ECLI:NL:TNORAMS:2026:10 Kamer voor het notariaat Amsterdam 778990 / NT 25/45 778996 / NT 25/46 778999 / NT 25/47

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2026:10
Datum uitspraak: 28-07-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s):
  • 778990 / NT 25/45
  • 778996 / NT 25/46
  • 778999 / NT 25/47
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: De klacht ziet op het inschrijven van een kadasterverklaring door de notaris, dan wel de kandidaat-notarissen die de kwestie zelf niet inhoudelijk hebben behandeld, maar alleen – als waarnemer – de verklaringen hebben afgerond die de notaris had voorbereid. In de kern komen deze klachtonderdelen erop neer dat de (kandidaat-)notarissen niet zorgvuldig hebben gehandeld door, zonder nader onderzoek, over te gaan tot inschrijving van de koop met de tien kadasterverklaringen.De notaris stelt dat de kandidaat-notarissen mochten afgaan op wat de notaris hen over de kwestie heeft meegedeeld en verklaard. Bij de behandeling van dit dossier hebben elk van beide kandidaat-notarissen zelfstandig, als waarnemer, één van de tien akten gepasseerd. De (kandidaat-)notarissen zijn daarom in gelijke mate tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hetgeen klager hen verwijt. De kamer constateert met de notarissen dat inschrijving van de koop op grond van artikel 7:3 BW niet expliciet is uitgesloten in de overeenkomst. Partijen twisten in dit verband over de vraag of de overeenkomst zich (daarmee) leent voor inschrijving. Het is echter niet aan de kamer om die vraag te beantwoorden. De vraag die voorligt, is of de notarissen in de gegeven omstandigheden onzorgvuldig hebben gehandeld door tot inschrijving over te gaan. Naar het oordeel van de kamer is dat het geval en hebben de (kandidaat-)notarissen de zorgvuldigheidsnorm geschonden door na te laten nader onderzoek te doen alvorens tot inschrijving van de koop over te gaan. De kamer acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 28 juli 2026 in de klachten met nummers C/13/778990 / NT 25/45, C/13/778996 / NT 25/46 en C/13/778999 / NT 25/47 van:
 

[klager],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gemachtigden: mr. L. Wijnbergen en mr. J.S. Knot, advocaten te Groningen,

tegen:

1. [notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

2. [kandidaat-notaris 1],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats]

en

3. [kandidaat-notaris 2],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. G. van Atten, advocaat te Heemstede.

Partijen worden hierna klager, de notaris en de kandidaat-notarissen (de notaris en de kandidaat-notarissen gezamenlijk: de notarissen) genoemd.

1.          Ontstaan en loop van de procedure

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 17 november 2025;
- het verweerschrift met bijlage van 27 januari 2026.  

1.2.      Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 9 juni 2026 zijn klager, vergezeld door zijn gemachtigden, en de notarissen, vergezeld door hun gemachtigde, verschenen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en partijen hebben vragen van de kamer beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.

2.          De feiten

2.1.      Klager en zijn echtgenote (hierna: de echtgenote) bezitten in privé een zeer aanzienlijke vastgoedportefeuille. Daarnaast is klager (direct dan wel indirect) bestuurder en aandeelhouder van verschillende entiteiten (hierna: het [naam klager] concern) die ook vastgoed in eigendom hebben.

2.2.      Op 22 juni 2023 hebben klager en zijn echtgenote een participatie- en samenwerkingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met een derde (een besloten vennootschap, hierna: partij A), in het kader van het beheer van de vastgoedportefeuille van klager en zijn echtgenote. Partij A zou hen bijstaan op juridisch strategisch, financieel en inhoudelijk vlak om de onderneming van het [naam klager] concern te stabiliseren en de potentieel aanwezige waarde van het concern zo goed mogelijk te realiseren voor de betrokken partijen en stakeholders. In ruil daarvoor zouden klager en zijn echtgenote 20% van al hun vastgoedbelangen, zowel in privé als in de vorm van vennootschapsstructuren en samenwerkingsverbanden, aan partij A overdragen tegen een koopprijs van € 1 (artikel 7 van de overeenkomst).

