ECLI:NL:TGZRAMS:2026:222 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9019
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:222 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-09-2026 |
| Datum publicatie: | 25-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9019 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. Verweerster heeft in het kader van een aansprakelijkstelling een medisch advies uitgebracht aan de verzekeraar van de woningcorporatie. Klager verwijt verweerster, kort gezegd, dat het medisch advies onzorgvuldig is. |
A2025/9019
Beslissing van 25 september 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 14 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
internist,
werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de medisch adviseur,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft de woningcorporatie van wie hij een woning huurt aansprakelijk
gesteld voor door hem geleden (gezondheids)schade, omdat die woning tot 2021 loden
(water)leidingen bevatte en de blootstelling aan lood volgens klager heeft geleid
tot diverse gezondheidsklachten. Verweerster is internist en heeft in het kader van
die aansprakelijkstelling een medisch advies uitgebracht aan de verzekeraar van de
woningcorporatie. In dat advies is beoordeeld of er een verband bestaat tussen langdurige
blootstelling aan lood en de klachten van klager. Klager verwijt verweerster dat het
medisch advies om verschillende – hierna te bespreken – redenen onzorgvuldig is.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 september 2025;
- de aanvulling op het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager, ontvangen op 22 december 2025, 15 januari 2026
en 28 januari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 10 februari 2026;
- de brief van klager met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
- de brief van (de gemachtigde van) verweerster, ontvangen op 17 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1970, kampt geruime tijd met diverse gezondheidsklachten
waarvoor hij verschillende artsen heeft bezocht.
3.2 Klager woont in een huurwoning uit 1905 in B waarin tot 2020/2021 sprake was van een loden waterleiding. Vanaf 2019/2020 is bij klager de gedachte opgekomen dat loodvergiftiging een mogelijke oorzaak voor zijn gezondheidsklachten kon zijn. Bij bloedonderzoek in januari 2020 is bij klager een verhoogde loodspiegel gevonden (van 1.84 bij een bovengrens van 1.00).
3.3 In februari 2020 heeft het KIWA (Keuringsinstituut voor WaterleidingArtikelen) onderzoek verricht in onder meer de huurwoning van klager. Bij dat onderzoek is in het water uit de keukenkraan een waarde van 62000 ug/l gemeten. Dat is ver boven de norm. Bij de kraan van de wasbak in de badkamer is een waarde van 9.0 ug/l gemeten. Dat is binnen de norm. Over die eerste waarde heeft KIWA opgemerkt te twijfelen aan de validiteit van deze meting, omdat deze waarde bijzonder hoog was en niet eerder bij vergelijkbare onderzoeken is vastgesteld. De loden waterleidingen in de woning van klager zijn vervolgens in 2020/2021 vervangen.
3.4 Bij een XRF-analyse in 2024/2025 op een bij klager verwijderde tand is een uitzonderlijk hoge loodconcentratie (12.793 ppm) gevonden, wat bevestigt dat het tandweefsel langdurig is blootgesteld aan lood.
3.5 In 2023 heeft klager de woningcorporatie van wie hij zijn woning huurt aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden (gezondheids)schade.
3.7 Verweerster is internist en werkzaam als medisch adviseur bij E, onderdeel van G (de verzekeraar van de woningcorporatie). Zij heeft op 12 september 2025 een medisch advies (hierna: het medisch advies) opgesteld, ter beantwoording van onder meer de vraag of er aanwijzingen zijn dat de klachten enkel en alleen gevolg zijn van een vermeende te grote hoeveelheid lood in het water. Die vraag is in het medisch advies ontkennend beantwoord.
3.8 In het medisch advies is onder meer het volgende vermeld:
“Weging en conclusies
Mijn mening is als volgt:
Betrokkene, een 55-jarige man, claimt op 18.01.2023 dat zijn diverse lichamelijke
klachten veroorzaakt worden door een langdurige blootstelling aan te veel lood dat
in het kraanwater werd aangetroffen bij nog aanwezige loden waterleidingen.
(…)
Betrokkene is in de periode 2007-2010 blootgesteld aan lood via het kraanwater,
omdat de leidingen in zijn woning nog uit lood bestonden. In 2020 zijn deze leidingen
vervangen.
(…)
Het loodgehalte in het Nederlandse kraanwater is laag. Toch laat onderzoek van het
RIVM uit 2019 zien dat zwangeren, flesgevoede kinderen en jonge kinderen tot en met
7 jaar te veel lood kunnen binnenkrijgen via kraanwater. Dit geldt dus niet voor volwassenen.
