ECLI:NL:TGZCTG:2026:187 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3039

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:187
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 28-09-2026
Zaaknummer(s): C2025/3039
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij het inzage- en correctierecht niet goed heeft uitgevoerd. Daarnaast verwijt klager de verzekeringsarts dat in de adviesrapportage onjuiste medische gegevens staan en het onmogelijk is dat, zoals in het rapport zou staan, dat de verzekeringsarts dezelfde dag als het spreekuurcontact met klager contact heeft gehad met de gemeente. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3039 van:

A.,
wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,


tegen
 

C.,
destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1.    Kern van de zaak
1.1     Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij het inzage- en correctierecht niet goed heeft toegepast. Daarnaast verwijt klager de verzekeringsarts dat in de adviesrapportage onjuiste medische gegevens staan en dat het onmogelijk is  dat de verzekeringsarts op dezelfde dag als het spreekuurcontact met klager contact heeft gehad met de gemeente. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 27 oktober 2025 met nummer Z2025/8018 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:131). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en aanvullende stukken van klager.

2.3    De zaak is op de zitting van 2 september 2026 behandeld. Aanwezig waren de verzekeringsarts en zijn gemachtigde. Zij hebben vragen van het college beantwoord en het standpunt van de verzekeringsarts nader toegelicht. 

2.4    Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling op 2 september 2026 de zaak in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Wat hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

3.    Feiten

3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2    Klager heeft de verzekeringsarts op 16 oktober 2024 gesproken tijdens een spreekuurcontact. De oproep betrof een aanvraag bij de gemeente in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (hierna Wmo) voor licht huishoudelijke hulp en vrijstelling van de zorgplicht van inwonende kinderen, dochter en schoonzoon. Klager had eerder een Wmo-aanvraag gedaan voor zwaar huishoudelijke hulp en begeleiding.
 
3.3    De adviesrapportage van de verzekeringsarts, van 22 oktober 2024, is ingebracht in de procedure en daarin is, voor zover relevant, opgenomen:
“2. Vraagstelling opdrachtgever:
Bestaat er noodzaak voor het toekennen van huishoudelijke hulp voor licht huishoudelijk werk. Kan van de huisgenoten (inwonende kinderen) worden verwacht dat zij de licht huishoudelijke taken overnemen of zijn er redenen dat deze gebruikelijke zorg niet van hen kan worden verwacht?
(…)
Actuele medicatie:
Lisinoprol 5 mg en voor de cholesterol.
3. Dagelijkse activiteiten (Dagverhaal):
Hij staat vroeg op rond 06:00 uur.
Na opstaan gaat hij naar de kerk. Hij doet heel veel activiteiten in de kerk, brood in de pauzes, hij doet met de activiteiten mee, 3 keer per week gaat hij met de trein buiten B voor deze activiteiten van de kerk. Soms gaan zij naar E voor de kerk. En de rest van de dagen doen ze buiten de kerk activiteiten in B.
(…)
Sport: Hij fietst veel (ongeveer 2 keer per dag 10 km = 20 km fietsen) hij heeft een elektrische fiets van de gemeente gekregen. (…)
(3). Herstelgedrag en begeleiding:
Client gebruikt medicatie en hij komt zijn medische afspraken na. Zijn herstelgedrag is adequaat.
(7). Conclusie:
(…) Omdat ciënt deelneemt aan verschillende activiteiten van de kerk (hij gaat minimaal drie dagen per week naar verschillende steden en naar B), omdat deze activiteiten ook fysieke inspanningen vereisen die meer belastend zijn dan de lichte huishoudelijke taken, omdat hij geen pijnstillers gebruik en omdat de lichte huishoudelijke taken niet knie-belastend zijn worden de aangenomen beperkingen niet sterk gescoord. (…)Hiervoor wordt er een negatief advies aan de gemeente om de lichte huishoudelijke werkzaamheden toe te kennen.
(3). Reactie van klant:
Het advies is tijdens het onderzoek aan cliënt medegedeeld.
Cliënt is het niet eens met de (medische) strekking van het advies.
Cliënt wacht de beslissing van de gemeente af.
Cliënt heeft geen gebruik gemaakt van het inzage en blokkeringsrecht.”

3.4    Op 30 oktober 2024 is de aanvraag voor licht huishoudelijke hulp van klager door de gemeente afgewezen.

3.5    Op 26 november 2024 is aan de Wmo-consulent van de gemeente een antwoord van de verzekeringsarts toegestuurd, inhoudende:
“Dhr. [achternaam klager, RTG Zwolle] heeft tijdens het spreekuur geen gebruik gemaakt van het inzage en blokkeringsrecht. Ik heb hem daarna verteld dat ik de rapportages verder thuis ging uitwerken en afronden.
Mijn negatief advies over zijn aanvraag huishoudelijke hulp blijft onveranderd.”

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verweet de verzekeringsarts bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij
1.    de verzekeringsarts het inzage- en correctierechter niet correct heeft toegepast;  
2.    het rapport in strijd is met de medische gegevens van klager;
3.    de verzekeringsarts op de dag van het onderzoek telefonisch heeft gesproken met een medewerker van de gemeente, hetgeen onmogelijk is en niet in het rapport hoort te staan.

4.2    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft, zo begrijpt het Centraal Tuchtcollege, tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. 

4.3    De verzekeringsarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd.

Ontvankelijkheid
4.4     Allereerst overweegt het Centraal Tuchtcollege dat uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege kunnen worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover klager in beroep nieuwe verwijten aanbrengt kan hij daarin dus niet worden ontvangen. 

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

4.6    In aanvulling op de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege nog als volgt. Ook in beroep is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken dat de verzekeringsarts klager niet heeft gewezen op het inzage- en blokkeringsrecht. Klager voert aan dat hij een schriftelijke machtiging of schriftelijke toestemming had moeten verlenen voor het inzage- en blokkaderecht. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat er geen rechtsregel bekend is waaruit blijkt dat uitsluitend schriftelijk kan worden afgezien van het inzage- en blokkeringsrecht. Deze stelling van klager vindt daarmee geen steun in wet- of regelgeving. 

Conclusie
4.7    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager moet worden verworpen.

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, 
R. Prakke-Nieuwenhuizen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en D. Coppoolse en J. Hermans,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.


Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.
Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.