ECLI:NL:TADRARL:2026:193 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-629/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:193
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 26-629/AL/MN
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Tussen klaagster en verweerder is geen opdracht tot stand gekomen zodat van weigering om de zaak voor te zetten, feitelijk geen sprake is geweest. Uit de stukken is verder gebleken dat verweerder na het intakegesprek en zijn advisering duidelijk aan klaagster heeft gemeld dat en waarom hij haar zaak niet zou oppakken. In de daarna daarover met klaagster gevoerde correspondentie heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gereageerd op haar vragen over zijn advies. Dat klaagster zich daarin niet kon vinden, maakt het advies van verweerder nog niet ondermaats of anderszins onzorgvuldig of verwijtbaar. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 28 september 2026

in de zaak 26-629/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 20 juli 2026 met kenmerk 2587243 . Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van 24 juli 2026 van klaagster.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Op 17 september 2025 hebben klaagster en verweerder een bespreking gehad. Klaagster heeft een casus aan verweerder voorgelegd en met hem doorgesproken.  Verweerder heeft klaagster gevraagd om nog aanvullende stukken aan te leveren die hij zou kunnen gebruiken bij zijn beoordeling over de haalbaarheid van de casus.

1.2 Klaagster heeft begin oktober 2025 stukken aan verweerder gestuurd.

1.3 Op 2 oktober 2025 heeft verweerder op  klaagster een juridisch advies gegeven. Kort gezegd komt verweerder in zijn advies tot de conclusie dat de door klaagster voorgestelde route geen reële kans van slagen heeft. Verweerder heeft onder meer toegelicht dat een procedure in Nederland naar verwachting zal stranden op het ontbreken van rechtsmacht, en dat binnen het geldende internationale kader de bevoegdheid bij de Engelse rechter ligt. Ook heeft verweerder in zijn advies aangegeven dat er geen grondslag bestaat om een reeds afgeronde procedure via een nieuwe procedure in Nederland opnieuw aan de orde te stellen. Verweerder heeft op grond van zijn advies aan klaagster medegedeeld dat hij haar zaak niet aanneemt en geen procedure voor haar zal starten.

1.4 Op 2 en 8 oktober 2025 hebben klaagster en verweerder over en weer met elkaar gecorrespondeerd over het advies van verweerder.

1.5 Op 8 april 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. haar zaak niet voort te zetten;
  2. een onzorgvuldig (proces)advies te geven.

3 VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdelen a) en b)

4.4 De voorzitter ziet aanleiding om deze verwijten vanwege hun samenhang gelijktijdig te beoordelen.

4.5 Klaagster meent dat verweerder haar opdracht en de complexiteit van haar zaak heeft gereduceerd tot een enkelvoudige bevoegdheidsvraag en daarmee tot een voortijdige en te stellige afwijzing is gekomen. Verweerder heeft haar juridische en feitelijke argumenten onvoldoende zichtbaar betrokken in zijn beoordeling. Hij heeft haar verzoek beoordeeld alsof zij een reeds afgeronde kinderontvoeringsprocedure opnieuw wilde voeren, terwijl haar daadwerkelijke verzoek betrekking had op rechtsbijstand bij een bezwaar tegen het handelen van de Nederlandse Centrale Autoriteit. Hierdoor is de werkelijke juridische vraag van klaagster nooit inhoudelijk door verweerder onderzocht, met voor klaagster verstrekkende gevolgen.

4.6 Verweerder stelt dat hij de standpunten en ontvangen stukken van klaagster heeft gelezen en meegewogen in zijn advies aan haar. Zijn advies is verder gebaseerd op het toepasselijk juridische kader en op de relevante feiten. Klaagster kon zich in zijn advies niet vinden, ondanks zijn herhaalde toelichting. Hij w as ook niet gehouden om de zaak van klaagster verder uit te werken nadat hij in zijn advies tot de conclusie was gekomen dat een procedure geen redelijke kans van slagen had. Evenmin was hij gehouden om de zaak van klaagster na zijn negatieve advisering te aanvaarden. Het contact met klaagster is beperkt geweest tot een intakegesprek en advisering, waarna hij klaagster uitdrukkelijk heeft laten weten dat hij haar zaak niet zal doen. Van voorzetting van de zaak was geen sprake omdat er geen opdracht tot procesvertegenwoordiging tot stand was gekomen.

4.7De voorzitter hanteert als uitgangspunt dat een advocaat niet verplicht is om een zaak aan te nemen of voort te zetten indien de advocaat daarvoor geen juridische grondslag of een reële kans op succes ziet dan wel als sprake is van een onoverbrugbaar verschil van inzicht met de cliënt over de aanpak.  

4.8 Uit de stukken, waaronder de e-mail van verweerder van 2 oktober 2025, is de voorzitter gebleken dat er geen opdracht tot stand is gekomen dat verweerder voor klaagster (ook) een procedure zou starten. Van een weigering door verweerder om de zaak voort te zetten, is feitelijk dan ook geen sprake geweest.

4.9 Verder is uit de stukken gebleken dat verweerder na het intakegesprek en zijn advisering duidelijk aan klaagster heeft gemeld dat en waarom hij haar zaak niet zou oppakken. In de daarna daarover met klaagster gevoerde correspondentie heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gereageerd op haar vragen over zijn advies. Dat klaagster zich daarin niet kon vinden, maakt het advies van verweerder nog niet ondermaats of anderszins onzorgvuldig of verwijtbaar.

4.10 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mocht worden verwacht. De klachtonderdelen a) en b) worden dan ook kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

Griffier                                                                                                                         Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026