ECLI:NL:TADRAMS:2026:206 Raad van Discipline Amsterdam 26-673/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:206
Datum uitspraak: 21-09-2026
Datum publicatie: 24-09-2026
Zaaknummer(s): 26-673/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klager heeft een klacht ingediend over verweerder als onzijdig persoon. De klacht gaat over het doorstorten van gelden. Deze is kennelijk ongegrond. Verweerder heeft geen tuchtrechtelijke normen overschreden.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 21 september 2026
in de zaak 26-673/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 30 juli 2026 met kenmerk mr/ss/26-095/2567929, door de raad ontvangen op 30 juli 2026, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 t/m 7, van de op 25 augustus 2026 door klager gestuurde e-mail met bijlagen 1 t/m 6 en van de reactie van verweerder daarop van 28 augustus 2026, met bijlagen 14 t/m 16.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 15 december 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland vonnis gewezen in een zaak tussen klager en zijn voormalig partner, mevrouw G. Dat vonnis ging over de verdeling van nog niet verdeelde onderdelen van de gemeenschap, waaronder een woonboot. De rechtbank benoemde mr. W, destijds kantoorgenoot van verweerder, tot onzijdig persoon om klager te vertegenwoordigen bij de verdeling voor het geval klager niet, na verzoek van G, zelf zijn medewerking zou verlenen aan de verdeling.
1.2    Bij vonnis van 4 december 2024 heeft de rechtbank klager veroordeeld tot betaling van € 63.552,31 aan G. In het vonnis is ook bepaald dat klager geen rechtshandelingen mocht verrichten met betrekking tot de woonboot en ligplaats en dat hij moest meewerken aan kadastrale registratie van de woonboot met ligplaats.
1.3    In 2025 is met betrekking tot de woonboot tot tweemaal toe een koopovereenkomst getekend voor een bedrag van € 435.000,-, maar hebben de kopers uiteindelijk onder betaling van een schadevergoeding afgezien van de koop. De schadevergoeding bedroeg in totaal € 37.400,- en moest worden verdeeld tussen klager en G. Het aan klager toekomende bedrag is gestort op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. W en verweerder. 
1.4    De uiteindelijke koopovereenkomst is op 4 december 2025 getekend voor € 434.000,-. De opbrengst van de woonboot betrof, na aflossing van een hypothecaire schuld en na aftrek van de notaris- en courtagekosten, € 335.610,12. 
1.5    Bij beschikking van 22 december 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland mr. W ontheven van zijn taak als onzijdig persoon en in zijn plaats verweerder benoemd. Mr. W heeft zijn werkzaamheden aan klager gedeclareerd en zijn honorarium voldaan uit het bedrag dat op de derdengeldrekening van het kantoor was gestort. Nadien resteerde een bedrag van € 4.936,25 op de derdengeldrekening.
1.6    Na de levering van de woonboot heeft G op 14 januari 2026 executoriaal beslag gelegd op het aandeel van klager in de kwaliteitsrekening van de notaris, ter verkrijging van betaling van € 104.404,22. 
1.7    Op 26 januari 2026 heeft klager verweerder gemaild en gelast om binnen 24 uur alle gelden die hij in naam van klager zou hebben geïnd op de rekening van klager over te maken.
1.8    Op 19 februari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij gelden voor klager heeft geïnd en weigert die gelden naar klager over te maken.
2.2    Klager stelt zich verder op het standpunt dat de marktconforme prijs voor een woonboot € 580.000,- is, maar dat het op papier is afgedaan voor slechts € 430.000,-. Het verschil is volgens klager zwart onder tafel betaald. Klager beticht verweerder van diefstal en afpersing in naam van G.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De klacht ziet op het handelen van verweerder als onzijdig persoon. Deze functie is nauw verbonden met die van advocaat, nu alleen advocaten tot onzijdig persoon kunnen worden benoemd. Het advocatentuchtrecht is daarom volledig van toepassing. De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. 
4.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
4.3    Een advocaat dient bij de uitoefening van zijn beroep integer te handelen en zich te onthouden van enig handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. De kernwaarde integriteit leidt ertoe dat een advocaat ook in financiële aangelegenheden betamelijk moet handelen. Deze verplichting geldt tegenover de eigen cliënt, de wederpartij, maar ook tegenover derden (vergelijk HvD 10 februari 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:40 en HvD 26 maart 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:53).
4.4    Klager verwijt verweerder dat hij geld heeft geïnd en dit geld vervolgens niet (volledig) heeft overgemaakt aan klager. Verweerder heeft van zijn kant gemotiveerd betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Hij voert aan dat hij door de rechtbank is benoemd tot onzijdig persoon, voor het geval klager niet uit eigen beweging zou meewerken aan de kadastrale registratie van de hiervoor onder 1.2 bedoelde woonboot met ligplaats. Nu klager daaraan niet vrijwillig heeft meegewerkt, heeft verweerder werkzaamheden moeten verrichten.  Verweerder heeft in verband daarmee meerdere stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Klager diende voor deze werkzaamheden te betalen, nu verweerder deze werkzaamheden conform de uitspraak van de rechtbank heeft verricht omdat klager zelf niet meewerkte.  
4.5    Verder werd de omstandigheid dat klager na de levering van de woonboot op zijn geld moest wachten, niet veroorzaakt door verweerder, maar door het executoriale beslag dat namens G op de verkoopopbrengst werd gelegd. Na uitkering van het bedrag dat aan G toekwam, resteerde van de verkoopopbrengst van de woonboot een aan klager toekomend bedrag van € 63.284,76. Verweerder heeft in verband daarmee uiteengezet dat hij ruim 16 uren in het dossier van klager had gewerkt en dat er waarschijnlijk nog geen einde komt aan zijn werkzaamheden, omdat er nog twee woningen moeten worden verkocht. Het resterende bedrag van € 4.936,25 dat nog op de derdengeldrekening van verweerder stond, zou niet toereikend zijn voor de vergoeding van de gewerkte en nog te werken uren van verweerder. Om die reden heeft verweerder aan de deken om toestemming verzocht om € 7.500,- van genoemde € 63.284,76 te mogen reserveren voor de vergoeding van zijn reeds gewerkte en nog te werken uren en het verschil van € 55.179,76 over te maken naar de bankrekening van klager. De voorzitter acht de verwachting van verweerder dat klager niet uit eigen beweging de factuur voor zijn werkzaamheden zal betalen niet onbegrijpelijk, gelet op de verwijten die klager bij herhaling aan verweerder maakt. 
4.6    Het verwijt van klager dat de woonboot voor € 150.000,- meer is verkocht dan volgt uit de koopovereenkomst en dat dit bedrag zwart zou zijn betaald, is een aantijging die door klager op geen enkele wijze is onderbouwd en door verweerder is betwist. De voorzitter heeft niet kunnen constateren dat op enige wijze sprake zou zijn geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder.
4.7    De conclusie uit het voorgaande is dat verweerder geen tuchtrechtelijke normen heeft overschreden. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht en onderbouwd dat hij als onzijdig persoon werkzaamheden heeft verricht voor klager. De vertraging in de afwikkeling van de koop was niet aan verweerder te wijten en de gelden waar klager recht op had zijn door verweerder uitgekeerd, zij het dat een gedeelte daarvan met toestemming van de deken is gereserveerd als vergoeding voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden van verweerder. Voor het overige heeft klager zijn klacht niet althans onvoldoende onderbouwd. De voorzitter zal de klacht daarom in zijn geheel, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. Homringhausen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.


Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 21 september 2026