2.3.      Nadien hebben klager, zijn echtgenote en partij A in drie addenda aanvullende afspraken op de overeenkomst gemaakt. Voor zover van belang luiden deze als volgt.

2.3.1.    Volgens artikel 4 van Addendum I, gesloten op 8 december 2023, hebben partijen artikel 7 van de overeenkomst integraal vervangen door:

a) de afspraak dat klager, zijn echtgenote en partij A een koopovereenkomst sluiten op grond waarvan klager en zijn echtgenote aan partij A zullen leveren een (onverdeeld) aandeel van 20% in het vastgoed dat hen gezamenlijk in eigendom toebehoort, voor een koopprijs van € 1, mits dat behoort tot het box 3 vermogen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 2021 en voor zover dit in gebruik is bij derden (nieuw artikel 7.1 sub ii van de overeenkomst); en
b) de afspraak dat partij A een notaris opdracht zal geven om de levering van genoemd vastgoed te verzorgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat voorafgaande toestemming van derden wordt verzocht (hierna: Voorwaarde I), indien deze nodig is voor de levering van het onroerend goed (nieuw artikel 7.3 sub b van de overeenkomst). Als die toestemming niet wordt verkregen, kwalificeert dit niet als een tekortkoming van klager of zijn echtgenote (nieuw artikel 7.3 sub c van de overeenkomst) en verplichten partijen zich om weer met elkaar in overleg te treden om te komen tot een alternatief dat zo dicht mogelijk bij de gemaakte afspraken ligt (nieuw artikel 7.3 sub d van de overeenkomst).

2.3.2.    In Addendum II, gesloten op 26 april 2024, hebben partijen:

a) in artikel 1.1 artikel 7.1 sub ii van de overeenkomst gewijzigd in die zin dat aan de gemaakte afspraken over de levering van het aandeel van 20% in het vastgoed is toegevoegd dat daarbij moet worden uitgegaan van de situatie per 22 juni 2023, rekening houdend met de (eventuele) mutaties die nadien met toestemming van partij A hebben plaatsgevonden;
b) in artikel 1.2: de leveringsdatum (ook voor 20% van te leveren certificaten in [naam klager] Beheer B.V.) bepaald, te weten het moment dat beide vermogens, waarvan 20% zal worden geleverd, geconsolideerd bezien een loan-to-value hebben van 60% of lager (hierna: Voorwaarde II);
c) in artikel 1.5 sub a: afgesproken dat klager en zijn echtgenote niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van partij A zullen overgaan tot:
   i) vervreemding en/of bezwaring van (het geheel of gedeelten van) het vastgoed; en
   ii) vervreemding, bezwaring en/of verkrijging van (het geheel of gedeelten van) vastgoed dat behoort tot of – door de betreffende voorgenomen verkrijging – gaat behoren tot het vermogen van vennootschappen waarin [naam klager] Beheer B.V. enig direct of indirect belang houdt; en
d) in artikel 1.5 sub b: afgesproken dat partij A zich verplicht om haar medewerking aan het verlenen van toestemming niet op onredelijke gronden te onthouden.

2.3.3.    In Addendum III, gesloten op 19 september 2024, hebben partijen:
a) in artikel 1.2 opgenomen dat de in Addendum I en Addendum II overeengekomen toestemmingsregelingen (waarbij partij A toestemming moest verlenen) integraal komen te vervallen zodat klager en zijn echtgenote vrij kunnen en mogen beschikken (vervreemden, bezwaren of verkrijgen) over het vastgoed zonder dat daar (enige) voorafgaande toestemming van partij A voor nodig is; 
b) in artikel 1.4: als aanvulling op artikel 7.1 sub ii toegevoegd dat partij A bij de levering van een (onverdeeld) aandeel van 20% van het vastgoed verplicht is de aan het betreffende vastgoed verbonden (hypothecaire) schuld(en) (mede) voor haar rekening te nemen, voor een aandeel van 20%.
c) in artikel 2.1 opgenomen dat de overeenkomst, Addendum I, II en III worden geacht een onverbrekelijk geheel te vormen, waardoor tussen partijen één rechtsverhouding ontstaat: en
d) in artikel 2.2 opgenomen dat voor zover Addendum III afwijkt van de overeenkomst, Addendum I en II de bepalingen van Addendum III prevaleren.

