ECLI:NL:TADRAMS:2026:208 Raad van Discipline Amsterdam 26-690/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:208
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s): 26-690/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie. Verweerster mocht in het belang van haar cliënt vragen stellen over de door klaagster verstuurde (van elkaar verschillende) e-mails. Dat verweerster over de twee e-mails beschikte, betekent niet dat daarmee de onduidelijkheid was weggenomen. Van verweerster kan verder niet verwacht worden dat zij afspraken bevestigt waar haar cliënt het niet mee eens is. Niet blijkt dat die afspraken ter zitting ook zo concreet gemaakt zijn. Dat verweerster onbereikbaar zou zijn, blijkt ook niet. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 21 september 2026
in de zaak 26-690/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 5 augustus 2026 met kenmerk 2495135 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennis genomen van de e-mail (met bijlagen) van verweerster van 31 augustus 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster en haar ex-partner (hierna: de man) zijn verwikkeld in verschillende procedures over onder meer gezag over en omgang met de (zeer jonge) kinderen. De kinderen zijn door de rechtbank onder toezicht gesteld, waardoor de gecertificeerde instelling (GI, eerst JBRA, later DJGB) betrokken is. Verweerster staat de man bij. Mr. B is de advocaat van klaagster. 
1.2    Op 21 november 2024 heeft een zitting bij het gerechtshof plaatsgevonden. In het proces-verbaal van de zitting is onder meer opgenomen:
“De man: Ik wil graag reageren op de afspraak die wij met JBRA hebben gemaakt over de overdracht bij de garage zoals in het eerste kortgedingvonnis staat. (…)
[Advocaat klaagster]: (…) De vrouw brengt de kinderen vanmiddag bij de man, de overdracht vindt plaats bij de garage. (…)
De man: Ik heb een hoekwoning, de voordeur zit op de hoek. De ring(camera)deurbel ziet op de hoek maar niet op de garage. De vrouw kan parkeren bij de garage, er staat een kruis voor dus het is altijd vrij. Het lijkt mij fijner als de kinderen naar de voordeur worden gebracht, dat lijkt mij meer in het belang van de kinderen. De afspraak voor de overdracht bij de garage is gemaakt omdat de vrouw dat graag wil. U vraagt mij wat ik kan doen om de overdracht bij de voordeur te laten plaatsvinden. Als u mij zegt dat ik de ring(camera)deurbel moet afplakken dan doe ik dat. Maar het gaat mij erom dat [kind X] het leuk vindt om aan te bellen. Ik hoor de voorzitter zeggen dat het juist erom gaat dat ik uit mezelf ertoe overga de deurbel af te plakken. Ik vind het apart dat ik de deurbel zou moeten afplakken.
De vrouw: We hebben nu afgesproken dat de overdracht bij de garage plaatsvindt, [kind Y] zit in de kinderwagen en [kind X] loopt zelf naar de man. (…) Als ik zou zien dat de ring(camera)deurbel is afgeplakt zou ik het ook prima vinden om de overdracht bij de voordeur te doen. (…)
De voorzitter constateert dat de afspraak tussen partijen blijft staan, aldus dat de overdracht plaatsvindt bij de garage.” 
1.3    Op 25 november 2024 heeft mr. B het proces-verbaal opgevraagd, om de RvdK en de jeugdbescherming te kunnen informeren over wat er op zitting is besproken, omdat daarover tussen partijen discussie is ontstaan.
1.4    Op 2 december 2024 heeft verweerster mr. B een e-mail gestuurd over de overdracht van de kinderen de donderdag daarvoor. Op 3 december 2024 heeft m. B hierop gereageerd, een tijdlijn geschetst en geschreven dat het prettig zou zijn als verweerster wil bevestigen dat haar cliënt voortaan niet meer filmt of laat filmen en dat de overdracht bij de garagedeur plaatsvindt.
1.5    Op 4 december 2024 om 17:03 uur heeft mr. B een e-mail gestuurd aan verweerster over (het filmen door haar cliënt bij) de overdracht van de kinderen. Zij schrijft daarbij dat verweerster niet reageert op de vraag of haar cliënt morgen en zaterdag conform de afspraken zal handelen, te weten: niet filmen of laten filmen en overdracht bij de garagedeur en niet bij de voordeur.
1.6    Op 4 december 2024 heeft verweerster een reactie aan mr. B gestuurd en om een gedetailleerde omschrijving met tijdstippen verzocht, omdat partijen een compleet andere visie hebben op wat er die donderdag is gebeurd. 
