ECLI:NL:TGZRAMS:2026:221 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9189

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:221
Datum uitspraak: 25-09-2026
Datum publicatie: 25-09-2026
Zaaknummer(s): A2025/9189
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. Klaagster vindt dat de internist haar dochter zelf fysiek had moeten onderzoeken en haar had moeten laten opnemen in het ziekenhuis. Haar dochter is na het bezoek aan de SEH enkele dagen later plotseling overleden. Het college overweegt dat patiënte die week driemaal is onderzocht en dat mede gelet op het feit dat er op redelijk korte termijn een gastroscopie gepland stond, de beslissing van de internist om patiënte niet op te nemen in het ziekenhuis met de kennis van dat moment verdedigbaar is. Dat de internist deze beslissing heeft genomen zonder patiënte zelf te zien, maakt het voorgaande niet anders.

A2025/9189
Beslissing van 25 september 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 14 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
internist,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de internist,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend in verband met de ziekenhuisbezoeken van haar dochter waar de internist bij betrokken is geweest. Klaagster vindt dat de internist haar dochter zelf fysiek had moeten onderzoeken en haar had moeten laten opnemen in het ziekenhuis. Zij ziet een verband met het overlijden van haar dochter korte tijd erna.

1.2 De internist betreurt het overlijden, maar is van mening dat zij op 8 juni 2025 de juiste afwegingen heeft gemaakt en met de kennis van dat moment de juiste vervolgstappen heeft genomen.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 5 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 april 2026.


2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klaagster is de moeder van wijlen D (geboren in 1983), hierna ‘patiënte’ te noemen. Patiënte had vier kinderen, geboren tussen 2009 en 2016.

3.2 Op 2 juni 2025 werd patiënte door haar huisarts naar de spoedeisende hulp (SEH) van het ziekenhuis waar verweerster als internist werkzaam is verwezen om beoordeeld te worden door de afdeling Interne Geneeskunde. Dit in verband met braken, ondergewicht en mogelijke dehydratie (uitdroging). Patiënte woog op dat moment nog 35 kilogram. Patiënte is die dag in het ziekenhuis gezien door een coassistent, SEH-arts en een internist (collega van verweerster). Na anamnese en lichamelijk onderzoek is er aanvullend onderzoek gedaan in de vorm van laboratoriumonderzoek (bloed en urine), een ECG, een longfoto en een CT-scan van de buik. In de uitslagen van deze onderzoeken werd geen oorzaak gevonden voor de klachten van patiënte en werd tevens vastgesteld dat geen sprake was van dehydratie. In de conclusie van de CT-scan is genoteerd dat er sprake was van een ‘iets oedemateuze maagwand, verder geen verdikkingen van maag-darmpakket’. Op 2 juni 2025 is ‘cannabis hyperemesis’ als werkdiagnose gesteld. Er werd een vervolgonderzoek gepland voor 19 juni 2025, te weten een gastroscopie. Patiënte werd die dag niet opgenomen in het ziekenhuis en haar werd geadviseerd te stoppen met het gebruik van cannabis.

3.3 Op 6 juni 2025 werd patiënte opnieuw beoordeeld op de SEH in verband met braken. Zij is toen gezien door een coassistent en een SEH-arts. Er is toen ook overleg gevoerd met een collega-internist. Er werd geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor dehydratie. De werkdiagnose bleef cannabis hyperemesis en patiënte werd wederom niet opgenomen in het ziekenhuis. Patiënte werd geadviseerd te stoppen met het gebruik van cannabis en bij misselijkheid een warme douche te nemen. Daarnaast kreeg patiënte medicatie tegen misselijkheid.

3.4 Op 8 juni 2025 heeft de patiënte nogmaals de SEH bezocht. Klaagster was hierbij ook aanwezig. Patiënte gaf aan nog steeds misselijk te zijn, maar was gestopt met braken na de start met medicatie. Patiënte gaf aan dat een warme douche tijdelijke symptoomverlichting gaf. Zij wilde worden opgenomen om aan te sterken. Het gewicht was stabiel ten opzichte van eerdere beoordelingen. Tijdens dit bezoek werd patiënte onderzocht door een arts in opleiding tot specialist (hierna: de aios). Aanvullend werd laboratoriumonderzoek verricht en een ECG gemaakt. Deze aios heeft daarna telefonisch overleg gehad met de internist (verweerster). Er werd weer geconcludeerd dat er geen sprake was van dehydratie en dat er geen opname indicatie was. Patiënte is niet opgenomen in het ziekenhuis.


3.5 Op 12 juni 2025 is patiënte plotseling overleden.

4. De klacht en de reactie van de internist
4.1
Klaagster verwijt de internist dat zij:
a) patiënte niet zelf heeft gezien;
b) heeft geadviseerd dat patiënte naar huis kon;
c) destijds heeft gezegd dat er op de CT-scan niets te zien was, maar dat zij later wel heeft gezegd dat er op de CT-scan een verdikking in de maag van patiënte te zien was, zodat zij eigenlijk niet naar huis mocht worden gestuurd.