2.4.      Medio september 2025 heeft partij A de notaris verzocht de koop van het vastgoed, zoals vastgelegd in de overeenkomst en de drie addenda, in te schrijven in het Kadaster. Daarna heeft de notaris de beschikking gekregen over een e-mail van 24 september 2025 waarin de advocaat van klager aan de advocaat van partij A onder meer het volgende heeft geschreven:
“(…) 5. Zoals u cliënte weet, is er een aantal schuldeisers die geruime tijd aandringen op (terug)betaling van de verstrekte financieringen. Eén daarvan is, zoals uw cliënte ook weet, de heer [X]. [X] heeft recentelijk de druk zodanig sterk opgevoerd, dat er verlof is gevraagd en verkregen om beslag te mogen leggen. Een dergelijke beslaglegging zou grote consequenties hebben voor de bedrijfsvoering, niet in de laatste plaats nu zulks een opeisingsgrond zou zijn voor de (andere) financieringsovereenkomsten. Met andere woorden: een dergelijke beslaglegging zou hoogstwaarschijnlijk leiden tot de toestand waarin cliënt c.q. het [naam klager]-concern zal ophouden te betalen; een faillissement dus.
6. Onder die druk en uiteraard ook om die desastreuze gevolgen (ook voor het belang van uw cliënte) te voorkomen, is de LOI met [Y] aangegaan. [X] heeft te kennen gegeven bereid te zijn om in afwachting van de afwikkeling van de deal met [Y] geen (rechts)maatregelen te treffen, ongetwijfeld omdat hij in die deal zou worden afgelost. Het voorgaande betekent derhalve ook, dat zonder deal met [Y] het geschetste scenario zich alsnog zal voltrekken en juist daarom is overeenstemming tussen onze beider cliënten van zo’n groot belang – in ieders belang.
”

2.5.      De notarissen hebben uitvoering gegeven aan het verzoek van partij A, door middel van het inschrijven van tien kadasterverklaringen in de periode tussen 30 september en 16 oktober 2025. Hiervan zijn acht kadasterverklaringen gepasseerd en ingeschreven door de notaris en één door ieder van de kandidaat-notarissen in de waarneming. De inhoud van de verklaringen is gelijkluidend, met uitzondering van de onroerende goederen die erin worden genoemd. In totaal ging het om 284 objecten. In de kadasterverklaringen staat:
- dat partij A met klager – handelend voor zichzelf en als bestuurder van de vennootschappen die tot het [naam klager] concern behoren – en zijn echtgenote een koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in die verklaring omschreven registergoederen, en dat van die overeenkomst blijkt uit, kort gezegd, een overeenkomst van 23 juni 2023 en drie addenda (daarna samen: het koopcontract);
- dat de notaris onder het koopcontract een door hem ondertekende en gedateerde verklaring in de zin van artikel 7:3 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft opgenomen; en
- dat het koopcontract genoegzaam aantoont dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan.
Aan elk van de verklaringen is een verkort uittreksel van de overeenkomst en de addenda gehecht. Dit uittreksel bestaat uit een vermelding van de betrokken partijen en een citaat van (een gedeelte van) de versie van artikel 7.1. sub ii zoals opgenomen in Addendum I (en vermeldt dus niet de wijzigingen die Addendum II en III in dit artikel hebben aanbracht, zoals hiervoor onder 2.3.2. en 2.3.3. genoemd). Andere bepalingen uit de overeenkomst of de addenda zijn in het uittreksel niet genoemd.

