ECLI:NL:TNORAMS:2026:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 784986 / NT RK 26/9
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-08-2026 |
| Datum publicatie: | 01-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 784986 / NT RK 26/9 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klagers verwijten de notaris dat zij, als executeur, heeft geweigerd informatie te geven over het document in de nalatenschap waaruit blijkt dat klagers een eerste recht van koop op de woonetage hebben. Ten tweede verwijten klagers de notaris dat zij niet heeft gehandeld zoals het een goed notaris betaamt, omdat dat zij onzorgvuldig is geweest in haar manier van communiceren. Beide klachtonderdelen ongegrond.klachtonderdeel 1 De notaris heeft verklaard dat klagers geen erfgenamen zijn in de nalatenschap en ook geen ander soort recht hebben dat voortvloeit uit de nalatenschap. Verder heeft de notaris verklaard dat zij met de erfgenamen heeft gesproken, maar zij geen toestemming hebben gegeven voor het delen van informatie met klagers. De kamer ziet geen reden om aan de verklaringen van de notaris te twijfelen en concludeert op basis van het voorgaande dat het haar niet vrijstond om informatie over de nalatenschap te delen met klagers.klachtonderdeel 2 Niet is gebleken van een onzorgvuldige of gebrekkige communicatie van de zijde van de notaris. Op verzoeken van klagers is voldoende tijdig en ook inhoudelijk adequaat gereageerd. Dat er tussen de brieven over en weer zes weken zijn verstreken, brengt niet mee dat er een tuchtrechtelijke grens is overschreden. De notaris had immers ook tijd nodig om een en ander uit te zoeken en om bij de erfgenamen navraag te doen. De notaris onderkent verder dat het achteraf bezien beter was geweest om klagers telefonisch uitleg te geven over haar rol als executeur. Dat zij dit heeft nagelaten is echter niet klachtwaardig. Het valt de notaris ook niet te verwijten dat haar reactie (die volgens klagers pas na maanden werd ontvangen) summier was, gezien het onder 5.6 en 5.7 overwogene. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing van 20 augustus 2026 in de klacht met nummer C/13/784986 / NT RK 26/9 van:
1. [klaagster],
wonende te [woonplaats]
en
2. [klager],
wonende te [woonplaats],
gemachtigde: C.C. Romeijn,
tegen:
[notaris],
notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigden: mrs. M.C.J. Höfelt en L.E. Verwey, advocaten te Amsterdam.
Partijen worden hierna klaagster, klager (hierna gezamenlijk: klagers) en de notaris
genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 13 maart 2026;
- de aanvullende productie van de zijde van klagers van 21 maart 2026;
- de aanvullende producties van de zijde van klagers van 26 maart 2026;
- de aanvullende productie van de zijde van klagers van 30 maart 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van 18 mei 2026.
1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 9 juli 2026 zijn klagers
en de notaris, vergezeld door hun gemachtigden, verschenen. De gemachtigden hebben
het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en partijen hebben
vragen van de kamer beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde
feiten en omstandigheden:
2.1. Klagers zijn huurders van de derde etage (hierna: de woonetage) aan de
[adres] in [woonplaats]. Deze woonetage maakt deel uit van het pand (hierna: het pand)
dat eigendom was van [naam erflater] (hierna: erflater), die het pand met uitzondering
van de door hem zelf bewoonde begane grond en eerste etage verhuurde. Het pand is
in juridische zin niet gesplitst in appartementsrechten.
2.2. Op [datum] 2025 is erflater overleden. Klagers stellen dat hij acht maanden
hiervoor had medegedeeld dat hij hen de mogelijkheid zou geven om de woonetage na
zijn overlijden te kopen en dat hij hierbij aangaf dat hij dit had besproken met zijn
drie zussen (hierna: de erfgenamen) en met zijn notaris (een oud-notaris, werkzaam
op het kantoor van de notaris, hierna: de oud-notaris).
2.3. Begin september en oktober 2025 hebben klagers telefonisch contact opgenomen
met zowel de erfgenamen als een voormalig zaakwaarnemer van erflater. Tijdens deze
gesprekken hebben zij besproken wat er is vastgelegd bij de oud-notaris. Klagers hebben
hiervan audio-opnames gemaakt.
2.4. Klagers hebben hierna contact opgenomen met de notaris. De notaris heeft
op 17 september 2025 bevestigd dat er een brief van erflater bestaat, maar heeft daarbij
aangegeven dat zij in het kader van haar beroepsgeheim hierin geen inzage kon geven.
Klagers hebben daarom een jurist van ARAG SE Nederland (hierna: de jurist) ingeschakeld
om hen bij te staan.
