ECLI:NL:TADRAMS:2026:203 Raad van Discipline Amsterdam 26-669/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:203
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s): 26-669/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder is met zijn sommatiebrief en beslaglegging binnen de grenzen van het betamelijke gebleven. De klacht is kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 21 september 2026
in de zaak 26-669/A/A

naar aanleiding van de klacht van:


klagers
gemachtigde: 
over:
 
verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 30 juli 2026 met kenmerk 2534905/EvR/AS, door de raad ontvangen op eveneens 30 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door verweerder bij e-mail van 26 augustus 2026 nagezonden stukken. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klagers en de cliënten van verweerder zijn eigenaars van appartementsrechten in Amsterdam. De cliënten van verweerder hebben het appartementsrecht in april 2025 gekocht van B. 
1.2    Klagers en B hebben in het verleden een procedure gevoerd dat heeft geleid tot een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2021. B is in die beschikking aangeduid als appellant, de VvE als geïntimeerde en klagers als belanghebbenden. In de beschikking is bepaald dat B volgens een bepaalde methode funderingsherstel aan het pand mag uitvoeren, dat voor rekening van de VvE bepaalde kosten mogen worden gemaakt die verband houden met de afwerking van de begane grond en het souterrain, dat na dat funderingsherstel moet plaatsvinden en dat klagers in die kosten moeten bijdragen volgens een afwijkend breukdeel 50/50.    
1.3    Op 25 september 2025 heeft verweerder op basis van dit arrest namens zijn cliënten aan klagers een brief gestuurd waarin hij klagers heeft gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 45.375,-. De brief luidt, voor zover relevant:  
“Vordering € 45.375,00 - sommatie 
Cliënten hebben een vordering van € 45.375,- (inclusief btw) op u, zoals blijkt uit de beschikking van het Hof Amsterdam van 2 februari 2021 (u bekend). Die vordering ziet op de bijdrage in het herstel op de begane grond en souterrain vanwege het eerdere benodigde funderingsherstel. Cliënten maken aanspraak op betaling van dit bedrag. Hieronder treft u aan een overzicht van de gemaakte kosten. Ik verzoek en zonodig sommeer u mij binnen 48 uur na heden te berichten dat u dit bedrag binnen zeven dagen na heden aan cliënten zal overmaken op rekeningnummer (…) t.n.v. (…) o.v.v. “bijdrage conform beschikking Hof”. 
Zou u onverhoopt niet aan uw betalingsverplichting voldoen, dan zal de deurwaarder opdracht worden gegeven de executie ter hand te nemen. Indien u de onderliggende facturen wenst te zien, zijn cliënten vanzelfsprekend bereid die aan u te verstrekken. Doch dat is pas zinvol nadat u heeft laten weten voornoemd bedrag te voldoen (mits die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt hetgeen dan uit de facturen zal blijken).” 
1.4    Op 10 oktober 2025 heeft de deurwaarder namens de cliënten van verweerder aan klagers een akte van cessie van 7 oktober 2025 betekend (waarmee de vordering van de vorige eigenaar van het appartementsrecht (B) zou zijn overgedragen op de cliënten van verweerder) en de grosse van de beschikking van het gerechtshof van 2 februari 2021 met de aanzegging dat een bedrag van € 45.507,76 binnen twee dagen op de derdengeldenrekening van verweerder moet zijn voldaan.
1.5    Op 16 oktober 2025 heeft de advocaat van klagers aan verweerder een e-mail gestuurd waarin hij zich - kort gezegd - namens klagers op het standpunt stelt dat de beschikking jegens klagers geen executoriale titel kan opleveren, omdat zij geen procespartij waren in die procedure. Daarbij heeft de advocaat van klagers verweerder gesommeerd om te bevestigen dat alle executiemaatregelen per ommegaande werden gestaakt. 
1.6    Verweerder heeft namens zijn cliënten de executiemaatregelen niet gestaakt en op 23 oktober 2025 heeft de deurwaarder namens de cliënten van verweerder ten laste van klagers executoriaal derdenbeslag gelegd. 
1.7    Op 14 november 2025 hebben klagers bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 
1.8    Op 2 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen waarin ook is ingegaan op de vraag of de beschikking van het gerechtshof uit 2021 een executoriale titel oplevert jegens klagers. In het vonnis is hierover het volgende overwogen: 
“[Klagers] hebben voorshands terecht aangevoerd dat de beschikking van het hof jegens hen geen executoriale titel oplevert. In de beschikking is immers bepaald dat de kosten die [de vorige eigenaar van het appartement van de cliënten van verweerder, B] na het funderingsherstel moet maken voor de afwerking, tot een bedrag van € 75.000,- exclusief btw voor rekening van de VvE komen en dat de leden van de VvE daarin moeten bijdragen volgens een afwijkend breukdeel. Dit neemt echter niet weg dat de voorzieningenrechter in dit kort geding (opnieuw) kan beoordelen of [klagers] een betalingsverplichting hebben jegens [de cliënten van verweerder] (mede op grond van wat in de beschikking is bepaald) en of die betalingsverplichting kan leiden tot toewijzing van de in dit kort geding ingestelde geldvordering.”