4.2 De internist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de internist geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de internist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt.

5.3 Het college zal de klachtonderdelen a) en b) gezamenlijk behandelen.

Klachtonderdelen a) en b) advies geven op afstand en advies om patiënte niet op te nemen
5.4 Klaagster verwijt de internist dat zij op 8 juni 2025 heeft geadviseerd om patiënte niet op te nemen, terwijl het erg slecht ging met patiënte. Voorts verwijt klaagster de internist dat zij alleen telefonisch advies heeft gegeven om patiënte niet op te nemen zonder dat zij de patiënte zelf heeft gezien.

5.5 Op basis van het medisch dossier stelt het college het volgende vast. Patiënte is op 2, 6 en 8 juni 2025 op de SEH gezien door verschillende artsen. Het college stelt vast dat de internist (verweerster) enkel op 8 juni 2025 betrokken is geweest als supervisor en in die hoedanigheid telefonisch overleg heeft gehad met de aios die patiënte onderzocht.

5.6 Op 8 juni 2025 was duidelijk geworden dat de klachten waren verminderd na het staken van cannabisgebruik, bij een warme douche, en bij het gebruik van de medicatie tegen misselijkheid. Het is voor het college dan ook navolgbaar dat de werkdiagnose van cannabis hyperemesis wederom werd gesteld en dat, uitgaande van deze werkdiagnose, een opname in het ziekenhuis niet geïndiceerd was. Naast de situatie dat de klachten waren verminderd, waren er geen tekenen van bloedverlies of dehydratie. Het college overweegt dat patiënte die week driemaal is onderzocht en dat mede gelet op het feit dat er op redelijk korte termijn een gastroscopie gepland stond, de beslissing van de internist om patiënte op 8 juni niet op te nemen in het ziekenhuis met de kennis van dat moment verdedigbaar is.

5.7 Dat de internist deze beslissing heeft genomen zonder patiënte zelf te zien, maakt het voorgaande niet anders. In een opleidingsziekenhuis is het niet ongebruikelijk dat superviserend artsen wat meer op de achtergrond optreden. Dat de arts onvoldoende haar verantwoordelijkheid heeft genomen, is niet gebleken. Zij heeft overleg gevoerd en is bij het vaststellen van beleid afgegaan op de door haar collega’s vergaarde beschikbare informatie – zoals bevindingen bij lichamelijk onderzoek, uitslagen van aanvullende onderzoeken, die geen alarmerende waardes lieten zien – en dat mocht zij ook doen. Op basis van die informatie heeft de internist op dat moment beslissingen genomen die het college verdedigbaar acht. Verweerster heeft daarmee gehandeld binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening.

5.8 Het college oordeelt dat de klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdeel c) de waarnemingen op de CT-scan

5.9 Klaagster verwijt de internist dat er eerst tegen haar is gezegd dat er op de CT-scan van 2 juni 2025 geen bijzonderheden waren gezien en zij later, na het overlijden van haar dochter, tijdens een gesprek op 22 september 2025 van de internist heeft vernomen dat er op de CT-scan een verdikking van de maagwand was geconstateerd. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de patiënte met zo’n verdikking niet naar huis gestuurd had mogen worden.

5.10 De internist heeft klaagster niet persoonlijk gesproken op 2, 4 en 8 juni 2025. Zij was niet betrokken bij de beoordeling van de CT-scan en de communicatie richting patiënte en klaagster over de uitslag daarvan op 2 juni 2025.

5.11 De uitkomst van de CT-scan op 2 juni 2025 was reden om een poliklinische gastroscopie te plannen. Op 22 september 2025 hebben klaagster en de internist een gesprek gehad, waarbij onder meer is gesproken over de onderzoeken die zijn gedaan bij patiënte. Dat klaagster op dat moment voor het eerst op de hoogte werd gesteld van (details van) de uitslag van de CT-scan van 2 juni 2025 valt de internist niet tuchtrechtelijk te verwijten, nu zij op 2 juni 2025 niet bij behandeling van de patiënte was betrokken en zij alleen voor haar eigen handelen verantwoordelijk kan worden gehouden. En zoals volgt uit wat hiervoor in 5.6 en 5.7 is overwogen, valt de beslissing van de internist van 8 juni 2025 (de dag waarop de internist bij de behandeling betrokken was) om patiënte niet op te nemen binnen het beleid dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende internist verwacht mag worden.

5.12 Dit klachtonderdeel is daarom ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 25 september 2026 door P.M. de Keuning, voorzitter, W.J.W. Bos en C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.