2.5. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de jurist contact opgenomen met de
erfgenamen met een verzoek tot informatie. Bij e-mail van 6 oktober 2025 hebben de
erfgenamen de jurist geschreven dat de notaris is benoemd tot executeur en dat zij
verantwoordelijk is voor de afhandeling van het testament.
2.6. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft de jurist aan de notaris geschreven:
“(…) Voor het overlijden van [erflater] werd er aan cliënte medegedeeld dat zij na zijn
overlijden het appartement voor een redelijke prijs (zijnde niet de marktprijs) zou
mogen overnemen. Volgens de nabestaanden zou u van deze afspraak c.q. wens op de hoogte
zijn. U verlangt echter bewijs, iets wat ik bij deze aandraag.
U ontvangt drie telefoongesprekken waarvan twee met de zus van [erflater] en één met [F] (vriend en voormalig zaakwaarnemer van [erflater]). Beide erkennen dat er een document ligt wat cliënte recht geeft tot een eerste koop. Daar de gesprekken vrij lang zijn en lang niet alles van relevantie is ontvangt u van mij de relevante tijden van de gesprekken. (…)
Hiermee heeft cliënte overduidelijk bewezen dat er iets ligt bij uw kantoor waar cliënte al dan niet rechten aan kan ontlenen.
Zodoende sommeer ik u om de betreffende documentatie binnen zeven dagen na heden naar
mij toe te sturen.”
2.7. Bij e-mail van 12 november 2025 heeft de jurist aan de notaris geschreven
dat hij nog geen reactie heeft ontvangen en graag binnen zeven dagen een inhoudelijke
reactie ontvangt.
2.8. Bij brief van 17 december 2025 heeft de notaris aan de jurist geschreven:
“Zoals ik u al eerder mededeelde staat het mij als notaris in zijn algemeenheid en
dus ook in het dossier van [erflater], niet vrij om aan u mededelingen te doen over
de inhoud en totstandkoming van testamenten. De inhoud van uw brief leidt niet tot
een wijziging van dit standpunt.
Inmiddels besprak ik als executeur het deel van de brief van 28 oktober jongstleden dat betrekking heeft op de erven van [erflater], met de erfgenamen. Naar aanleiding hiervan kan ik u als volgt berichten.
De erfgenamen begrijpen dat uw cliënte al geruime tijd de wens heeft om tot aankoop van de door uw cliënte gehuurde woning over te gaan. De erfgenamen zijn ermee bekend dat zij deze wens ook aan wijlen [erflater] kenbaar heeft gemaakt. Van een door haar verondersteld recht (en zijdens de erfgenamen bestaande verplichting) om de door uw cliënte gehuurde woning "voor een redelijke prijs (niet de marktprijs) te mogen overnemen" is niet gebleken en overigens ook geen sprake.
Met de erfgenamen is desondanks de mogelijkheid van een - geheel onverplichte - verkoop van de woning aan uw cliënte besproken. In dat kader is duidelijk geworden dat een verkoop aan uw cliënte niet tot de mogelijkheden behoort, aangezien het gebouw waar de woning onderdeel vanuit maakt juridisch niet gesplitst is. Aan de wens van uw cliënte kan mitsdien geen uitvoering worden gegeven.
Als executeur zal ik binnen afzienbare tijd overgaan tot verkoop van het gehele gebouw,
waarbij de rechten van uw cliënte uit de huurovereenkomst vanzelfsprekend zullen overgaan
op de opvolgend eigenaar.”
2.9. Bij e-mail van 5 maart 2026 heeft de jurist aan de notaris geschreven
dat klagers, nu zij blijkbaar geen recht hebben om de woonetage over te nemen, graag
duidelijkheid wensen te vergaren of de notaris iets anders in haar dossier heeft waarin
aan klagers wordt gerefereerd.
2.10. Bij e-mail van 19 maart 2026 heeft de notaris aan de jurist geschreven:
“Naar aanleiding van onderstaande e-mail en uw verzoek in deze sluit ik nogmaals mijn
brief van 17 december bij.
Zoals ik u al eerder mededeelde staat het mij als notaris in zijn algemeenheid en
dus ook in het dossier van [erflater], niet vrij om aan u mededelingen te doen over
de inhoud en totstandkoming van testamenten.
De inhoud van uw e-mail leidt niet tot een wijziging van dit standpunt.”
3. De klacht
De klacht bestaat uit twee klachtonderdelen.
3.1. Allereerst verwijten klagers de notaris dat zij, als executeur, heeft
geweigerd informatie te geven over het document in de nalatenschap waaruit blijkt
dat klagers een eerste recht van koop op de woonetage hebben. De notaris beroept zich
ten onrechte op haar geheimhoudingsplicht omdat klagers rechtstreeks en aantoonbaar
belanghebbenden zijn bij dit document, aldus klagers.