2.6.      Bij (separate, maar nagenoeg gelijkluidende) brieven van 5 november 2025 heeft (de advocaat van) klager de notarissen gesommeerd de door hen verrichte inschrijvingen door te halen, omdat zij volgens klager niet hadden moeten meewerken aan deze inschrijvingen. In deze brieven heeft klager erop gewezen dat hij door die inschrijvingen het betreffende vastgoed nu niet kan bezwaren of vervreemden en dat hij nu niet in staat is de herfinancieringen aan te gaan die broodnodig zijn voor zijn onderneming.

2.7.      Bij e-mail van 7 november 2025 heeft de notaris geantwoord dat artikel 7:3 BW niet is uitgesloten in de tussen partijen gemaakte afspraken, dat hij als notaris een ministerieplicht heeft en daarbij ook de belangen van partij A heeft meegewogen. Hij heeft de visie van klager voorgelegd aan partij A, met het verzoek daar zo spoedig mogelijk op te reageren. Daarnaast heeft hij klager de suggestie gedaan om met partij A in overleg te treden, omdat het hem niet vrij staat om een door de koper ingeschreven koop in opdracht van verkoper door te halen.

2.8.      Partij A heeft geen aanleiding gezien mee te werken aan een algehele doorhaling van de inschrijvingen. Wel heeft overleg tussen klager en partij A erin geresulteerd dat de notaris op 24 november 2025 van partij A de opdracht heeft gekregen om de inschrijving voor zes panden op te heffen. Als reden daarvoor heeft partij A gegeven dat zij haar goede wil wenste te tonen, onder voorbehoud van alle rechten en weren. Voor het overige weigert partij A mee te werken aan doorhaling.

2.9.      Op 4 december 2025 zijn drie verklaringen van gedeeltelijke waardeloosheid in het Kadaster ingeschreven.



3.          De klacht

De klacht bestaat uit vijf onderdelen:

3.1.      Ten eerste verwijt klager de notarissen dat zij de akten hebben gepasseerd en ingeschreven bij het Kadaster, in de wetenschap dat klager en partij A in Addendum III expliciet en weloverwogen de mogelijkheid van Vormerkung hadden uitgesloten, zodat de notarissen wisten of hoorden te begrijpen dat de akten door hen in strijd met de afspraken tussen partijen waren opgesteld en ingeschreven.

3.2.      Ten tweede verwijt klager de notarissen dat zij de akten hebben gepasseerd en ingeschreven in de wetenschap dat klager op grond van Addendum III tot het moment van levering objecten vrijelijk mocht vervreemden en verwerven zonder enige vorm van toestemming en/of medewerking van partij A, zodat het voor de notarissen duidelijk had moeten zijn dat voorafgaand aan levering niet kon worden vastgesteld op welke objecten partij A daadwerkelijk aanspraak kon maken. De objecten waren hierdoor niet bepaalbaar. De notarissen hebben miskend dat deze afspraak naar zijn aard in de weg staat aan Vormerkung.

3.3.      Ten derde verwijt klager de notarissen dat zij de akten hebben gepasseerd en ingeschreven zonder te onderzoeken of aan Voorwaarde I en II voor levering was voldaan – wat niet het geval was en in de nabije toekomst ook niet zal zijn – en zonder (kenbaar) te onderzoeken of de objecten die in de akten zijn genoemd, bij klager in box 3 vallen en in gebruik zijn bij derden, en dus onder de overeenkomst en addenda vallen.

3.4.      Ten vierde verwijt klager de notarissen dat zij in de akten een onjuiste en onvolledige samenvatting van de overeenkomst inclusief addenda hebben opgenomen. Zij hebben Voorwaarde I en II uit Addendum I en II weggelaten en alleen geciteerd uit een bepaling die nadien is gewijzigd en aangevuld. Hierdoor is in de openbare registers een onjuist beeld geschetst van de gemaakte afspraken, wat nadelige gevolgen voor klager heeft.

