ECLI:NL:TADRARL:2026:195 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-660/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:195
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 26-660/AL/GLD
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënte. Die cliënte was kennelijk niet bereid om op alle voorstellen in te gaan, tegenvoorstellen te doen, of daarop telkens inhoudelijk te reageren. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënte ook meermaals in duidelijke bewoordingen uiteengezet richting klager. Dat hij zich daarin niet kon vinden, maakt nog niet dat verweerster dat kan worden aangerekend. Het is de voorzitter uit de overgelegde correspondentie verder niet gebleken dat verweerster door haar optreden en met haar toonzetting bewust de onderhandelingen tussen klager en haar cliënte heeft gefrustreerd. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, voor het overige kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 28 september 2026

in de zaak 26-660/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 29 juli 2026 met kenmerk K 26/36.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Bij vonnis van 28 april 2021 van de rechtbank geoordeeld dat de moeder van klager een vordering heeft op klager. Dit vonnis is op 12 juli 2022 door het gerechtshof bekrachtigd. Verweerster behartigt de belangen van de moeder van klager. Een deurwaarder is ingeschakeld ter incasso van de vordering op klager.

1.2 Op 25 februari 2024 heeft klager aan verweerster het volgende geschreven:

Uw cliënte reageert niet en dat zal de opdracht zijn. Zou u zo vriendelijk willen zijn een tijdslot door haar te geven dat ik even de zaken die al jaren gestald zijn en zoals u namens haar verzocht op te halen? Ik wil zelfs de zaken waar mijn kinderen geen behoefte meer aan hebben even naar de Milieustraat brengen. Enige dat ik vraag is even garagebox van het slot zodat ik bij de spullen van mijn kinderen kan.

1.3 Op 26 februari 2024:

- om 23:34 uur: heeft verweerster aan klager onder meer geschreven:

Naar aanleiding van uw e-mail bericht dat ik gister van u ontving, verwijs ik u naar onderstaand bericht. Uw dreigementen naar uw moeder, mijn cliënte, toe zijn niet alleen ongepast, maar tevens is uw “verzoek” m.b.t. de spullen achterhaald. U hebt immers allang afstand van de spullen gedaan.

Overigens ontvangt cliënte uw e-mails niet, u bent geblokkeerd. Ik heb begrepen dat u vandaag niet alleen mijn cliënte diverse malen hebt geprobeerd te bellen, maar ook bij haar, net als bij uw zus en broer, een brief door de bus heeft gedaan. Een dringend verzoek aan u is om dergelijke acties te staken. Uw broer en zus staan hier volledig buiten en ook cliënte wenst door u niet rechtstreeks te worden benaderd. De communicatie met cliënte kan enkel via mij plaatsvinden.

U hebt via de deurwaarder een voorstel gedaan om nu € 10.000,= te betalen om niet meer met incassomaatregelen van de deurwaarder te worden geconfronteerd. Vervolgens zou u het restant van uw schuld met de nalatenschappen van uw ouders willen verrekenen, na overlijden van uw moeder. Ik zal onderzoeken in hoeverre het voor u mogelijk is om al wel afstand te doen van het erfdeel van uw vader. (Van uw moeder is niet mogelijk zoals ik u al via de deurwaarder heb laten weten.)

Zou dat mogelijk zijn, dan zal ik met cliënte bespreken of zij open staat voor een dergelijk voorstel. (…)

[De deurwaarder] zal hiervoor uiteraard geen overeenkomst gaan opstellen zoals u suggereerde.

- om 23:41 uur: heeft klager aan verweerster geschreven:

Ik ben pas net begonnen met mijn tegenoffensief dus zal dit zeker niet staken. Ik geef nog 24 extra om akkoord te gaan met mijn laatste voorstel exclusief afstand toekomstige erfenis vader.

Bij geen bericht pak ik door en [naam] is nr.1 om tot de orde te roepen.

1.4 Op 27 februari 2024 om 20:08 uur heeft verweerster aan klager bericht dat haar cliënte het speelgoed heeft bewaard en bereid is om die spullen, ondanks de afstandsverklaring van klager van spullen in de garage, alsnog aan klager te geven en dat hij dat op een nog af te spreken moment op het kantoor van verweerster kan komen ophalen.  

Klager heeft hierop om 20:16 uur gereageerd:  

Dat is een geruststelling voor mijn kinderen. Waarom eerst alle rook om dit onderwerp. Als dit zoals gevraagd uiterlijk 02 maart kan hoef ik geen aangifte te di3n.

Akkoord 10k Als u dan tegelijk een positief antwoord hebben op mijn voorstel hebben kunnen we daar onder het genot van een kop koffie de handtekeningen voor zetten.

Verweerster heeft om 20:26 uur aan klager gemaild dat zijn uiterlijke datum van 2 maart 2024 niet haalbaar is maar dat zij, zodra het speelgoed op haar kantoor is, een aantal data zal voorstellen waarop hij het speelgoed kan ophalen. Ook heeft zij klager geschreven:

Verder heb ik u gister al aangegeven dat mij niet meer duidelijk is wat uw voorstel aan mijn cliënte is. Als u een concreet voorstel wilt doen verzoek ik u dat separaat op de mail te zetten.

Klager heeft daarop om 20:30 uur aan verweerster geschreven:

U heeft voorstel van mij ontvangen zoals gisteren in uw e-mail vermeldde. Ik neem aan dat u dit terug kunt vinden. Is er donderdag einde dag geen akkooord da voel ik mij vrij om vrijdagochtend het traject dat reeds in opmaak is te tekenen.