Loodblootstelling via loden waterleidingen komt veelvuldig voor aangezien de waterinstallaties
van voor 1960 loden leidingen bevatten. Echter de meest voorkomende bron voor lood
inname is vanuit ons voedsel, namelijk gewassen/groentes/brood/thee/vruchtensappen
en zuivelproducten. Lood is vooral een risico voor de gezondheid van jonge kinderen
wegens de negatieve gevolgen op de hersenen.
(…)
Zowel de acute als de chronische klachten van een loodvergiftiging zijn divers en
aspecifiek. (…)
Chronische klachten kunnen immers zijn:
(…).
Van bovengenoemde klachten heeft betrokkene er slechts enkele en de op de voorgrond
staande gewrichtsklachten en peesontsteking behoren dus niet tot de bovengenoemd klachten.
Bovendien behoort betrokkene niet tot de risicogroep en wordt het meeste lood met
het kraanwater weggespoeld.
(…)
Concluderend is er sprake geweest van lood in het kraanwater door de aanwezige loodleidingen
welke in 2020 vervangen zijn. Er is bij betrokkene sprake geweest van een verhoogd
loodspiegel in bloed, maar of dit door het kraanwater kwam of door het eten van voedsel
is niet te bepalen, maar in Nederland zit er doorgaans meer lood in de grond dan in
het kraanwater. De diverse klachten van betrokkene zijn niet terug te voeren op deze
verhoogde loodspiegel. Lood wordt normaliter in kleine hoeveelheden door het lichaam
zelf geklaagd. Voor de vele klachten van betrokkene zijn (meerdere) andere verklaringen.
Bovendien blijkt uit de aangereikte medische informatie, dat betrokkene ondanks grondig
zelfonderzoek, toch niet in staat gebleken is de gevonden “afwijkingen” op een zodanige
onafhankelijke wijze te interpreteren dat er sprake is van een samenhangend patroon
van klachten/afwijkingen die door een chronische loodexposure te verklaren zouden
zijn. Zowel een chronische als een acute loodintoxicatie leidt tot met name schade
aan het centrale zenuwstelsel waardoor ook de hormoonhuishouding verstoord kan raken
die
immers centraal gereguleerd wordt. Maar verstoringen hierin werden bij betrokkene
niet aangetoond.
Beantwoording vraagstelling en advies
(…) Zijn er aanwijzingen dat de klachten enkel en alleen gevolg zijn van een vermeende
te grote hoeveelheid lood in het water? Nee, zie weging en conclusie.
(…).”
4. De klacht en de reactie van de medisch adviseur
4.1
Klager verwijt de medisch adviseur – samengevat – dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld
door:
a) het medisch advies niet te ondertekenen;
b) in het medisch advies niet binnen de grenzen van haar deskundigheid te blijven;
c) onderzoeksgegevens onjuist te interpreteren;
d) inbreuk te maken op zijn persoonlijke levenssfeer;
e) de reputatie van klager te beschadigen.
4.2 De medisch adviseur heeft het college verzocht om de klacht, indien ontvankelijk, ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het college moet toetsen of de medisch adviseur bij het beroepsmatig handelen
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening
houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig
geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm is aanvaard.
Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het dus niet
om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op
de vraag of binnen die grenzen is gebleven.
5.2 Verder dienen bij de beoordeling van de vraag of een advies van een arts voldoet
aan de daaraan te stellen eisen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn of haar deskundigheid.
5.3 Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot de getrokken conclusie heeft kunnen komen (op basis van de informatie waarop zij op dat moment beschikte). Een medisch advies is beperkter van opzet, strekking en inhoud dan een deskundigenrapport. Het is een (in principe intern) advies aan één van de partijen, die betrokken zijn bij de afwikkeling van schade (in dit geval: de woningcorporatie die aansprakelijk is gesteld voor de gestelde schade door de aanwezigheid van loden leidingen tot 2021 in de door klager gehuurde woning). Dat neemt niet weg dat de hiervoor genoemde criteria geschikt zijn als toetsingskader, omdat deze criteria meer of minder stringent kunnen worden ingevuld, afhankelijk van de aard en omvang van de te toetsen adviezen.
5.4 Uitgaande van vorenstaande toetsingskaders zal het college de verschillende klachtonderdelen – die in het klaagschrift summier zijn beschreven en onderbouwd – hierna beoordelen.
Stukken en processueel verzoek van klager
5.5 De hiervoor bedoelde beoordeling gebeurt aan de hand van de onder 2.1 genoemde
stukken, met uitzondering van de door klager ingediende stukken na het aanvullende
klaagschrift dat is ontvangen op 3 oktober 2025. De goede procesorde vereist onder
meer dat het voor een verwerende partij duidelijk moet zijn waartegen hij of zij zich
heeft te verdedigen. Aan die eis is niet voldaan met betrekking tot voornoemde stukken.
