januari 2017 en  november 2018 gewisselde WhatsApp-berichten ziet, treft doel. Op 8 maart 2022 heeft klager meer dan vierhonderd WhatsApp-berichten ontvangen die in de periode januari 2017 – november 2018 tussen verweerder en het OM zijn gewisseld. Klager kon niet eerder dan op 8 maart 2022 kennis nemen van de inhoud van deze berichten. De inhoud van deze (meer dan vierhonderd) berichten betreft – in tegenstelling tot wat verweerder stelt – nieuwe informatie die klager niet eerder dan 8 maart 2022 bekend was en die klager ook niet eerder dan 8 maart 2022 kon gebruiken voor de onderbouwing van zijn klacht. Het moment dat klager kennis had kunnen nemen van deze berichten is bepalend om de ontvankelijkheid van dit klachtonderdeel te beoordelen en niet de data waarop deze berichten zijn verstuurd.  

7.8    Dit betekent dat klager op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet ontvankelijk is voor zover klachtonderdeel a) is onderbouwd met de Whatsapp-berichten tussen verweerder en het OM die hij op 8 maart 2022 ontvangen heeft. Het hof zal dit klachtonderdeel hierna inhoudelijk toetsen.  


Onzorgvuldige handelwijze van verweerder 

7.9 Ter onderbouwing van het hiervoor in randnummer 7.8 ontvankelijk verklaarde gedeelte van klachtonderdeel a) heeft klager specifiek uit een aantal van de meer dan vierhonderd WhatsApp-berichten die verweerder met de betrokken OvJ’s heeft gewisseld geciteerd: 

[griffier: geanonimiseerd] (25 april 2018);

[griffier: geanonimiseerd] (11 oktober 2018);

[griffier: geanonimiseerd]  (15 oktober 2018). 

7.10 Volgens klager laten deze berichten zien dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld en geen partijdige rechtsbijstand heeft verleend. Klager voert verder aan dat hij niet bekend was met de berichten en daar ook geen akkoord voor heeft gegeven. 

7.11 Deze beroepsgrond slaagt voor zover dit klachtonderdeel steunt op (de inhoud van) 
de WhatsApp-communicatie van verweerder met de betrokken OvJ’s.   

7.12      Tijdens het onderzoek ter zitting is het hof gebleken dat verweerder niet vooraf overleg heeft gevoerd met klager over het versturen en de inhoud van de WhatsApp-berichten die verweerder aan OvJ BB heeft gestuurd. Verweerder heeft klager geen concepten van zijn berichten laten lezen en evenmin de reacties daarop van de OvJ’s. Ook heeft hij de hoofdlijnen daarvan niet met klager afgestemd. De WhatsApp-conversatie tussen verweerder en de betrokken OvJ’s van meer dan 400 berichten heeft volledig buiten klager om plaatsgevonden. Klager is daar op geen enkel moment door verweerder in meegenomen of over geïnformeerd. Voor zover verweerder zich erop heeft beroepen dat hij vanwege de specifieke situatie niets op papier heeft gezet van wat hij met klager besprak, oordeelt het hof dat die omstandigheid niet tot gevolg zou mogen hebben dat verweerder zijn cliënt niet informeert en hij de berichten niet met hem deelt. 
Verweerder heeft aangevoerd dat hij met regelmaat de strategie van de onderhandelingen en gesprekken met OvJ BB heeft besproken met klager, die daarmee ook steeds akkoord was volgens verweerder, en dat klager op de hoogte was van zijn werkrelatie met de betrokken OvJ’s. Klager betwist dit en ook uit het dossier blijkt dat niet. Uit de inhoud van de berichten en het dossier blijkt dat verweerder die berichten niet met klager heeft gedeeld (ook de belangrijkste niet) en hem daarover ook niet heeft geïnformeerd. Het is dan ook feitelijk onjuist dat verweerder alles met klager heeft besproken, want klager kende de (inhoud van de) berichten niet. Verweerder had klager voorafgaande toestemming behoren te vragen voor de aard en de strekking van de berichten die verweerder aan de betrokken OvJ’s wilde sturen en verweerder had klager in staat moeten stellen om kennis te nemen van de inhoud van zijn WhatsApp-berichten aan/van die OvJ’s.
Verweerder heeft verder nog aangevoerd dat zijn WhatsApp-berichten bedoeld waren om het contact met OvJ BB goed te houden. Dat beoogde doel – wat daar verder ook van zij – ontslaat verweerder evenmin van zijn verplichting om zijn cliënt – klager – op de hoogte te houden en over de inhoud van de berichten te informeren. Verweerder had tenminste de door hem gestelde aanpak en strategie eerst met klager moeten bespreken en klager had de gelegenheid moeten krijgen daar akkoord op te geven. 