1.7    Op 5 december 2024 om 8:29 uur heeft mr. B aan verweerster onder meer geschreven dat zij ondanks herhaald verzoek niet namens haar cliënt heeft willen bevestigen dat hij niet meer filmt of laat filmen bij de overdracht en dat de overdracht bij de garagedeur is en niet bij de voordeur. Verweerster schrijft daarbij:
“Kortom, ofwel haalt uw cliënt de kinderen vandaag bij de opvang op, of cliënte brengt de kinderen wat later, maar dan ook alleen na de uitdrukkelijke toezegging vooraf dat er niet gefilmd wordt en de overdracht bij de garage plaatsvindt.” 
1.8    Op 10 december 2024 om 13:15 uur stuurt mr. B het van het gerechtshof ontvangen proces-verbaal aan klaagster. In de e-mail schrijft verweerster onder meer: 
“De zitting was op donderdag 21/11 en diezelfde middag weigerde [man] dat de overdracht van de kinderen niet bij de voordeur zou plaatsvinden, maar zie in het PV:
[citaat uit proces-verbaal] 
Kortom: Het bewijs dat [man] de overdracht op 21/11 bewust heeft gesaboteerd en heeft op 21/11 ook bewust JBRA op het verkeerde been gezet. Dit terwijl er nota bene die ochtend bovenstaande is gezegd en overeengekomen. Uiterst kwalijk. Het is ook jammer dat noch [man], noch [verweerster], ondanks uitdrukkelijk verzoek, dit naderhand alsnog willen bevestigen.”
1.9    Op 10 december 2024 om 15:23 uur stuurt mr. B nogmaals het van het gerechtshof ontvangen proces-verbaal aan klaagster. In de e-mail schrijft verweerster onder meer:
“De zitting was op donderdag 21/11 en op 23/11 weigerde [man] dat de overdracht van de kinderen bij de garagedeur zou plaatsvinden. Jij stond bij de garagedeur, maar je auto aan de overkant, omdat het bij het kruis te krap was, maar zie in het PV:
[citaat uit proces-verbaal]
Kortom: Het bewijs dat [man] de overdracht op 23/11 bewust heeft gesaboteerd en ook bewust JBRA op het verkeerde been gezet. Dit terwijl er nota bene op 21/11 bovenstaande is gezegd en overeengekomen. Uiterst kwalijk. Het is ook jammer dat [man], ondanks uitdrukkelijk verzoek, dit naderhand niet alsnog heeft willen bevestigen en jou en JBRA in totale verwarring liet. Ook [verweerster] heeft het niet alsnog willen bevestigen”. 
1.10    Op 10 december 2024 om 15:34 uur heeft klaagster de e-mail van haar advocaat van 15:23 uur doorgestuurd aan de jeugdbescherming (en cc aan de man).
1.11    Op 24 maart 2025 heeft klaagster een e-mail (met drie bijlagen) aan twee medewerkers van DJGB gestuurd, met een cc aan de man. 
1.12    Op 25 maart 2025 om 14:29 uur heeft de man een reactie hierop aan dezelfde medewerkers van DJGB gestuurd, waarin hij schrijft dat hij heeft geconstateerd dat één van de bijlagen vervalst is. Klager schrijft dat hij de originele mail toevoegt die hijzelf op 10 december 2024 van klaagster heeft ontvangen en dat zowel aan het begin als aan het einde van de e-mail van de advocaat tekst is verwijderd, aangepast en toegevoegd. Klager verzoekt DJGB dit serieus op te pakken.  
1.13    Op 25 maart 2025 om 15:04 uur heeft verweerster aan mr. B een e-mail gestuurd over de door klaagster aan DJGB gestuurde e-mail van 24 maart 2025. Verweerster schrijft:
‘Hier voegt uw cliënte een e-mail bij met daarin een bericht dat u op 10 december 2024 aan uw cliënte geschreven heeft, en dat zij destijds doorgestuurd heeft aan uw cliënte, de JBRA en […]. De inhoud van uw e-mail die gisterochtend is doorgestuurd komt echter niet overeen met de inhoud van uw bericht dat op 10 december 2024 is doorgestuurd door uw cliënte. 
In de bijlage bij deze e-mail (het pdf) zijn in beide versies van uw bericht de verschillen omkaderd. (…)
Graag ontvang ik van u een reactie met uitleg hoe dit opgevat moet worden, en wat volgens u de oorspronkelijke email is die u aan uw cliënte verstuurd heeft op 10 december 2024.”