3.5.      Het vijfde en laatste verwijt dat klager de notarissen maakt, is dat zij hebben meegewerkt aan wanprestatie van partij A en niet bereid waren die wanprestatie op te heffen nadat zij daarop werden aangesproken.

4.          Het verweer

De notarissen hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5.          De beoordeling

5.1.      Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

rolverdeling notaris en kandidaat-notarissen
5.2.      De vijf klachtonderdelen richten zich tegen de notarissen gezamenlijk. De notaris heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij de verantwoordelijkheid neemt voor alle inschrijvingen, ook die inschrijvingen die zijn verricht door de kandidaat-notarissen. De kandidaat-notarissen hebben de kwestie zelf niet inhoudelijk behandeld, maar alleen – als waarnemer – de verklaringen afgerond die de notaris had voorbereid, omdat de notaris op die dagen niet zelf beschikbaar was. De kandidaat-notarissen mochten afgaan op wat de notaris hen over de kwestie heeft meegedeeld en verklaard, aldus de notaris. De vraag ligt dan ook voor of, en zo ja in hoeverre, de kandidaat-notarissen eveneens tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het dossier.

5.3.      Bij de beantwoording van die vraag stelt de kamer voorop dat een kandidaat-notaris, die als waarnemer van een notaris optreedt, zelf tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de door hem als waarnemer verrichte ambtshandelingen. Dit volgt – impliciet – uit artikel 1 lid 1 sub c Wna. Die zelfstandige positie van de waarnemend kandidaat-notaris kan ook worden afgeleid uit artikel 29 lid 7 Wna. Dat artikel bepaalt dat de waargenomen notaris onbevoegd is zolang de waarnemend kandidaat-notaris bevoegd is.

5.4.      Bij de behandeling van dit dossier hebben elk van beide kandidaat-notarissen zelfstandig, optredend als waarnemer van de notaris, één van de tien akten gepasseerd. De notarissen en de kandidaat-notarissen zijn daarom in gelijke mate tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hetgeen klager hen verwijt. De kandidaat-notarissen hebben overigens ieder ter zitting verklaard dat zij – voorafgaand aan het passeren van de desbetreffende akte – ook gecontroleerd hebben of zij de koop konden inschrijven, waarbij zij tot dezelfde conclusie kwamen als de notaris. Dat de notaris de akten zelf heeft voorbereid, hij op de dagen waarop de kandidaat-notarissen als waarnemer optraden niet beschikbaar was en hij zelf de overige acht akten heeft gepasseerd, doet hier niets aan af. Er zijn de kamer geen feiten of omstandigheden bekend geworden die tot een andere conclusie leiden. De kamer acht het in de gegeven omstandigheden daarom passend om de notaris en de kandidaat-notarissen in gelijke mate tuchtrechtelijk verantwoordelijk te houden voor de gang van zaken en behandelt de klachtonderdelen hierna voor hen gezamenlijk.

klachtonderdelen 1, 2 en 3
5.5.      De kamer ziet aanleiding de eerste drie klachtonderdelen vanwege de onderlinge samenhang gezamenlijk te behandelen. In de kern komen deze klachtonderdelen erop neer dat de notarissen niet zorgvuldig hebben gehandeld door, zonder nader onderzoek, over te gaan tot inschrijving van de koop met de tien kadasterverklaringen.

5.6.      De kamer constateert met de notarissen dat inschrijving van de koop op grond van artikel 7:3 BW niet expliciet is uitgesloten in de overeenkomst. Partijen twisten in dit verband over de vraag of de overeenkomst zich (daarmee) leent voor inschrijving. Het is echter niet aan de kamer om die vraag te beantwoorden. De vraag die voorligt, is of de notarissen in de gegeven omstandigheden onzorgvuldig hebben gehandeld door tot inschrijving over te gaan. Naar het oordeel van de kamer is dit het geval en zij overweegt hiertoe als volgt.

