ECLI:NL:TAHVD:2026:312 Hof van Discipline 's Gravenhage 250463

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:312
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 30-09-2026
Zaaknummer(s): 250463
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Maatregelen, subonderwerp: Schorsing
  • Maatregelen, subonderwerp: Tuchtrechtelijk verleden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Verweerder heeft bij de behandeling van de zaak van klaagsters in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid,  deskundigheid en financiële integriteit. Verweerder heeft geen regie gevoerd en klaagster onnodig twee keer cassatieadvies laten inwinnen. In de procedure van klaagster heeft verweerder onvoldoend deskundige rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft ook de informatieplicht (gedragsregel 16) miskend: verweerder heeft geen opdrachtbevestiging verzonden en niets schriftelijk vastgelegd over adviezen, processtrategie, kansen, risico’s en kosten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de opgelegde maatregel (voorwaardelijke schorsing van vier weken). In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder, zijn houding ter zitting en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.

Beslissing van 28 september 2026 
in de zaak 250463

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder


tegen:


klaagster

1    INLEIDING EN SAMENVATTING

1.1    Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Verweerder heeft bij de behandeling van de zaak van klaagsters in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid,  deskundigheid en financiële integriteit. Verweerder heeft geen regie gevoerd en klaagster onnodig twee keer cassatieadvies laten inwinnen. In de procedure van klaagster heeft verweerder onvoldoend deskundige rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft ook de informatieplicht (gedragsregel 16) miskend: verweerder heeft geen opdrachtbevestiging verzonden en niets schriftelijk vastgelegd over adviezen, processtrategie, kansen, risico’s en kosten. Het beroep van verweerder tegen de door de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gegrond verklaarde klachtonderdelen slaagt daarom niet. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de opgelegde maatregel (voorwaardelijke schorsing van vier weken). In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder, zijn houding ter zitting en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-493/AL/OV) een beslissing genomen op 1 december 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:263 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 30 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 juli 2026. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast. 

3.2    Klaagster is verwikkeld geweest in een echtscheidingsprocedure.

3.3    In de procedure in eerste aanleg is klaagster bijgestaan door een andere advocaat. De echtscheiding was gevraagd door de ex-echtgenoot van klaagster. Namens klaagster is in eerste aanleg als verweer aangevoerd dat haar ex-echtgenoot door medische/psychische oorzaken niet (voldoende) in staat was om zijn wil omtrent de echtscheiding en de gevolgen daarvan te bepalen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en dit verweer verworpen.

3.4    Verweerder heeft na de beschikking van de rechtbank vanaf medio juni 2021 de bijstand van klaagster van de andere advocaat overgenomen.

3.5    Verweerder heeft namens klaagster hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is hetzelfde verweer inzake de wilsbekwaamheid van de ex-echtgenoot gevoerd. Verder is door verweerder gevraagd om een voortdurend recht van gebruik van de echtelijke woning toe te kennen aan klaagster.

3.6    Het gerechtshof heeft in zijn uitspraak het verweer over de wilsbekwaamheid van de ex‑echtgenoot verworpen, evenals het verzoek om een langer gebruiksrecht van de echtelijke woning. Het hof heeft over dit laatste het volgende overwogen:

“Naar het oordeel van het hof bestaat geen juridische grondslag voor toewijzing van het verzoek van de vrouw om haar een recht van voortgezet gebruik van de woning toe te kennen tot haar overlijden. Partijen zijn weliswaar ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning, maar de wet biedt in artikel 1:165 BW slechts de mogelijkheid tot het toekennen van een recht van voortgezet gebruik voor een periode van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Indien de vrouw een langer gebruiksrecht van de woning wenst, kan zij dat overeenkomen met de man. Voorop staat echter dat ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat niemand tegen zijn wil gehouden kan worden in een onverdeeldheid te blijven. Dit brengt mee dat de man de verdeling van de woning kan verzoeken en dar de vrouw in beginsel gehouden is daaraan haar medewerking te verlenen. Een verzoek om de woning onverdeeld te laten voor een periode van (maximaal) drie jaar (artikel 3:178 BW) is door de vrouw niet gedaan.”