Het betreft een grote hoeveelheid stukken, die deels onvertaald of door klager zelf
vertaald zijn. Bovendien heeft klager niet toegelicht wat uit die stukken relevant
is en waarom. Daarnaast ziet een deel van deze stukken op de periode van na het medisch
advies. Deze stukken zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten. Dat betekent
dat de klacht en het verweer zullen worden beoordeeld aan de hand van het klaagschrift,
de op 3 oktober 2025 ontvangen aanvulling daarop en het verweerschrift met bijlagen.
5.6 Het verzoek van klager om hetgeen hij tijdens het mondeling vooronderzoek heeft verklaard buiten beschouwing te laten, zal niet worden ingewilligd. Dit verzoek is opgenomen in de stukken die buiten beschouwing worden gelaten. Ook als dit anders was en deze stukken wel tot het procesdossier zouden behoren, zou dit – hoogst ongebruikelijke – verzoek niet worden ingewilligd. Het college licht dat als volgt toe. Dat klager, zoals hij stelt, zichzelf mogelijk niet in staat acht om juridisch nauwkeurig geformuleerde standpunten in te nemen had ondervangen kunnen worden door het inschakelen van rechtsbijstand. Klager heeft daar niet voor gekozen. Dat klager in medisch opzicht (‘als gevolg van cognitieve beperkingen ten gevolge van loodexpositie’) niet in staat is om zijn standpunten goed naar voren te brengen is niet aangetoond. Het college ziet dan ook geen reden om de inhoud van het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek (deels) buiten beschouwing te laten.
Klachtonderdeel a) ondertekening van het medisch advies ontbreekt
5.7 Klager verwijt de medisch adviseur dat zij een medisch advies heeft uitgebracht
zonder dat te ondertekenen, wat volgens hem ernstige twijfels oproept over de authenticiteit
en verantwoordelijkheid.
5.8 Het college overweegt als volgt. In het medisch advies is (op pagina 1) vermeld dat het advies door de medisch adviseur is opgesteld en wat haar BIG-nummer is. Daarmee is duidelijk wie verantwoordelijk is voor de inhoud van het advies. Er is dan ook geen reden om te concluderen dat sprake is van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid op dit punt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) de medisch adviseur blijft niet binnen de grenzen van haar deskundigheid
5.9 Klager stelt dat de medisch adviseur buiten de grenzen van haar deskundigheid
is getreden door het geven van een toxicologisch oordeel over de oorzaak van zijn
klachten en over de betekenis van gemeten loodwaarden.
5.10 Het college overweegt als volgt. In het medisch advies gaat het in de kern om de vraag of de door klager gestelde klachten kunnen worden gerelateerd aan de eventuele blootstelling aan lood. Dat is wat de medisch adviseur onderzoekt. Daartoe verzamelt zij gegevens over de gestelde klachten van klager, interpreteert zij onderzoeksgegevens, uitslagen, beschouwingen en (het ontbreken van) geobjectiveerde diagnoses zoals beschreven in de beschikbare medische documentatie. Zij beoordeelt vervolgens of en hoe dit te relateren is aan de eventuele blootstelling aan lood. Dit alles valt binnen het expertisegebied van een internist. Daarmee is ook dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel c) de onderzoeksgegevens zijn onjuist geïnterpreteerd
5.11 Klager stelt dat relevante objectieve gegevens (zoals de tandanalyse en het
KIWA-rapport) niet correct zijn weergegeven of onterecht terzijde zijn geschoven.
Volgens klager heeft de medisch adviseur niet onderkend dat in het KIWA-rapport zowel
de gemeten loodwaarde in de keuken als in de badkamer verhoogd was. Verder stelt klager
dat in het medisch advies ten onrechte is vermeld dat alle leidingen op één bron waren
aangesloten. Ook is het volgens klager zo dat de loodwaarden in zijn lichaam verhoogd
blijven, ondanks het verwijderen van loden leidingen.