7.13 Door dit gebrek aan communicatie van verweerder begrijpt het hof dat klager – die wel wist van het contact van verweerder met OvJ BB maar niet van de nauwe werkrelatie zoals die blijkt uit de berichten – door de inhoud van die berichten het gevoel heeft gekregen dat verweerder met het goed houden van de relatie met OvJ BB zijn partijdige positie uit het oog is verloren. Juist die indruk had verweerder in de precaire situatie waarin klager zich bevond (klager was voor informatie volledig afhankelijk van verweerder) moeten voorkomen door klager mee te nemen in de achterliggende beweegredenen van verweerder bij zijn berichten aan en contacten met OvJ BB. 

7.14     Uit het voorgaande volgt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de ratio en strekking van de gedragsregels 12 en 16 en niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het hof acht de handelwijze van verweerder temeer verwijtbaar omdat klager vanaf het moment van zijn aanhouding geheel afhankelijk was van de informatieverstrekking door verweerder over de onderhandelingen en totstandkoming van de kroongetuige-overeenkomst met het OM. Verweerder heeft daar – gelet op zijn handelwijze – onvoldoende oog voor gehad. 

Ten aanzien van klachtonderdeel c) 

Delen van informatie over gemoedstoestand klager is in strijd met de geheimhoudingsplicht 

7.15 De door klager aangevoerde beroepsgrond tegen dit klachtonderdeel verstaat het hof mede als een beroep gericht tegen de klachtomschrijving door de raad. Klager voert aan dat dit klachtonderdeel ook de uitlatingen van verweerder over de gemoedstoestand van klager omvat. Deze beroepsgrond slaagt. Klager heeft in zijn oorspronkelijke klachtomschrijving bij dit klachtonderdeel expliciet gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met zijn geheimhoudingsplicht door informatie over zijn gemoedstoestand te delen met het OM. Uit de beoordeling van dit klachtonderdeel door de raad met betrekking tot de informatie over de gemoedstoestand en het verweerschrift en de dupliek van verweerder (ingebracht in het onderzoek van de deken) volgt volgens het hof dat ook de raad en verweerder de uitlatingen van verweerder over de gemoedstoestand van klager beschouwen als deel uitmakend van klachtonderdeel c). Klachtonderdeel c) is derhalve door de raad te beperkt omschreven. Klager heeft in het hoger beroep beroepsgronden aangevoerd tegen het oordeel van de raad met betrekking tot het delen van de informatie over de gemoedstoestand van klager met het OM. Ook in hoger beroep heeft verweerder zich in zijn verweer uitgelaten over het verwijt dat hij informatie over de gemoedstoestand van klager heeft gedeeld met het OM. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof tot een ruimere omschrijving van klachtonderdeel c) komt dan de raad. Het hof constateert, gelet op het vorenstaande, dat partijen hierdoor niet in hun processuele belangen worden geschaad.

7.16     De ratio van gedragsregel 3 is dat de geheimhoudingsplicht van de advocaat mede de persoon van zijn cliënt betreft. Het hof verstaat onder de persoon van de cliënt ook diens gemoedstoestand. 

7.17 Verweerder heeft op 8 februari 2018 in een WhatsApp-bericht aan OvJ BB laten weten: 

[griffier: geanonimiseerd]. 

en op 11 oktober 2018:

[griffier: geanonimiseerd] 

7.18 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder zich met deze uitspraken uitgelaten over de gemoedstoestand van klager terwijl niet is gebleken dat verweerder dit met voorafgaande toestemming van klager heeft gedaan. Het betreft bovendien precaire informatie over klager. Verweerder had zich er daarom extra van bewust behoren te zijn dat hij die informatie niet zonder voorafgaande instemming van klager met OvJ BB mocht delen. Verweerder heeft met de inhoud van zijn bericht aan OvJ BB – waarvoor hij geen voorafgaande toestemming had gekregen van klager – in strijd gehandeld met zijn geheimhoudingsplicht (artikel 11a Advocatenwet), de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid (artikel 10a, lid 1, onderdeel b en e Advocatenwet) en met de ratio en strekking van gedragsregels 3 en 12. 