5.7.      Een notaris heeft een bijzondere positie in de Nederlandse rechtsorde, omdat hij met uitsluiting van anderen bevoegd is authentieke akten te verlijden in de gevallen waarin de wet dit opdraagt of een partij zulks verlangt. Artikel 21 lid 1 Wna verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Dit wordt ministerieplicht genoemd. De notaris dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (artikel 21 lid 2 Wna). Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan (Kamerstukken II 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 20).

5.8.      Een notaris moet het ambt daarnaast in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna). Dit zijn niet noodzakelijk de partijen bij de akte. De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem namelijk onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten.

5.9.      Hier ging het om inschrijving van de koop op verzoek van partij A als koper, zonder medeweten van klager als verkoper. Klager was niet betrokken bij deze inschrijving, maar deze ambtsverrichting had voor hem wel gevolgen. Inschrijving van koop op grond van artikel 7:3 BW tast namelijk de vrijheid van een eigenaar aan om vrij over de objecten, die onderwerp zijn van de koop, te beschikken.

5.10.    De notarissen stellen hiertegenover dat zij in dit geval snel dienden te handelen vanwege het feit dat ten laste van klager op elk moment beslag gelegd kon worden en er aan de zijde van partij A de vrees bestond dat het recht op levering illusoir zou kunnen worden doordat de onroerende zaken beslagen zouden kunnen worden en/of klager failliet zou gaan. De hiervoor onder 2.4 aangehaalde brief bevestigde dit beeld. Partij A had daarom een groot en ook spoedeisend belang bij inschrijving van de koop, terwijl deze inschrijving geen ingrijpend karakter had. De inschrijving verandert immers niet de eigendom en komt na ommekomst van zes maanden ook weer te vervallen, aldus de notarissen.

5.11.    De kamer volgt de notarissen hierin niet. Klager heeft allereerst toegelicht dat de inschrijving voor hem wel degelijk (grote) gevolgen heeft gehad. Hierdoor was hij beperkt in de volledige vrijheid om – zoals met partij A in Addendum III was overeengekomen – vrijelijk te beschikken over het vastgoed. Het feit dat partij A zich achteraf bereid heeft getoond om voor een aantal panden de Vormerkung op te heffen maakt dat niet anders. Daarnaast is klager – zoals hij onweersproken stelt – door de inschrijving belemmerd in zijn mogelijkheden herfinanciering te verkrijgen voor zijn onderneming en heeft de inschrijving voor zijn onderneming een groot financieel risico opgeleverd. De beperking van de bewegingsvrijheid van klager was dan ook een vergaand middel en er ontstond daarom een spanningsveld tussen de volledige vrijheid van klager om over de objecten te beschikken en de gevolgen van de inschrijving. Daarnaast betrof het geen alledaagse koop; de koop zag op een omvangrijke portefeuille en was opgenomen in een niet eenvoudig te duiden participatie- en samenwerkingsovereenkomst met drie addenda, waarin nog nadere afspraken waren geformuleerd en voorwaarden aan de koop waren verbonden. De objecten die onderwerp waren van de koop waren dan ook onvoldoende bepaalbaar aan de hand van de overeenkomst alleen. De notaris stelt wel dat hij zich in de bedoeling van de overeenkomst heeft verdiept, maar uit zijn toelichting blijkt dat hij zich daarbij alleen heeft laten leiden door informatie die partij A aan hem heeft verschaft.

5.12.    De kamer kan niet vaststellen dat de notarissen dienst hadden moeten weigeren.  Rekening houdend met de genoemde omstandigheden had het echter op de weg van de notarissen gelegen om in elk geval (nader) onderzoek te doen en (meer) vragen te stellen aan partij A, alvorens tot inschrijving van de koop over te gaan. Een alternatief was geweest om de door partij A gewenste inschrijving aan klager voor te leggen. Het is de kamer niet gebleken dat er (nader) onderzoek is uitgevoerd door (één van) de notarissen en de inschrijving is ook niet aan klager voorgelegd. De kamer zal deze drie klachtonderdelen daarom gegrond verklaren.