Verweerster heeft om 20:38 uur hierop als volgt gereageerd:

Ik heb u gister teruggemaild dat mij uw voorstel niet meer duidelijk is. Voor zover u dat niet meer terug kunt vinden was mijn tekst: Ik begrijp niet wat u bedoelt met: “Ik geef nog 24 extra om akkoord te gaan met mijn laatste voorstel exclusief afstand toekomstige erfenis vader.

U bent uitgenodigd om een concreet, goed omschreven voorstel (inclusief de randvoorwaarden) te doen, dat ik daarna in alle rust met cliënte zal bespreken. Mocht cliënte akkoord wensen te gaan met een voorstel, dan zal dat ook nog zorgvuldig in een overeenkomst vastgelegd moeten worden. Het door u aangegeven tijdspad zal zeker niet gehaald worden.

1.5 Op 2 februari 2026 heeft klager aan verweerster het volgende geschreven:

Hierbij doe ik u mijn laatste voorstel met het doel te komen tot een definitieve afwikkeling, waarbij verdere onderlinge betrokkenheid tussen mij en de familie volledig wordt beëindigd. Mijn wens is deze afwikkeling vóór het einde van dit jaar te realiseren, dan wel uiterlijk binnen een termijn van 18 maanden.

In de afgelopen zeven jaar heb ik herhaaldelijk getracht in overleg tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt. Om verdere escalatie en een langdurige juridische procedure te voorkomen, leg ik hierbij een concreet en uitvoerbaar voorstel voor. (…)

Ter informatie zend ik een kopie van dit voorstel aan mijn moeder, zodat zij hiervan kennis kan nemen.

Ik verzoek u dit voorstel inhoudelijk te beoordelen en mij binnen redelijke termijn schriftelijk te laten weten of uw cliënte hiermee kan instemmen.

1.6 Op 1 maart 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

het structureel uitblijven van een inhoudelijke, constructieve reactie van verweerster op herhaaldelijk door klager gedane voorstellen om tot een definitieve regeling te komen.

Toelichting: Klager stelt dat hij in een periode van zeven jaar, vanaf 2019, negentien concrete voorstellen aan de cliënte van verweerster heeft gedaan. Deze voorstellen zijn door verweerster nimmer inhoudelijk beoordeeld of beargumenteerd afgewezen. Verweerster heeft ten onrechte volstaan met algemene afwijzingen zonder inhoudelijke duiding en overleg tegengewerkt. Dat hij een klacht aankondigde, kan niet worden aangemerkt als ongeoorloofde druk omdat dat bij uitblijven van een fatsoenlijke en inhoudelijke reactie een normale vervolgstap is. In haar correspondentie heeft verweerster zich niet terughoudend en professioneel opgesteld en zich ook uitgelaten over de persoonlijke en financiële omstandigheden van klager. Juist de werkwijze van verweerster heeft er volgens klager toe geleid dat een inhoudelijke dialoog over een mogelijke regeling met zijn moeder niet tot stand kwam en er geen constructieve onderhandeling werd gevoerd.

3 VERWEER

Verweerster stelt dat zij zich zorgvuldig, deskundig en professioneel heeft gedragen bij de behartiging van de belangen van haar hoogbejaarde cliënte. Haar cliënte heeft een in rechte vastgestelde vordering op klager. Klager moet die uitspraak nakomen. Verweerster heeft in overleg met haar cliënte een bepaalde vrijheid om op berichten en voorstellen van klager al dan niet (inhoudelijk) te reageren, waarbij de opdracht aan verweerster was om de kosten zo laag mogelijk te houden. Klager kan verweerster geen opdracht geven om uitvoeriger en inhoudelijk op zijn voorstellen in te gaan, temeer daar haar cliënte geen enkel belang heeft bij zijn voorstellen om de vordering bijvoorbeeld kwijt te schelden. Haar cliënte had er ook geen belang bij om tegenvoorstellen te doen of onderhandelingen met klager te voeren. Op basis van de haar verstrekte opdracht heeft verweerster gehandeld.

4 BEOORDELING

4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

4.2 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.3 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.4 De voorzitter stelt vast dat klager op 1 maart 2026 bij de deken een klacht over verweerster heeft ingediend. Het handelen van verweerster waarop de klacht ziet gaat over de periode vanaf 2019 tot en met de indiening van de klacht in 2026.

4.5 Op grond van het hiervoor genoemde artikel 46g lid 1 Advocatenwet is klager alleen ontvankelijk in zijn klacht voor zover dat gaat over het handelen van verweerster vanaf 1 maart 2023. Over het handelen van verweerster in de periode daarvoor heeft hij te laat geklaagd, zodat klager in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn klacht.

4.6 Over het verweten handelen van verweerster in de periode vanaf 1 maart 2023 oordeelt de voorzitter als volgt.

4.7 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënte. Die cliënte was kennelijk niet bereid om op alle voorstellen in te gaan, tegenvoorstellen te doen, of daarop telkens inhoudelijk te reageren. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënte ook meermaals in duidelijke bewoordingen uiteengezet richting klager. Dat hij zich daarin niet kon vinden, maakt nog niet dat verweerster dat kan worden aangerekend. Het is de voorzitter uit de overgelegde correspondentie verder niet gebleken dat verweerster door haar optreden en met haar toonzetting bewust de onderhandelingen tussen klager en haar cliënte heeft gefrustreerd. 

4.8 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster met haar handelen niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overtreden. De klacht wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk voor zover daarin wordt geklaagd over het handelen van verweerster vóór 1 maart 2023;

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

Griffier                                                                                                                         Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026