ECLI:NL:TAHVD:2026:306 Hof van Discipline 's Gravenhage 260335

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:306
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 28-09-2026
Zaaknummer(s): 260335
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag te laat ingesteld. Niet-ontvankelijk.


Beslissing van 28 september 2026
 
in de zaak 260335

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
klager

gemachtigde: [naam gemachtigde]
    
tegen:
    
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en mr. J.H. Stek
samen deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Amsterdam

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 28 mei 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 1 juni 2026. 

Bij het hof
1.3    Namens klager heeft zijn gemachtigde op 22 juli 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-een brief van de gemachtigde van klager van 26 augustus 2026;
-de reactie van de deken van 3 september 2026.

1.5    Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken uit het dossier. 


2    ONTVANKELIJKHEID

2.1    Voordat het hof eventueel tot een inhoudelijke behandeling van het beklag kan komen, toetst het hof of het beklag tijdig is ingediend. 

2.2    De beslissing van de deken is gedateerd 1 juni 2026 en is op dezelfde dag per e-mail aan klager verzonden. In artikel 13 lid 3 van de Advocatenwet is bepaald dat binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, beklag dient te worden gedaan bij het hof. Het hof verwijst ook naar het eigen procesreglement. In artikel 9.1 staat dat het beklag uiterlijk op de 42e dag na de bekendmaking van de beschikking van de deken door de griffie van het hof moet zijn ontvangen. Onderaan de beslissing van de deken staat eveneens dat beklag mogelijk is binnen een termijn van 6 weken, en dat de termijn loopt vanaf de dagtekening van de beslissing (de zgn. rechtsmiddelenclausule). Van de termijn waarbinnen beklag moet zijn gedaan, kan in beginsel niet worden afgeweken. Deze termijn is van openbare orde, in die zin dat die termijn door het hof ambtshalve wordt toegepast. Dat betekent dat klager uiterlijk op 13 juli 2026 zijn beklagschrift kon indienen bij het hof.

2.3    Het beklag van klager is gedateerd op 18 juli 2026 en is op 22 juli 2026 door het hof ontvangen.  Dat is buiten de termijn waarbinnen klager beklag kon indienen. De gemachtigde van klager is door het hof in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom het beklag niet tijdig is ingediend. In de brief van 26 augustus 2026 heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat hij na verkregen uitstel van het gerechtshof Amsterdam voor het instellen van hoger beroep, meer informatie over de financiĆ«le situatie van klager heeft verzameld en vervolgens de deken op 18 en 22 juni heeft gemaild met het verzoek de afwijzing in te trekken en alsnog een advocaat aan te wijzen. Daarop is van de deken geen reactie gekomen. Ondertussen is de gemachtigde van klager ook zelf naar een advocaat blijven zoeken, wat niet is gelukt. Omdat hij een beklagzaak wilde voorkomen, heeft de gemachtigde van klager met het indienen daarvan gewacht tot het einde van de zeven weken na de afwijzende beslissing. 

2.4    In reactie op de toelichting van de gemachtigde van klager heeft de deken bevestigd dat de e-mail van 18 juni 2026 van de gemachtigde van klager is ontvangen. Het e-mailbericht van 22 juni 2026, waarin de gemachtigde zijn verzoek kennelijk heeft herhaald, is door de deken niet ontvangen, waarschijnlijk vanwege het ontbreken van de benodigde referentiecodes. De reden dat er niet is gereageerd op het e-mailbericht van 18 juni 2026 is dat de gemachtigde van klager door de deken als derde is aangemerkt. Er is in het kader van het aanwijzingsverzoek weliswaar contact geweest met de gemachtigde, maar in de procedure bij de deken heeft hij niet als zodanig opgetreden. In het webformulier zijn de contactgegevens van de heer H zelf opgenomen, in de procedure bij de deken is ook rechtstreeks met de heer H gecorrespondeerd en in de e-mail van 18 juni 2026 is ook niet aangegeven dat de heer G als gemachtigde van klager optreedt. De deken is van mening dat, hoewel het wellicht beter was geweest als wel op de betreffende e-mail was gereageerd, van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. De termijn van zes weken staat duidelijk in de brief van 1 juni 2026 en uit de reactie van de heer G blijkt niet dat klager niet in staat was om binnen zes weken een beklagschrift in te dienen.

2.5    Naar het oordeel van het hof zijn de door de gemachtigde van klager aangevoerde omstandigheden geen omstandigheden die rechtvaardigen dat het beklag ruim een week te laat is ontvangen en daardoor alsnog in behandeling zou kunnen worden genomen. Het gevolg is dat het beklag van klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


3    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 1 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A Heenk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
                                                


griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 september 2026.