7.19 Verweerder heeft aangevoerd dat hij deze uitlatingen heeft gedaan uit zorg voor klager. Dat verweer is echter – hoezeer wellicht ook te begrijpen – niet voldoende om het vereiste van voorafgaande toestemming van klager te passeren. Verweerder had moeten uitleggen aan klager waarom hij die informatie met de OvJ BB wilde delen waarna klager de afweging had kunnen maken of verweerder zijn gemoedstoestand bij OvJ BB mocht benoemen. Die mogelijkheid heeft verweerder klager ontnomen. De stelling van verweerder doet aan de gegrondverklaring van de klacht niet af.


Beroepsgronden van verweerder

Ten aanzien van het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel c) 

Verweerder had voorafgaande toestemming nodig van klager voor delen vertrouwelijke informatie in brief van de OvJ aan de RC

7.20 Het beroep van verweerder is gericht tegen het oordeel van de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar (want onzorgvuldig) heeft gehandeld doordat verweerder zonder voorafgaand overleg met en toestemming van klager aan OvJ BB toestemming heeft gegeven om vertrouwelijke informatie op te nemen in een brief van OvJ BB van 17 juni 2022 aan de RC. In deze brief van OvJ BB staat dat verweerder recentelijk aan OvJ BB had bevestigd dat er ook in zijn beleving geen aanvullende of andersluidende afspraken in de door de advocaten van klager gesuggereerde zin waren gemaakt. 

7.21 Verweerder acht deze uitlating van hem niet tuchtrechtelijk verwijtbaar omdat dit ook tijdens zijn eerdere ontmoeting op 17 maart 2022 met de advocaten van klager is besproken en in dat gesprek aan verweerder toestemming was gegeven om over deze kwestie nogmaals in contact te treden met OvJ BB. Wat OvJ BB vervolgens na zijn gesprek met verweerder heeft opgenomen in de brief aan de rechter-commissaris was volgens verweerder bovendien de waarheid die klager en zijn advocaten ook bekend was. Het delen van de waarheid kan volgens verweerder niet onzorgvuldig zijn. 

7.22     Dit beroep van verweerder slaagt niet. Verweerder miskent dat het niet gaat om wat OvJ BB heeft opgenomen in de brief maar dat verweerder daar akkoord op heeft gegeven zonder dit eerst aan klager voor te leggen. Dat had verweerder wel behoren te doen, juist ook omdat de advocaten van klager destijds (2017-2018) niet betrokken waren bij de totstandkoming van de kroongetuige-overeenkomst. Het feit dat de advocaten van klager aan verweerder toestemming hadden gegeven om (opnieuw) in gesprek te gaan met OvJ BB over bepaalde componenten van de kroongetuige-overeenkomst impliceert namelijk niet dat verweerder vervolgens zelfstandig mocht beslissen wat OvJ BB over dat gesprek in zijn brief aan de rechter-commissaris zou opnemen of daar zijn akkoord op mocht geven. Verweerder had daarvoor de voorafgaande toestemming van klager nodig. Door dit zonder de toestemming van klager te doen heeft verweerder in strijd gehandeld met zijn geheimhoudingsplicht (artikel 11a Advocatenwet), de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid (artikel 10a, lid 1, onderdeel b en e Advocatenwet) en met de ratio en strekking van de gedragsregels 3 en 12. Het hof acht deze handelwijze van verweerder dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar. 


Slotsom 

7.23     Uit het voorgaande volgt dat het hof klager ontvankelijk acht ten aanzien van klachtonderdeel a) voor zover dit betrekking heeft op de wijze van onderhandelen van verweerder over de kroongetuige-overeenkomst en klager dit heeft gegrond op de meergenoemde WhatsApp-berichten, alsook dat dit gedeelte van klachtonderdeel a) gegrond is. Verder komt het hof tot een ruimere gegrondverklaring van klachtonderdeel c). 

7.24 Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting, de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid, de ratio en strekking van meerdere gedragsregels en de  in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.