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:  
a)    verweerder heeft klagers namens zijn cliënten gesommeerd en ten laste van klagers executoriaal derdenbeslag laten leggen, terwijl er geen geldige titel was voor de gestelde vordering van € 45.375,-, omdat klagers geen procespartij waren bij de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2021; en
b)    verweerder heeft namens zijn cliënten in zijn brief van 25 september 2025 als onredelijke voorwaarde gesteld dat de onderliggende facturen pas zouden worden verstrekt als klagers bereid waren het bedrag te voldoen (mits die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt hetgeen dan uit de facturen zou blijken).

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
4.2    De voorzitter ziet aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling van de klachtonderdelen. Voorop gesteld wordt dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende civiele geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of verweerder zich in zijn bijstand aan de wederpartij van klagers ten opzichte van klagers heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader (4.1) geldt dat aan verweerder een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënten te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Van dit laatste is de voorzitter niet gebleken. 
4.3    Ten aanzien van klachtonderdeel a) overweegt de voorzitter dat verweerder met het versturen van zijn sommatiebrief aan klagers de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Het is de taak van verweerder om als partijdig belangenbehartiger de belangen van zijn cliënten te behartigen. Verweerder mocht in dat kader namens zijn cliënten het standpunt innemen dat klagers wel procespartij zijn en dat zijn cliënten, anders dan klagers stellen, wel beschikken over een executoriale titel. Dat klagers dat anders zien, betreft een inhoudelijke kwestie die onderdeel vormt van het onderliggende geschil tussen partijen. Het is aan de civiele rechter om hierover een oordeel te geven en in verband hiermee ook over de vraag of de cliënten van verweerders over een executoriale titel beschikken. De voorzitter zal dan ook niet inhoudelijk ingaan op het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 en het standpunt dat partijen hierover innemen. Dit alles valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. 
4.4    Voor zover klagers stellen dat de akte van cessie waarmee de vordering van de vorige eigenaar zou zijn overgedragen op de cliënten van verweerder, vragen oproept, geldt dat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de door zijn cliënten verstrekte informatie. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder nader onderzoek had moeten doen hiernaar. Verder geldt dat de vraag of sprake is van een rechtsgeldige akte van cessie, eveneens thuishoort in het onderliggende civiele geschil. Klachtwaardig handelen is in zoverre niet komen vast te staan. 
4.5    Het stond verweerder eveneens vrij in het belang van zijn cliënten beslag te laten leggen onder klagers. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder dit verzoek lichtvaardig aan de deurwaarder heeft gedaan. De deurwaarder, die vanuit zijn eigen professionele verantwoordelijkheid het verzoek tot beslaglegging toetst, heeft aldus verweerder evenmin aanleiding gezien om geen uitvoering te geven aan het verzoek. Volgens verweerder bevestigt dit dat het verzoek tot beslaglegging redelijk, evenredig en proportioneel was. De voorzitter is op grond van de stukken in het klachtdossier niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel hierover nopen en volgt verweerder daarom in dit betoog. Dat de impact van het beslag groot was voor klagers, begrijpt de voorzitter, maar dat het inzetten ervan onder de gegeven omstandigheden een te zwaar middel was, heeft de voorzitter op grond van hetgeen klagers naar voren hebben gebracht niet kunnen vaststellen. Daarmee is ook in zoverre geen sprake van klachtwaardig handelen. Klachtonderdeel a) is hiermee kennelijk ongegrond. 
4.6    Ten aanzien van klachtonderdeel b) overweegt de voorzitter allereerst dat anders dan klagers stellen, uit de sommatiebrief niet volgt dat pas inzage zou worden verstrekt nadat betaling had plaatsgevonden, maar nadat de toezegging tot betaling was gedaan. Hoewel het beter was geweest als verweerder de onderliggende facturen wel met zijn sommatiebrief had meegestuurd aan klagers en inzage daarin niet afhankelijk had gemaakt van de toezegging tot betaling over te gaan, heeft verweerder met zijn handelwijze de grenzen van het betamelijke niet overschreden. Klagers hadden de facturen ook kunnen opvragen bij verweerder. Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat dit niet is gebeurd. Ook de advocaat van klagers heeft de facturen niet bij verweerder opgevraagd. De voorzitter ziet in het licht van deze omstandigheden geen aanleiding te oordelen dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond. Al hetgeen klagers verder naar voren hebben gebracht, hoort niet thuis in deze tuchtrechtelijke procedure en leidt niet tot een ander oordeel. 
4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026