5.12 Het college overweegt hierover het volgende. De medisch adviseur erkent in het medisch advies (pagina’s 9 en 13) dat bij klager sprake is geweest van een verhoogde loodspiegel in zijn bloed. Ook beschrijft zij dat bij klager in een verwijderde tand een uitzonderlijk hoge loodconcentratie is aangetroffen en dat dit volgens haar bevestigt dat het tandweefsel langdurig is blootgesteld aan lood. Daarmee is niet gebleken van een onjuiste interpretatie van onderzoeksgegevens. De medisch adviseur is echter van oordeel dat niet vaststaat dat dit alles is veroorzaakt door aanwezigheid van lood in de waterleidingen van de door klager gehuurde woning (voorafgaand aan vervanging van die leidingen). Zij beschrijft ook de mogelijkheid dat lood in voedsel de oorzaak kan zijn. Bovendien is zij van oordeel dat de door klager gestelde klachten niet te verklaren zijn door (chronische) loodexposure en dat de klachten niet terug te voeren zijn op de verhoogde loodspiegel in zijn bloed. Het college is van oordeel dat niet is gebleken van een onjuiste of misleidende interpretatie van (medische) onderzoeksgegevens. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d) inbreuk op persoonlijke levenssfeer
5.13 Klager heeft aangevoerd dat het medisch advies passages bevat uit zijn huisartsenjournaal die zien op zijn privéleven en problemen met zijn ex-echtgenote, terwijl deze niet relevant zijn voor de door de medisch adviseur te beantwoorden vraag naar het causale verband tussen de loodexposure en zijn klachten. Volgens klager vormt het opnemen van die passages in het advies een disproportionele inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Klager verwijst daarbij naar de artikelen 7:457 BW (medisch beroepsgeheim) en 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting).
5.14 In het medisch advies zijn delen uit het huisartsenjournaal van klager (van 16 maart 2011 tot 12 januari 2023) opgenomen. Onder meer is vermeld dat in september 2011 mogelijk sprake was van psychosomatiek bij pijnklachten en spierkrampen in armen en benen, dat klager in oktober 2011 naar een psycholoog is verwezen nadat onderzoeken naar variërende klachten niets opleverden en dat in 2012 sprake was van relatieproblemen, waarbij zijn echtgenote vond dat hij naar een psychiater moest. De medisch adviseur heeft toegelicht dat deze gegevens uitsluitend zijn opgenomen, omdat deze informatie van belang is voor het medisch duiden van het klachtenpatroon en om een volledig beeld van de situatie te kunnen schetsen.
5.15 Het college overweegt als volgt. Er is bij (specialistisch) onderzoek bij klager geen somatische verklaring voor zijn gezondheidsklachten gevonden. Klager is onderzocht door de KNO-arts, cardioloog, reumatoloog, nefroloog en neuroloog en geen van hen heeft een diagnose kunnen stellen. De gegevens waarop dit klachtonderdeel ziet, zien op een mogelijke alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten van klager en kunnen om die reden relevant zijn voor de vraag of er een causaal verband bestaat tussen mogelijke blootstelling aan lood en de klachten van klager. Het college is dan ook met de medisch adviseur van oordeel dat er een goede reden is voor het opnemen van dergelijke gegevens in het medisch advies, en dat dit niet een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van klager oplevert. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat de door klager aangehaalde artikelen 7:457 BW en artikel 10 EVRM zijn geschonden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het college niet in waarom dit het geval zou zijn. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel e) diskwalificatie van klager
5.16 In het medisch advies is (op pagina 10 van 14) onder het kopje ‘weging en conclusies’
onder meer vermeld:
“Op de eerste plaats wil ik opmerken dat betrokkene er van overtuigd is dat zijn klachten door een blootstelling aan te veel lood veroorzaakt worden en het is aannemelijk dat hij ook niet van deze mening zal afwijken, ongeacht het medische advies. Immers, zowel de internist als de nefroloog als de toxicoloog als de klinisch chemicus als de huisarts en ook de neuroloog hebben betrokkene ervan proberen te overtuigen dat de oorzaak van de klachten niet verklaard kunnen worden door de exposure aan lood. Hiervoor zijn vele argumenten die ik zal proberen zo duidelijk mogelijk te omschrijven.”
5.17 Klager voert aan dat de medisch adviseur hem hiermee diskwalificeert en zijn reputatie beschadigt door te schrijven dat hij een persoon is die niet van mening zal afwijken ongeacht het medisch advies.
5.18 De medisch adviseur heeft in het verweerschrift aangevoerd dat voornoemde passage achteraf bezien niet had moeten worden opgenomen en dat de formulering ervan onvoldoende neutraal en terughoudend is. Zij heeft hiervoor haar excuses aangeboden.
5.19 Het college onderschrijft dat deze passage beter achterwege gelaten had kunnen worden, maar acht dit niet voldoende om de medisch adviseur op basis hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Niet kan worden gezegd dat de medisch adviseur hierdoor de onder 5.1 bedoelde grenzen heeft overschreden of dat het medisch advies niet voldoet aan de onder 5.2 bedoelde criteria. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 25 september 2026 door P.M. de Keuning, voorzitter,
W.J.W. Bos en C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.H.M. Hanssen,
secretaris.