3.7    Na de uitspraak in hoger beroep is cassatieadvies ingewonnen bij een cassatieadvocaat. Zijn cassatieadvies was negatief, omdat de oordelen van het hof waartegen klaagster wilde opkomen,  volgens hem feitelijke en voldoende gemotiveerde oordelen van het gerechtshof betroffen die daarom niet met succes in cassatie kunnen worden aangevochten.

3.8    Na dit cassatieadvies is nog een cassatieadvies gevraagd aan een andere cassatieadvocaat. Deze advocaat heeft ook een negatief advies uitgebracht.

3.9    Na afloop van de procedure heeft verweerder betaling verzocht van openstaande facturen. Op 15 augustus 2024 heeft klaagster van verweerder een aanmaning ontvangen voor een bedrag van € 6.875,88.

3.10     Klaagster heeft op 27 augustus 2024 een klacht over verweerder ingediend bij de interne klachtenfunctionaris van het kantoor waar verweerder werkzaam is.

3.11     De klachtenfunctionaris heeft in zijn brief van 9 november 2024 de klacht van klaagster voor een groot deel gegrond bevonden.

3.12     Klaagster heeft op 10 januari 2025 de klacht bij de deken ingediend.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, en voor zover in beroep aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door klaagster niet adequaat bij te staan. Verweerder heeft klaagster niet van de juiste adviezen voorzien. De twee procedures waarin verweerder klaagster heeft bijgestaan hebben geen positief resultaat opgeleverd, terwijl er hoge kosten aan verbonden waren.

4.2    Verweerder heeft onnodig aangeraden een cassatieadvies in te winnen en vervolgens - na een negatief advies – weer onnodig geadviseerd een tweede cassatieadvies in te winnen, met alle kosten van dien. Cassatieberoep werd namelijk door beide cassatieadvocaten afgeraden dan wel als niet mogelijk beschouwd.

4.3    Uit het eerste cassatieadvies blijkt dat klaagster mogelijkheden zou hebben gehad om langer in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen, maar dat verweerder in zijn beroepschrift ten onrechte geen beroep heeft gedaan op het toepasselijke wetsartikel.
(…) 
(…)

4.4    Ondanks dat een minnelijke regeling met finale kwijting was overeengekomen, wilde verweerder de facturen volledig voldaan zien. Klaagster was in augustus 2023 bij verweerder op kantoor uitgenodigd om het negatieve resultaat en de hoge kosten te bespreken. Verweerder had al eerder aangegeven dat ze na betaling van een deel van de facturen de overige facturen in een ‘laatje’ zou mogen wegleggen. Tijdens het gesprek heeft klaagster een voorstel gedaan tot betaling van € 8.881,=  tegen finale kwijting. Zij heeft dit bedrag betaald en daarna heeft zij niets meer van verweerder hierover vernomen, totdat zij op 15 augustus 2024 een aanmaning voor een bedrag van € 6.875,88 ontving. De aanmaning betrof factuurnummers die in het overzicht waren opgenomen waarvoor zij het voorstel tot finale kwijting had gedaan, met toevoeging van een factuur voor het gesprek op kantoor in augustus 2023. Gelet op hun eerdere afspraak had verweerder deze aanmaning niet mogen verzenden.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft op basis van het dossier niet kunnen vaststellen of verweerder onjuiste adviezen heeft gegeven waardoor klaagster de procedure heeft verloren. De raad heeft vastgesteld dat verweerder, zoals ook is erkend door verweerder, geen opdrachtbevestiging naar klaagster heeft gestuurd. Het dossier bevat ook geen ander stuk waarin hij haar heeft gewezen op de mogelijke juridische stappen, de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. Verweerder heeft aangevoerd dat hij klaagster mondeling uitgebreid heeft geadviseerd en geïnformeerd. Naar het oordeel van de raad had het echter op zijn weg gelegen om dit schriftelijk aan klaagster te bevestigen, temeer daar hij de zaak op zich heeft genomen na een verloren procedure in eerste aanleg. Door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting konden bij klaagster onjuiste verwachtingen ontstaan over de slagingskansen en financiële gevolgen van de te nemen vervolgstappen in de procedure. Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster zelf deskundig was en dat het haar wens was om het verweer inzake de wilsbekwaamheid in hoger beroep nogmaals te voeren, maar dit ontslaat verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid om haar van schriftelijke informatie en adviezen te voorzien op basis waarvan zij een weloverwogen keuze had kunnen maken.