3.2. Ten tweede verwijten klagers de notaris dat zij niet heeft gehandeld zoals
het een goed notaris betaamt, omdat dat zij onzorgvuldig is geweest in haar manier
van communiceren. Zo menen klagers dat:
a) meerdere brieven onbeantwoord zijn gebleven;
b) terugbelverzoeken structureel zijn genegeerd; en
c) zij pas na maanden een summiere reactie van de notaris hebben ontvangen waarin
slechts wordt gesteld dat er geen sprake is van een voor klagers geldend recht, zonder
enige toelichting hierop.
4. Het verweer
De notaris heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt
hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna)
zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak
onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens
de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris
of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve
zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris
of kandidaat-notaris niet betaamt.
handelen in een andere hoedanigheid
5.2. Voor beide klachtonderdelen geldt dat zij betrekking hebben op handelen
van de notaris in een andere hoedanigheid, namelijk die van executeur. De kamer oordeelt
hierover als volgt.
5.3. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële
tuchtrechter, hierna: het hof) dat een notaris ook tuchtrechtelijk aansprakelijk kan
zijn voor handelen of nalaten in een andere hoedanigheid dan notaris, mits dat handelen
voldoende verband houdt met de hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij
passende gedragsniveau. Daarbij is niet vereist dat dit handelen uitsluitend aan een
notaris is voorbehouden (vergelijk hof 14 december 2021, ECLI:NL:GHAMS: 2021:3852).
Anders gezegd, een notaris is ook voor handelen of nalaten in een andere hoedanigheid
dan notaris aan tuchtrechtspraak onderworpen als hij/zij daardoor de eer en het aanzien
van het notarisambt schaadt of als dat handelen of nalaten een notaris niet betaamt.
5.4. Naar het oordeel van de kamer houden de gedragingen van een executeur
voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de
notaris zich voor haar handelen als executeur tuchtrechtelijk moet verantwoorden en
de kamer hier een oordeel over kan vellen.
klachtonderdeel 1
5.5. Klagers verwijten de notaris allereerst dat zij zich, als executeur, ten
onrechte zou beroepen op haar geheimhoudingsplicht. Dit klachtonderdeel is ongegrond
vanwege het navolgende.
5.6. Op grond van artikel 4:148 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient
een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening
van zijn taak geven. Een executeur kan alleen met nadrukkelijke toestemming van de
erfgenamen aan derden informatie verstrekken over een nalatenschap. Op grond van artikel
4:151 BW is een executeur daarnaast verplicht om aan de erfgenamen rekening en verantwoording
af te leggen over zijn taakuitoefening.
5.7. De notaris heeft verklaard dat klagers geen erfgenamen zijn in de nalatenschap
en ook geen ander soort recht hebben dat voortvloeit uit de nalatenschap. Verder heeft
de notaris verklaard dat zij met de erfgenamen heeft gesproken, maar zij geen toestemming
hebben gegeven voor het delen van informatie met klagers. De kamer ziet geen reden
om aan de verklaringen van de notaris te twijfelen en concludeert op basis van het
voorgaande dat het haar niet vrijstond om informatie over de nalatenschap te delen
met klagers.
klachtonderdeel 2
5.8. Ten tweede verwijten klagers de notaris dat zij in de communicatie met
klagers onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond vanwege
het volgende.
5.9. Niet is gebleken van een onzorgvuldige of gebrekkige communicatie van
de zijde van de notaris. Op verzoeken van klagers is voldoende tijdig en ook inhoudelijk
adequaat gereageerd. Dat er tussen de brieven over en weer zes weken zijn verstreken,
brengt niet mee dat er een tuchtrechtelijke grens is overschreden. De notaris had
immers ook tijd nodig om een en ander uit te zoeken en om bij de erfgenamen navraag
te doen. De notaris onderkent verder dat het achteraf bezien beter was geweest om
klagers telefonisch uitleg te geven over haar rol als executeur. Dat zij dit heeft
nagelaten is echter niet klachtwaardig.
5.10. Het valt de notaris ook niet te verwijten dat haar reactie (die volgens
klagers pas na maanden werd ontvangen) summier was, gezien het hiervoor onder 5.6
en 5.7 overwogene.
5.11. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.J. Dijk, voorzitter, A.J. Wesdorp, C. Holdinga,
E.W. Oosterbaan en O. Schlaman, leden en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus
2026 door mr. J.J. Dijk, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig
dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).