klachtonderdeel 4
5.13.    Ook dit klachtonderdeel acht de kamer gegrond. Met het zeer summiere en voor een deel onjuiste uittreksel van de overeenkomst en de addenda hebben de notarissen een onjuiste en onvolledige weergave van de afspraken tussen partijen gegeven. Hierdoor is in de openbare registers een onjuist beeld geschetst van de gemaakte afspraken, wat nadelige gevolgen voor klager heeft gehad. Zie ook onderdeel 5.11 hiervoor.

klachtonderdeel 5
5.14.    De kamer komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of er sprake is van wanprestatie waaraan de notarissen al dan niet hebben meegewerkt. Reden hiervoor is dat nader onderzoek naar de (tegenstrijdige) belangen van de partijen die bij de overeenkomst betrokken waren, is uitgebleven (zoals hiervoor onder 5.12. overwogen). Hierdoor is het niet mogelijk om te beoordelen of de koop voor inschrijving in aanmerking komt en dus ook niet of de notarissen al dan niet hebben meegewerkt aan wanprestatie. De kamer zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.

maatregel
5.15.    Vanwege het hiervoor onder 5.2. tot en met 5.4. overwogene, maakt de kamer bij het opleggen van een maatregel geen onderscheid tussen de notaris en de kandidaat-notarissen.

5.16.    De kamer is van oordeel dat de notarissen de zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden door na te laten nader onderzoek te doen alvorens tot inschrijving van de koop over te gaan. De kamer acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

griffierecht
5.17.    Omdat de kamer een klachtonderdeel gegrond verklaart, dienen de notarissen op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klager betaalde griffierecht van € 50 aan klager te vergoeden.

kostenveroordeling       
5.18.    De kamer ziet aanleiding om de notarissen, gelet op artikel 103b lid 1 aanhef en sub a Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat per 1 januari 2021 (Staatscourant 29 december 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50.

5.19.    De notarissen dienen het griffierecht (hiervoor onder 5.17) en de kosten van klager (hiervoor onder 5.18) binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager te voldoen. Klager dient daartoe tijdig het hiervoor bestemde rekeningnummer schriftelijk aan de notarissen door te geven.

5.20.    Verder ziet de kamer, nu de kamer een klachtonderdeel gegrond verklaart en de notarissen tevens een maatregel oplegt, in verband met het bepaalde bij artikel 103b, eerste lid onder b, Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), aanleiding om de notarissen te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van deze zaak zijn gemaakt. In beginsel wordt per klacht een bedrag van € 2.000 in rekening gebracht. Omdat de klachten die klager tegen de notarissen heeft geformuleerd (grotendeels) gelijkluidend zijn, de notarissen daar samen op hebben gereageerd en de klachten vervolgens gecombineerd mondeling zijn behandeld, ziet de kamer aanleiding om de kosten van deze procedures gezamenlijk vast te stellen op een totaalbedrag van € 3.000 (€ 1.000 voor elk van de notarissen). De notarissen dienen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak elk in hun eigen zaak een bedrag van € 1.000 aan de kamer te betalen. Daarvoor zullen zij een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.

5.21.    Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
 

6.         De beslissing

De kamer voor het notariaat:

- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3, zoals omschreven onder 5.5 en 5.6, en klachtonderdeel 4 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 5 ongegrond;
- legt de notarissen de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de notarissen tot betaling aan klager van € 50 aan griffierecht en € 50 in de kosten in verband met de behandeling van de klacht, op de wijze en binnen de termijn als hiervóór bepaald;
- veroordeelt de notarissen elk tot betaling van € 1.000 in de kosten voor de behandeling van hun eigen zaak door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als hiervóór bepaald.


Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, M.L.S. Kalff, W.A. Groen, E.F. van Bolhuis en O. Schlaman, leden. Bij afwezigheid van de voorzitter uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026 door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, in aanwezigheid van mr. N.E. Slump, secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).