ECLI:NL:TAHVD:2026:307 Hof van Discipline 's Gravenhage 260195

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:307
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 260195
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.


Beslissing van 28 september 2026
 
in de zaak 260195

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
klaagster
    
tegen:
    
mr. F.A. ten Berge
deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Midden-Nederland

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft op 21 januari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Het verzoek is door klaagster ingediend naar aanleiding van de opname en het overlijden van klaagsters vader in een woonzorgcentrum, als gevolg van een door klaagster gestelde schending van de Wet Zorg en Dwang. Het hof begrijpt dat klaagster aangifte wil doen tegen het zorgcentrum, dan wel het Openbaar Ministerie wil verzoeken het zorgcentrum te vervolgen. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 9 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster reeds door een letselschadeadvocaat werd bijgestaan en nog steeds door die advocaat kan worden bijgestaan, mits klaagster haar medewerking verleent aan het door de advocaat ingezette traject. Aldus is niet gebleken dat het voor klaagster onmogelijk is een advocaat te vinden die bereid is haar bij te staan. 

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 21 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken, met bijlage, van 24 juni 2026;
-    de repliek, met bijlagen, van klaagster van 30 juni 2026;
-    de dupliek van de deken van 21 juli 2026, inhoudende dat de repliek van klaagster de deken geen aanleiding geeft voor een nadere reactie. De deken blijft bij wat in het verweerschrift naar voren is gebracht.

1.5    Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken in het dossier.

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    [Naam rechtsbijstandsverekeraar], de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster (hierna: de rechtsbijstandsverzekeraar), heeft [mr. J] (hierna: mr. J) verzocht klaagster bij te staan teneinde te onderzoeken - kort gezegd - of er sprake is geweest van nalatigheden rondom de opname en het overlijden van de vader van klaagster, en zo ja wie daarvoor verantwoordelijk is. Van het plan van aanpak van mr. J maakte onderdeel uit het laten opstellen van een conceptadvies door een externe gespecialiseerd medisch adviseur (hierna: de deskundige) teneinde verder te nemen stappen te bepalen. Op 31 januari 2024 is het rapport van de deskundige ontvangen.

2.2    Bij e-mail van 22 augustus 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar klaagster onder meer het volgende bericht:

“(…) verwijs ik naar de brief van uw advocaat, [mr. J], van7 maart 2024. In die brief beschrijft zij uw gedrag en communicatiestijl en geeft aan dat zij u op deze manier niet kan bijstaan, tenzij u uw gedrag en communicatie aanpast.

(…)

In de zaak over de mishandeling en dood van uw vader in het verzorgingstehuis ([zaaknummer rechtsbijstandsverzekeraar]) is nu onvoldoende informatie
 

[Mr. J] van [kantoor mr. J] behandelt uw dossier. Haar rol is om met u te bespreken wat u wenst te bereiken. Zij kijkt ook of er voldoende informatie is. Op dit moment is er onvoldoende informatie om vast te stellen wat er precies is gebeurd. U bent zelf verantwoordelijk voor het verzamelen van deze informatie, maar [mr. J] helpt u hierbij. Ook omdat het voor u lastig is om deze informatie zelf te verzamelen. [Mr. J] heeft een deskundige / expert ingeschakeld om aan de ontbrekende informatie te komen. Dat is [naam deskundige]. Zij heeft een voorlopig rapport opgeleverd. Dat is nog niet definitief, omdat zij ook nog de bodycam-beelden van de politie nodig heeft. Daarom is een brief aan het Openbaar Ministerie (OM) om deze beelden op te vragen noodzakelijk. [Mr. J] heeft deze brief opgesteld en in concept aan u voorgelegd. U hebt geen akkoord gegeven op deze brief, omdat u uw bedenking hebt bij de inzet van [mr. J] en [deskundige].

Objectief gezien zet [mr. J] de juiste stappen. Bovendien is al veel geld, tijd en energie gestoken in het verzamelen van de informatie die benodigd is in uw zaak. Het enige ontbrekende puzzelstukje is nu nog het beeldmateriaal van de bodycam. We gaan in dit stadium dan ook niet meer wisselen van advocaat of deskundige. Als u bereid bent uw gedrag aan te passen (door uit de dramadriehoek te stappen), dan is [mr. J] bereid om uw zaak voort te zetten en de bodycam-beelden op te vragen. U moet dan wel akkoord geven op de brief.

Wanneer [mr. J] de bodycam-beelden succesvol opvraagt, dan kan [deskundige] haar expertise-rapportage definitief maken. Wanneer dat rapport negatief voor u uitvalt dan gaan we niet verder met uw zaak. In dat geval kunt u wel een contra-expertise laten doen. De kosten zijn dan in eerste instantie voor uw eigen rekening, maar als de contra-expertise wel een rapport in uw voordeel oplevert, dan vergoeden wij deze kosten alsnog en zetten we met deze contra-expertise uw zaak voort. Als het rapport van [deskundige] voldoende aanknopingspunten bevat voor een succesvolle procedure, dan gaan we met u in gesprek wie u in dat vervolg bij zal staan. Dat kan [mr. J] zijn of een andere rechtshulpverlener van uw eigen keuze.”