7.25  Het vorenstaande betekent dat het hof de beslissing van de raad deels zal vernietigen en zich tevens zal moeten uitlaten over de aan verweerder op te leggen maatregel. 

8.    MAATREGEL 

Verzwaring van de maatregel (berisping) 

8.1 De raad heeft klager een waarschuwing opgelegd. Het hof zal de beslissing op dat punt vernietigen en verweerder de maatregel van een berisping opleggen en licht dit als volgt toe. 

8.2  Verweerder heeft in de periode januari 2017 – november 2018 de belangen behartigd van klager bij de kroongetuige-overeenkomst. In het Nederlandse strafrecht was dit destijds voor alle betrokken partijen onontgonnen terrein. Dat maakt dat verweerder extra zorgvuldig had moeten zijn wat betreft zijn communicatie met klager. Verweerder heeft gedurende de tijd dat hij klager bijstond, klager geen kennis laten nemen van de meer dan vierhonderd WhatsApp-berichten tussen hem en het OM. Ook heeft hij zijn werkwijze in deze niet aantoonbaar met klager afgestemd. Deze berichten zijn door verweerder eerst in maart 2022 en op verzoek van klager aan klager overgelegd, terwijl in deze berichten door verweerder mededelingen zijn gedaan die de belangen van klager raakten en waarvan hij kennis had moeten kunnen nemen. Mededelingen die daarenboven, gezien het vertrouwelijke karakter ervan, vóór verzending met klager hadden moeten worden besproken, zodat deze kon beslissen of zij wel of niet konden worden verstuurd. Het hof acht dit laakbaar want klager was in deze volledig afhankelijk van verweerder.

8.3 Verweerder heeft in de periode januari 2017 – november 2018 in strijd gehandeld met zijn geheimhoudingsverplichting en met de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid. Ook heeft verweerder de ratio en strekking van de gedragsregels 3, 12 en 16 miskend. Daar komt bij dat verweerder, nadat hij sinds november 2018 niet meer de raadsman van klager was, in juni 2022 wederom in strijd heeft gehandeld met zijn geheimhoudingsverplichting, met de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid en de ratio en strekking van de gedragsregels 3 en 12.

8.4  Het hof overweegt dat verweerder in 2017-2018 in een lastige kwestie heeft moeten handelen op een toentertijd onontgonnen terrein en [griffier: geanonimiseerd]. Desalniettemin is het handelen van verweerder, voor zover dat hiervoor aan de hand van de WhatsApp-berichten is beoordeeld, niet anders te duiden dan dat hij tekort is geschoten in het meenemen en informeren van zijn cliënt in, respectievelijk over, hetgeen verweerder deed en naliet en dat verweerder zijn partijdige rol te veel uit het oog heeft verloren. Daarbij weegt ook zwaar dat zijn cliënt, klager, toentertijd in moeilijke omstandigheden verkeerde. Ook nadien – in 2022 – heeft verweerder inzake de brief aan de RC klager niet meegenomen in zijn handelen en heeft hij geen voorafgaande toestemming aan klager gevraagd. Het hof acht tegen deze achtergrond de oplegging van een waarschuwing, waartoe de raad heeft besloten, ontoereikend. Alles afwegend wordt een berisping passend en geboden geacht. 


9     PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof een maatregel oplegt zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:  
                                                               
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); 
b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klager;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2    Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,-- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3    Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 12 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 24-647/A/A, voor zover klachtonderdeel a niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover klachtonderdeel c) ongegrond is verklaard alsook op het onderdeel van de opgelegde maatregel,  

en doet in zoverre opnieuw recht:

10.2 verklaart klager ontvankelijk in klachtonderdeel a) zoals dit staat opgenomen in randnummer 7.8 van deze beslissing en acht dit klachtonderdeel gegrond; 

10.3 verklaart klachtonderdeel c) zoals dit staat opgenomen in randnummer 7.15 van deze beslissing gegrond; 

10.4 legt aan verweerder de maatregel van een berisping op;

10.5     bekrachtigt de beslissing van 12 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 24-647/A/A, voor het overige voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof;

10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van 
€ 1.100,-- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

 

10.7  veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mr. drs. P. Fortuin, mr. A.R. Creutzberg, mr. H.H. Tan en mr. J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026. 
 

griffier    voorzitter       

De beslissing is verzonden op 25 september 2026.