ECLI:NL:TADRARL:2026:191 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-606/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:191
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 26-606/AL/GLD
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 28 september 2026

in de zaak 26-606/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 15 juli 2026 met kenmerk K26/34 .

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is gedaagde in een procedure bij de rechtbank Gelderland. Klager is in deze procedure vanaf 24 september 2025 bijgestaan door mr. G.

1.2 Eiser in deze procedure is mr. S., de curator in het faillissement van de vennootschap TW B.V. De bestuurder en enig aandeelhouder van TW B.V. is TT B.V. De bestuurder en enig aandeelhouder van TT B.V. is klager.

1.3 Verweerder heeft in deze procedure mr. S. bijgestaan.

1.4 Op 19 november 2025 heeft mr. G. een B4-formulier (Uitstelverzoek rolhandeling) aan de rechtbank gestuurd. Dat formulier luidt, voor zover relevant, als volgt:

Geachte heer/mevrouw,

Namens gedaagde, [klager] bericht ik u het volgende.

Cliënt heeft mij meegedeeld dat hij de voorkeur geeft aan een andere advocaat en heeft zich inmiddels gewend tot de Deken van de Orde van Advocaten Gelderland met het verzoek om aanwijzing van een opvolgend advocaat. In afwachting van de beslissing van de Deken en de eventuele overname van het dossier door een opvolgend advocaat, kan ik de belangenbehartiging in deze procedure niet verder voortzetten.

Ik verzoek de rechtbank daarom om aanhouding van de zaak voor een termijn van twee weken ten behoeve van de advocaatwisseling, zodat de opvolgend advocaat zich kan stellen. Ik zal mij gelijktijdig onttrekken als advocaat van gedaagde. Zodra de opvolgend advocaat zich stelt, zal ik zorg dragen voor een ordelijke overdracht van het dossier.

Met vriendelijke groet, G.

1.5 In een e-mail van 20 november 2025 heeft mr. G. het volgende aan verweerder gestuurd:

Geachte confrère,

Ter kennisneming zend ik bijgaand het B4-formulier, zoals verzonden aan de rechtbank.

Met vriendelijke groet, G.

1.6 Op 15 december 2025 heeft verweerder (door middel van een B14-formulier) aan de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. Een afschrift van dat formulier heeft verweerder aan mr. G. gestuurd.

1.7 De rechtbank heeft in deze procedure op 28 januari 2026 een vonnis gewezen.

1.8 Op 23 februari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, door de rechtbank te vragen om vonnis te wijzen, terwijl hij wist of behoorde te weten dat klager door zijn advocaat onjuist was geïnformeerd. De advocaat van klager had klager namelijk voorgehouden dat hij een B4-formulier had ingediend, terwijl hij eigenlijk een B2-formulier had ingediend. Verweerder was hiervan op de hoogte, aldus klager.

3 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.  Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.2 De voorzitter stelt op grond van de stukken het volgende vast. De advocaat van klager heeft een zogenaamd B4-formulier aan de rechtbank gestuurd. In een e-mail van 20 november 2025 heeft de raadsman van klager dit formulier ook aan verweerder (de advocaat van de wederpartij van klager) gestuurd. Door middel van dit formulier - zoals hierboven onder de feiten is opgenomen - heeft de advocaat van klager aan de rechtbank laten weten dat hij zich (op verzoek van klager) als advocaat van klager zal onttrekken en heeft hij de rechtbank verzocht om de zaak twee weken aan te houden ten behoeve van de advocaatwisseling. Op 15 december 2025 heeft verweerder, als reactie op de vraag van de rechtbank om zich uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure, de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. Klager is van mening dat verweerder dat niet had mogen doen.

4.3 De voorzitter leidt uit deze gang van zaken af dat verweerder overeenkomstig het rolreglement, rekening houdend met de namens klager aan de rechtbank en verweerder verstrekte informatie en als reactie op een vraag van de rechtbank, namens zijn cliënt om vonnis heeft gevraagd. Niet valt in te zien op welke manier verweerder hiermee verwijtbaar heeft gehandeld. Voor zover de advocaat van klager op dit punt in strijd met een gemaakte afspraak tussen hem en klager heeft gehandeld - wat overigens niet uit het klachtdossier blijkt - had verweerder daar als advocaat van de wederpartij geen rekening mee hoeven te houden. Bovendien is niet gebleken dat verweerder op de hoogte was van die gestelde afspraak.

4.4 De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff , voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

  Griffier                                                                                                                         Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026