5.2    De raad heeft in het dossier evenmin een schriftelijke advisering aangetroffen over het al dan niet aanvragen van een cassatieadvies. Verweerder heeft aangevoerd dat hij zijn adviezen wel mondeling uitgebreid heeft toegelicht, maar dit neemt niet weg dat hij deze adviezen schriftelijk 
– inclusief argumenten – aan klaagster had moeten bevestigen. Dit geldt nog in versterkte mate voor zijn advies om een tweede cassatieadvies in te winnen, gelet op het feit dat in het eerste cassatieadvies een cassatieberoep sterk was ontraden.

5.3    Verweerder heeft tijdens de zitting met nadruk betwist dat met klaagster een minnelijke schikking over de kosten was overeengekomen. Nu het dossier hierover geen stukken bevat, heeft de raad niet kunnen vaststellen of een betalingsafspraak is gemaakt. Wel staat vast dat klaagster en verweerder hebben gesproken over betaling van facturen en dat verweerder over de uitkomst van dit gesprek niets schriftelijk heeft bevestigd. Hierdoor konden misverstanden ontstaan over de vraag of overeenstemming was bereikt.  

5.4    Verweerder heeft erkend dat hij geen beroep heeft gedaan op artikel 3:178 BW, maar hij heeft hieraan toegevoegd dat vermelding van het toepasselijke wetsartikel niet noodzakelijk was voor toewijzing van het verzoek, omdat het gerechtshof zelf het juiste wetsartikel erbij had kunnen betrekken. De raad kan verweerder hierin niet volgen, nu uit de door hem overgelegde overweging in het arrest van het gerechtshof juist blijkt dat toewijzing van het verzoek niet mogelijk was, aangezien geen beroep was gedaan op artikel 3:178 BW. Naar het oordeel van de raad mag van een advocaat als professionele belangenbehartiger verwacht worden dat hij een verzoek in een processtuk van de juiste juridische grondslag voorziet.  

5.5    De raad heeft geconcludeerd dat verweerder niet aan zijn informatieplicht, als bedoeld in gedragsregel 16, heeft voldaan. Hij heeft niet adequaat gecommuniceerd en onvoldoende regie gevoerd door vanaf het aannemen van de opdracht op diverse momenten na te laten belangrijke informatie, afspraken, adviezen - voorzien van een inschatting van risico’s en kosten - schriftelijk vast te leggen. Ook had verweerder het gesprek over betaling van zijn declaraties schriftelijk moeten bevestigen om misverstanden te voorkomen. Verder heeft verweerder de kernwaarde deskundigheid, als bedoeld in artikel 10a lid 1 aanhef en onder c Advocatenwet, geschonden door in zijn beroepschrift niet het wetsartikel te vermelden waarop het verzoek is gebaseerd. In al deze opzichten is de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder niet zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In zoverre heeft de raad de klacht gegrond verklaard. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Door verweerder zijn de volgende beroepsgronden aangevoerd. 

