ECLI:NL:TADRARL:2026:194 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-648/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:194 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 29-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-648/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 28 september 2026
in de zaak 26-648/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 24 juli 2026 met kenmerk 2544004 .
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klaagster vanaf 30 januari 2023 bijgestaan in een echtscheidingsprocedure.
1.2 Op 30 januari 2024 heeft een viergesprek plaatsgevonden tussen klaagster, verweerster, de ex-partner van klaagster en de advocaat van deze ex-partner.
1.3 In april 2024 heeft er een zitting plaatsgevonden, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat klaagster en haar ex-partner tot overeenstemming moeten komen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
1.4 In augustus 2024 heeft klaagster zich gewend tot de advocaat mr. S. en hem verzocht om haar bij te staan en het lopende echtscheidingsdossier over te nemen van verweerster.
1.5 Op 28 augustus 2024 heeft mr. S. verweerster om het dossier gevraagd.
1.6 Op 12 september 2024 heeft verweerster het dossier naar mr. S. gestuurd.
1.7 Op 29 december 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- niet partijdig te zijn geweest door niet alleen het belang van klaagster voor ogen te hebben gehad bij de behandeling van haar zaak;
- de zaak van klaagster niet zorgvuldig te hebben behandeld, onder andere door niet bereikbaar voor klaagster te zijn en niet alle stukken naar de opvolgend advocaat te sturen.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het behoort het tot de professionele standaard van een advocaat om een inschatting te geven van de slagingskans van de zaak.
4.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toets is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
4.3 Klaagster stelt dat verweerster – in strijd met gedragsregel 2 – niet partijdig is geweest omdat zij bij de behandeling van haar zaak niet alleen haar belangen voor ogen heeft gehad. Als onderbouwing van deze stelling heeft klaagster genoemd dat verweerster de advocaat van de wederpartij goed kent en dat verweerster met deze advocaat zaken heeft besproken. Ook noemt klaagster het gedrag van de advocaat van de wederpartij tijdens het viergesprek, waarop verweerster in de ogen van klaagster niet goed heeft gereageerd.
4.4 De voorzitter volgt klaagster niet in dit verwijt. Het feit dat verweerster de advocaat van de wederpartij kent, maakt niet dat verweerster onvoldoende partijdig is. Datzelfde geldt voor het door klaagster genoemde contact tussen de beide advocaten. Het is niet ongebruikelijk, en regelmatig ook noodzakelijk en in het belang van een cliënt, dat een advocaat overleg voert met de advocaat van de wederpartij. Dat verweerster hiermee onjuist of tegen de wil van klaagster heeft gehandeld, is niet gebleken. Over het incident tijdens het viergesprek heeft verweerster aangevoerd dat zij in het gedrag van de advocaat van de wederpartij geen aanleiding zag om in te grijpen. Gelet op deze verklaring van verweerster en omdat dit verwijt niet verder is onderbouwd, kan niet worden vastgesteld dat verweerster bij die gelegenheid klaagster niet goed heeft bijgestaan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten is dan ook niet gebleken.
Klachtonderdeel b)
4.5 Klaagster stelt dat verweerster haar zaak niet zorgvuldig heeft behandeld omdat verweerster niet bereikbaar voor haar was en omdat verweerster niet alle stukken naar de opvolgend advocaat heeft gestuurd.
4.6 De voorzitter is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster gedurende een langere periode onbereikbaar voor klaagster was. Dit wordt door verweerster betwist en uit de stukken blijkt dat er tussen klaagster en verweerster veelvuldig contact is geweest. Het kan zo zijn dat verweerster (naar de zin van klaagster) een aantal keer niet snel genoeg heeft gereageerd op een e-mail of een voicemail van klaagster en wellicht was verweerster tijdens een vakantieperiode minder goed bereikbaar. Uit die omstandigheden kan echter niet de conclusie worden getrokken dat verweerster (stelselmatig) niet tijdig heeft gereageerd op berichten van klaagster. Van onvoldoende of ondermaatse communicatie door verweerster is niet gebleken.
4.7 Met betrekking tot de overdracht van het dossier stelt de voorzitter voorop dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij of zij welwillend reageert op een verzoek van een opvolgend advocaat tot overdracht van het dossier. Uit het klachtdossier blijkt dat mr. S., de opvolgend advocaat, op 28 augustus 2024 aan verweerster om het dossier heeft gevraagd. Daarop heeft verweerster op 2 september 2024 aan mr. S. (onder meer) laten weten dat de processtukken al in het bezit zijn van klaagster en dat zij wegens drukte geen gelegenheid heeft om op korte termijn het dossier te sturen. In reactie daarop heeft mr. S. nogmaals verzocht om hem het procesdossier te sturen. Op 16 september 2024 heeft verweerster het complete dossier aan mr S. gestuurd. De voorzitter is van oordeel dat het beter was geweest als verweerster direct na het eerste verzoek het complete dossier aan de opvolgend advocaat had overgedragen. Dat een advocaat het druk heeft en dat de cliënt zelf al in het bezit is van stukken, zijn geen omstandigheden die een advocaat van deze verplichting ontslaan. Omdat verweerster het dossier alsnog binnen twee weken heeft overgedragen en niet is gebleken dat klaagster door deze vertraging in haar belangen is geschaad, is dit handelen van verweerster echter van onvoldoende gewicht om haar hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
4.8 Voor zover klaagster verweerster nog meer verwijten maakt over de manier waarop zij haar in deze procedure heeft bijgestaan, is de voorzitter van oordeel dat deze onvoldoende zijn onderbouwd en daarom niet zijn komen vast te staan.
4.9 De voorzitter zal op grond van het voorgaande de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff , voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026