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, op grond van het volgende. Klaagster betwist dat zij alsnog door mr. J kan worden bijgestaan. Klaagster stelt dat de door mr. J ingeschakelde deskundige alsmede mr. J zelf nalatig zijn geweest. Klaagster voert aan dat de deskundige een definitief (en geen voorlopig) expertiserapport heeft opgesteld waarvan de inhoud onjuist en onvolledig is. Mr. J heeft zelf aangegeven de deskundige nodig te hebben om vragen te beantwoorden over het schouwrapport en de richtlijnen Wet Zorg en Dwang. Antwoorden zijn door de deskundige echter niet gegeven. Tegen de afspraken in heeft de deskundige geen bodycambeelden en geen politierapport opgevraagd. Volgens klaagster was mr. J het aanvankelijk met haar eens, maar is zij later als een blad aan de boom gedraaid en heeft zij ten opzichte van de deskundige geen daadkracht durven tonen. Volgens klaagster maakt zij met het expertiserapport zoals dat er nu ligt en de door mr. J opgestelde conceptbrief bij het Openbaar Ministerie geen schijn van kans en heeft mr. J dat eerder ook bevestigd. Met de rechtsbijstandsverzekeraar is inmiddels een ernstige vertrouwensbreuk ontstaan als gevolg van, naar klaagster stelt, onjuiste beschuldigingen en stigmatiseringen. Zij heeft een goede, integere en betrokken advocaat nodig om verder te komen en zij is er zelf niet in geslaagd die te vinden. Volgens klaagster heeft zij daarvoor, ondanks haar ziekte, bovenmenselijke inspanningen verricht en kan er redelijkerwijs niet meer van haar worden verlangd. Zij heeft vier afwijzingen van advocaten overgelegd en daarbuiten heeft zij contact opgenomen met het Juridisch Loket, dat haar echter naar de deken heeft verwezen. Ook heeft zij de Raad voor Rechtsbijstand geraadpleegd en heeft zij diverse andere advocatenkantoren telefonisch benaderd. Door haar oogaandoening en aangezichtspijn kan zij dat niet steeds per e-mail doen. Klaagster verzoekt het hof de deken op te dragen alsnog een advocaat aan te wijzen en haar beklag gegrond te verklaren.

Verweer
3.2    De deken heeft meegedeeld dat de deken na bestudering van het dossier is gebleken dat klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door mr. J, zodra zij meewerkt aan het ingezette traject en akkoord geeft op de conceptbrief aan het Openbaar Ministerie. De deken wijst erop dat van klaagster mag worden verwacht dat zij zich eerst voldoende inspant om in overleg met haar advocaat en rechtsbijstandsverzekeraar tot een oplossing te komen. Zolang dat niet is gebeurd, kan niet worden vastgesteld dat het voor klaagster onmogelijk is om rechtsbijstand te verkrijgen. Daarbij heeft de deken erop gewezen dat de rechtsbijstandsverzekeraar de mogelijkheid van een contra-expertise heeft geboden in het geval het opgestelde deskundigenrapport negatief mocht uitvallen. Ten aanzien van de omstandigheid dat de deskundige het rapport als definitief heeft omschreven, heeft de deken erop gewezen dat dit niet betekent dat daadwerkelijk sprake is van een definitief rapport. Dat klaagster voorafgaand aan verzending van het rapport nog haar akkoord diende te geven, betekent volgens de deken juist dat het rapport nog niet definitief is. Verder heeft de deken meegedeeld dat niet is gebleken dat klaagster vijf schriftelijke afwijzingen van advocaten heeft overgelegd, waardoor ook op dat punt niet is voldaan aan de voorwaarden voor aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. De deken verzoekt het hof het beklag van klaagster ongegrond te verklaren.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Ten aanzien van het verzoek van klaagster

4.2    Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door mr. J, mits zij meewerkt aan het door mr. J ingezette traject en in dat verband akkoord geeft op de door mr. J opgestelde conceptbrief aan het Openbaar Ministerie. Dat mr. J klaagster in maart 2024 heeft meegedeeld klaagster niet te kunnen bijstaan als zij haar gedrag en communicatie niet aanpast, maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. De deken heeft geconcludeerd dat de stappen die tot nu toe - mede - door mr. J zijn gezet niet ongebruikelijk zijn en dat het opstellen van een brief ter opvraging van de bodycam-beelden bij het Openbaar Ministerie niet onredelijk is en juist noodzakelijk is om verder te komen in deze zaak. De deken acht het waarschijnlijk dat een andere advocaat dezelfde weg zou bewandelen. Het hof onderschrijft de conclusies van de deken. Uit de brief van 22 augustus 2024 blijkt verder - zoals ook de deken heeft aangegeven - dat de rechtsbijstandsverzekeraar ernaar streeft om op een positieve wijze tot een samenwerking te komen die kan bijdragen aan het oplossen van de juridische problemen van klaagster. Onder deze omstandigheden had de deken naar het oordeel van het hof gegronde redenen om het verzoek van klaagster af te wijzen. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan. 
Slotsom

4.3    Het hof zal het beklag ongegrond verklaren.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 9 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A Heenk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
                                                


griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 september 2026.