Beroepsgrond 1
6.2    Verweerder erkent dat hij geen schriftelijke opdrachtbevestiging aan klaagster heeft gestuurd en de door hem gegeven voorlichting en adviezen niet heeft vastgelegd. Volgens verweerder was daar in dit geval geen aanleiding toe omdat klaagster bij de besprekingen en zittingen altijd werd vergezeld door twee vrienden, die ook de correspondentie en (concept)processtukken toegestuurd kregen door klaagster. Verder heeft verweerder een tweede cassatieadvies verzocht omdat klaagster de geestestoestand van haar echtgenoot bleef benoemen en klaagster was opgeleid in de gerontologie. Een van de vrienden van klaagster die neuroloog is, had ook een brief geschreven over de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de echtgenoot van klaagster. 

Beroepsgrond 2
6.3    Verweerder stelt dat hij geen minnelijke regeling met klaagster heeft getroffen over zijn declaraties. Er zijn wel gesprekken gevoerd over de facturen maar geen afspraken gemaakt over het al dan niet crediteren van declaraties. 

Beroepsgrond 3
6.4    Verweerder erkent dat hij in zijn processtukken in de hoger beroepsprocedure niet artikel 3:178 BW heeft genoemd. Volgens verweerder is dat ook niet nodig omdat de rechter ambtshalve de rechtsgronden kan aanvullen (artikel 25 Rv.). Verder voert verweerder aan dat het gerechtshof het namens de vrouw verzochte permanente gebruiksrecht heeft onderzocht. 

Beroepsgrond 4
6.5    Verweerder betwist dat hij zijn informatieplicht als bedoeld in gedragsregel 16 heeft geschonden. Verweerder stelt dat hij klaagster steeds tijdig uitvoerig heeft geïnformeerd over het verloop van de procedure en de kansen op succes. Verweerder stelt ook te hebben besproken met klaagster om het hof te verzoeken een deskundige te benoemen om de wils(on)bekwaamheid van haar echtgenoot te laten vaststellen maar ook dat dat geen garantie zou geven. 

Beroepsgrond 5
6.6    Verweerder is het niet eens met de maatregel die de raad heeft opgelegd en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Onder verwijzing naar jurisprudentie stelt verweerder subsidiair dat de maatregel van een waarschuwing zou volstaan. Primair is verweerder van mening dat de klacht alsnog geheel ongegrond moet worden verklaard. 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 

7.2    De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit regel 16 van de gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven. 

7.3    Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf. 

geen schriftelijke vastlegging door verweerder 

7.4    Aan de basis van de klacht van klaagster dat verweerder haar niet adequaat heeft geadviseerd ligt de informatieverplichting van verweerder zoals deze staat in gedragsregel 16. Deze informatieplicht heeft verweerder in de zaak van klaagster miskend: verweerder heeft geen opdrachtbevestiging verzonden aan klaagster en er zijn ook geen andere stukken waaruit blijkt wat verweerder met klaagster heeft besproken over de processtrategie, adviezen, kansen, risico’s en kosten. Het argument van verweerder dat klaagster tijdens besprekingen altijd ten minste één iemand bij zich had die aantekeningen maakte van het overleg – wat daar verder ook van zij – heft de eigen verantwoordelijkheid van verweerder niet op. Verweerder had zelf belangrijke informatie en afspraken schriftelijk moeten bevestigen. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting bij klaagster onjuiste verwachtingen kunnen zijn ontstaan over de slagingskansen en financiële gevolgen van de te nemen (vervolg)stappen in de echtscheidingsprocedure. 