Verweerster heeft beide e-mails van 10 december 2024 bij haar e-mail aan mr. B gevoegd.
1.14    Op 13 mei 2025 heeft verweerster aan mr. B geschreven dat zij tot op heden geen reactie heeft mogen ontvangen op haar e-mail van 25 maart 2025, met het verzoek om alsnog een reactie te mogen ontvangen. Zij schrijft daarbij dat zij van haar cliënt begrijpt dat hier nog steeds een discussie over loopt en dat klaagster in haar e-mail aan DJGB heeft gesteld dat mr. B haar op 10 december 2024 twee e-mails heeft gestuurd. Verweerster heeft mr. B verzocht deze beide e-mails aan verweerster toe te sturen, zodat de discussie kan worden beslecht.
1.15    Op 14 mei 2025 heeft mr. B aan verweerster onder meer geschreven dat zij inderdaad niet heeft gereageerd, dat zij de vraag en de relevantie niet begrijpt en dat verweerster en haar cliënt duidelijk hebben kunnen zien dat mr. B op beide dagen twee mails aan haar cliënte heeft gestuurd met hetzelfde onderwerp. Mr. B schrijft dat verweerster duidelijk kan zien dat er geen sprake is van enige vervalsing door klaagster.
1.16    Op 22 mei 2025 heeft verweerster een e-mail aan mr. B gestuurd, waarin zij verwijst naar een reactie van de gezinsvoogd van 16 mei 2025. De gezingsvoogd heeft in dat bericht onder meer aangegeven dat feitelijk kan worden aangetoond dat de door klaagster naar DJGB gestuurde e-mail is aangepast. 
1.17    Mr. B heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven dat verweerster een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat zij niet reageert op de overige punten in de mail van mr. B. Mr. B schrijft verder dat verweerster beide e-mails in haar bezig heeft, zodat zij zelf kan zien dat het twee e-mails van mr. B aan haar cliënte zijn. Mr. B schrijft dat verweerster verplicht is dat zelf te controleren en niet mag meedeinen met het door haar cliënt klaarblijkelijk gewenste verwijt ter zake een vervalsing. Mr. B heeft verweerster dringend verzocht te bevestigen dat het inderdaad twee aparte e-mails zijn en dat klaagster beide e-mails niet heeft vervalst. 
1.18    Op 27 mei 2025 heeft klaagster bij de deken deze (tweede) klacht ingediend over verweerster. 
Eerdere klacht
1.19    Op 24 juli 2024 heeft klaagster een (eerste) klacht over verweerster ingediend, te weten dat verweerster zich, nadat de zaak voor uitspraak stond, zonder toestemming tot het hof heeft gewend. 
1.20    Bij beslissing van 28 juli 2025 heeft de raad deze klacht gegrond verklaard, maar aan verweerster geen maatregel opgelegd (zie ECLI:NL:TADRAMS:2025:133). In 6.2 van deze beslissing staat:
“Tot slot wenst de raad zowel verweerster als de advocaat van klaagster mee te geven dat het tot hun taakstelling als familierechtadvocaten behoort zoveel mogelijk depolariserend te werk te gaan. De raad heeft gemerkt dat de communicatie tussen de advocaten onderling niet altijd even soepel verloopt. De raad spreekt de hoop uit dat partijen – zoals ter zitting ter sprake is gekomen – op korte termijn met elkaar een gesprek hierover zullen aangaan.”

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. 
a)    verweerster heeft in haar e-mails van 25 maart 2025 en 13 mei 2025 namens haar cliënt vragen gesteld waarop zij het antwoord al wist en daarmee heeft verweerster bewust escalerend opgetreden;
Klaagster heeft toegelicht dat verweerster doelbewust de voor haar direct zichtbare onjuiste aantijgingen van haar cliënt ondersteunt en hem verder in de gelegenheid stelt die onjuiste verwijten te ventileren. Verweerster was in het bezit van beide berichten en wist dus dat het om twee verschillende berichten ging. Verweerster faciliteert haar cliënt om een geheel onjuist beeld van klaagster bij de GI en de bijzonder curator in stand te houden, tegen beter weten in. 
b)    verweerster heeft namens haar cliënt geweigerd te bevestigen dat er bij de overdracht van de kinderen niet meer wordt gefilmd, ondanks dat haar cliënt nadrukkelijk is gevraagd deze bevestiging te geven;
Klaagster heeft toegelicht dat haar ex-partner de afspraken ten onrechte verdoezelde bij de GI, die bij de zitting niet aanwezig kon zijn. De afspraken waren nadrukkelijk overeengekomen: niet filmen, maar de bel afplakken en overdracht bij de garagedeur.
c)    verweerster heeft niet (inhoudelijk) gereageerd op de e-mail van de advocaat van klaagster van 14 mei 2025.