geen adequate belangenbehartiging

7.5  Verweerder heeft in hoger beroep de visie van klaagster dat haar echtgenoot niet in staat was zijn wil te bepalen (en om die reden geen echtscheiding kon verzoeken) gevolgd. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder klaagster had behoren te informeren over de (on)haalbaarheid van een dergelijk verweer. Het argument van verweerder dat klaagster gerontoloog was en zij daarom zelf deskundig was op dit onderwerp doet niets af aan het feit dat verweerder – als dominus litis – de processtrategie bepaalt en vanuit zijn juridische expertise (ook) op dit onderdeel klaagster adequaat had behoren voor te lichten over de haalbaarheid van het in hoger beroep ter discussie stellen van de wilsbekwaamheid van haar echtgenoot. Dat verweerder dat wel zou hebben gedaan, is onvoldoende onderbouwd. Voor klaagster was dit een wezenlijk onderdeel van het, op haar verzoek, door verweerder ingestelde hoger beroep. Verweerder had ook daarom regie moeten nemen. Het uitsluitend doorgeven van het standpunt van zijn cliënte aan het gerechtshof voldoet niet aan de kwaliteit van dienstverlening die een behoorlijk handelend advocaat betaamt. Ook heeft verweerder hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid (artikel 10a lid 1a Advocatenwet). Het hof rekent het verweerder verder aan dat hij niets heeft vastgelegd wat hij hierover aan klaagster heeft geadviseerd en/of met haar heeft besproken. Daarmee is verweerder voorbijgegaan aan de ratio en strekking van gedragsregel 16. 

7.6    Omdat verweerder niet heeft vastgelegd wat is besproken, kan ook niet worden vastgesteld wat verweerder klaagster heeft geadviseerd over het inwinnen van cassatieadvies en waarom – nadat het eerste cassatieadvies negatief was – verweerder klaagster heeft geadviseerd een tweede cassatieadvies in te winnen. Dit geldt te meer nu de eerste cassatieadvocaat had aangegeven dat het instellen van cassatie geen zin had omdat verweerder de vordering van klaagster om langer in de woning te kunnen blijven niet had onderbouwd met een gemotiveerd beroep op artikel 3:178 BW. Verweerder, die de inhoud van dit cassatieadvies niet heeft weersproken, heeft ook ter zitting bij het hof hierover geen opheldering kunnen geven behalve dat het eerste cassatieadvies negatief was en cassatie alleen mogelijk is met een positief cassatieadvies. Het moet verweerder duidelijk zijn dat een dergelijk argument geen hout snijdt. Verweerder had juist vanwege de inhoud van het eerste cassatieadvies terughoudend moeten zijn om klaagster opnieuw een cassatieadvies in te laten winnen, niet alleen uit een oogpunt van kosten maar ook omdat uit het eerste cassatieadvies volgde dat verweerder – als advocaat van klaagster – had verzuimd haar vordering om langer in de woning te kunnen blijven te onderbouwen met een gemotiveerd beroep op het juiste wetsartikel. Het ook in beroep door verweerder herhaalde argument dat het niet nodig was om dit wetsartikel te noemen omdat het gerechtshof de rechtsgronden aanvult, treft geen doel. Verweerder miskent daarmee dat hij als advocaat dan wel de juiste feitelijke grondslag aan de vordering ten grondslag had moeten leggen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft slechts om voortgezet gebruik van de woning verzocht en niet om uitsluiting van de boedelverdeling.   

7.7    De beide cassatieadviezen hebben klaagster extra geld gekost. Verweerder heeft er in de procedure en ter zitting bij het hof geen blijk van gegeven dat hij zich dat aantrekt. Na daartoe bevraagd te zijn door het hof heeft verweerder toegegeven dat achteraf bezien geen tweede cassatieadvies nodig was. Dit voortschrijdend inzicht bij verweerder komt in ieder geval voor klaagster te laat. Ook heeft het hem er niet toe geleid zijn standpunt dat de voor de cassatieadviezen gemaakte kosten voor rekening van klaagster moeten blijven te heroverwegen.