Klaagster stelt dat verweerster totaal onbereikbaar was voor haar advocaat, waarbij zij wijst op de e-mail van haar advocaat van 14 mei 2025 en de enige c.q. beperkte reactie van verweerster van 22 mei 2025.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 
3.2    Klachtonderdeel a) – verweerster heeft toegelicht dat zij op haar e-mail van 25 maart 2025 geen reactie heeft ontvangen en daarom op 13 mei 2025 nogmaals gemaild heeft. 
3.3    Klachtonderdeel b) – verweerster stelt dat klaagster wil dat zij discussiepunten in het voordeel van klaagster bevestigt, terwijl verweersters cliënt daar een andere visie opheeft. Verweerster ka en mag niet tegen haar cliënt optreden. 
3.4    Klachtonderdeel c) – verweerster stelt dat zij wel degelijk inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mail van 14 mei 2025. Verweerster wijst op haar e-mail van 22 mei 2025. Zij heeft ervoor gekozen niet (weer) in eindeloze discussies te verzanden, juist om escalatie te voorkomen. 
3.5    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)  
4.3    De voorzitter overweegt dat verweerster in haar e-mail van 25 maart 2025 vragen heeft gesteld over de e-mails van mr. B van 10 december 2024 die klaagster heeft doorgestuurd. Klaagster had in december 2024 de e-mail van 15:23 uur doorgestuurd aan de man en de jeugdbescherming. In maart 2025 heeft zij de e-mail van 13:15 uur doorgestuurd. De tekst van deze e-mails lijkt op elkaar, maar verschilt op enkele punten. Niet onbegrijpelijk is dat daardoor onduidelijkheid is ontstaan, onder meer bij de man. Verweerster mocht in het belang van haar cliënt vragen stellen over de door klaagster doorgestuurde e-mails. Dat verweerster al over de twee e-mails van 10 december 2024 beschikte, betekent niet dat daarmee de onduidelijkheid was weggenomen. Mr. B heeft niet gereageerd op verweersters e-mail van 25 maart 2025. Verweerster mocht dan ook op 13 mei 2025 haar vragen herhalen. Zij heeft deze e-mails alleen aan mr. B gericht, waardoor niet wordt ingezien hoe verweerster haar cliënt zou faciliteren om een onjuist beeld van klaagster bij de GI en/of de bijzondere curator in stand te houden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. 
Klachtonderdeel b)
4.4    De voorzitter overweegt dat partijen na de zitting van 21 november 2024 van mening verschilden over de ter zitting gemaakte afspraken. Mr. B heeft verweerster verzocht te bevestigen dat de afspraak was gemaakt dat niet zou worden gefilmd c.q. de deurbelcamera zou worden afgeplakt. Verweersters cliënt heeft kennelijk een andere visie op wat daarover al dan niet is afgesproken. Van verweerster kan niet verwacht worden dat zij afspraken bevestigd waar haar cliënt het niet mee eens is. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt ook niet dat die afspraak zo concreet is gemaakt dat de deurbel afgeplakt zou worden: er is wel over het afplakken van de deurbelcamera gesproken, maar niet blijkt dat daadwerkelijk is áfgesproken dat niet zou worden gefilmd c.q. dat de deurbelcamera zou worden afgeplakt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is niet gebleken. 
Klachtonderdeel c)
4.5    De voorzitter stelt vast dat verweerster op 22 mei 2025 heeft gereageerd op de e-mail van mr. B van 14 mei 2025. Dat verweerster niet op alle door mr. B genoemde punten is ingegaan, betekent niet dat zij niet (voldoende) heeft gereageerd. Dat verweerster totaal onbereikbaar zou zijn voor mr. B, zoals klaagster stelt, is door haar niet concreet onderbouwd, terwijl in het klachtdossier juist ook diverse e-mails van verweerster aan mr. B te vinden zijn. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is niet gebleken.
Conclusie
4.6    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster escalerend of polariserend te werk is gegaan. Het is duidelijk dat de standpunten van klaagster en verweersters cliënt diametraal anders zijn. Verweerster geeft het standpunt van haar cliënt weer, als zijn partijdig belangenbehartiger. Hoewel de communicatie tussen advocaten beter zou kunnen, zoals de raad eerder ook al heeft overwogen, ziet de voorzitter daarin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. De klacht is daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026