7.8    Verweerder heeft met de hiervoor behandelde handelwijze in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid (artikel 10a lid 1c Advocatenwet). 

geen duidelijkheid over betaling van de declaraties van verweerder

7.9  Het gebrek aan schriftelijke vastlegging door verweerder wreekt zich ook op het punt van zijn declaraties. De uitkomst van het overleg op het kantoor van verweerder in augustus 2023 over de openstaande declaraties is niet door verweerder aan klaagster bevestigd. Volgens klaagster is toen een minnelijke regeling met finale kwijting overeengekomen wat verweerder betwist. 
De onduidelijkheid over de uitkomst van het gesprek ligt in de risicosfeer van verweerder. Na het overleg – dat verweerder ook in rekening heeft gebracht bij klaagster – had verweerder wat was besproken aan klaagster moeten bevestigen. Verweerder heeft dat niet gedaan. Wel heeft verweerder, circa één jaar na de betaling door klaagster van het bedrag dat volgens haar in augustus 2023 was afgesproken, aanspraak gemaakt op het nog openstaande bedrag van zijn declaraties. Daar bevond zich ook onder een declaratie voor de tijd gemoeid met de bespreking in augustus 2023 over de openstaande rekeningen. Het in rekening brengen van die kosten acht het hof op zich al laakbaar. Klaagster heeft het openstaande bedrag op de derdengeldrekening van het kantoor van verweerder gestort in afwachting van de afloop van deze klachtprocedure. Van verweerder had verwacht mogen worden dat hij in ieder geval na kennisname van het oordeel van de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder (in november 2024) dat de klacht van klaagster voor een groot deel gegrond was, zich had ingespannen om met klaagster tot een oplossing te komen. Het hof acht deze handelwijze van verweerder niet zoals een behoorlijk advocaat betaamt en in strijd met de kernwaarde financiële integriteit (artikel 10a lid 1d Advocatenwet).

Slotsom 

7.10 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van verweerder geen doel treft. Verweerder heeft nagelaten te handelen zoals een zorgvuldig en bekwaam handelend advocaat betaamt. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid, deskundigheid en financiële integriteit (artikel 10a Advocatenwet). Ook heeft verweerder de ratio en strekking van gedragsregel 16 (informatieplicht) miskend. Het hof zal de beslissing van de raad ten aanzien van de gegrond verklaarde klachtonderdelen bekrachtigen. 

8    MAATREGEL

Het hof ziet in de hierboven behandelde handelwijze van verweerder, zijn houding ter zitting bij het hof en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder aanleiding de maatregel die de raad heeft opgelegd te vernietigen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder blijk heeft gegeven van reflectie op zijn handelwijze in de zaak van klaagster en welke (financiële) gevolgen die voor klaagster heeft gehad. Het ter zitting uitgesproken inzicht van verweerder – dat hij zijn adviezen had moeten vastleggen bij aanvang en tijdens de procedure en dat de toelichting op de vordering van klaagster in hoger beroep explicieter had gekund – kwam pas nadat verweerder daarop expliciet was bevraagd door het hof. Het hof acht tegen die achtergrond bezien de door de raad opgelegde maatregel ontoereikend, en de beslissing van de raad zal op dit punt dan ook worden vernietigd. Het hof acht de oplegging van de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing, voor de duur van vier weken, passend en geboden. Het hof is ambtshalve bekend dat in de klachtprocedure met zaaknummer 250464 ook een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken aan verweerder is opgelegd. Die schorsing zal ingaan na afloop van de schorsing in deze procedure.


9    PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof een maatregel oplegt zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten  van klaagster (forfaitair); 
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2    Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,-- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3    Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     vernietigt de beslissing van 1 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-493/AL/OV, voor zover daarin de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

10.2     legt aan verweerder de maatregel op van een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken,  

10.3     bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 26 oktober 2026,  met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

10.4     bekrachtigt de beslissing van 1 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-493/AL/OV, voor het overige en voor zover in beroep aan het oordeel van het hof is voorgelegd;

10.5     veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van 
€ 50,-- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.6  veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. M.F. Baaij, D. Wachter, A. Groenewoud en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
 

griffier    voorzitter             


De beslissing is verzonden op 28 september 2026.