ECLI:NL:TAHVD:2026:313 Hof van Discipline 's Gravenhage 250085H
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:313 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 30-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250085H |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Herzieningsverzoek afgewezen. Voorzittersbeslissing na sluiting vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het herzieningsprotocol. Het verzoek tot herziening dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol. Het herzieningsverzoek is feitelijk een verkapt hoger beroep. Het middel van herziening is echter niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 28 september 2026
in de zaak 250085H
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoeker
gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten, advocaat te Utrecht
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 De voorzitter verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) van 10 februari 2025, genomen onder nummer 24-359/AL/MN. Daarin is de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TADRARL:2025:43.
1.2 Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Dit heeft geleid tot de beslissing van het hof van 6 februari 2026, genomen onder nummer 250085. Daarin is de beslissing van de raad bekrachtigd. De beslissing van het hof is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TAHVD:2026:38.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoeker heeft bij e-mail van 1 juni 2026 verzocht om herziening van de beslissing van het hof.
2.2 De voorzitter heeft vervolgens het vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het herzieningsprotocol van het hof gesloten. Het herzieningsprotocol dat van toepassing is, is te vinden op de website van het hof.
3 BEOORDELING
De mogelijkheid tot herziening
3.1 De voorzitter stelt voorop dat de Advocatenwet niet voorziet in de mogelijkheid om tegen een beslissing van het hof een rechtsmiddel, zoals een verzoek tot herziening, in te stellen. Daarom is een verzoek tot herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol, een onherroepelijke beslissing op verzoek van een partij wel herzien. Van zo’n uitzondering kan sprake zijn als het gaat om feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de beslissing, èn
b. bij de verzoeker vóór de beslissing niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij het hof eerder bekend geweest tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden.
Het verzoek
3.3 Verzoeker voert aan dat het hof in de beslissing zijn klacht over het door verweerster in de hoofdzaak, mr. S, advocaat te Amsterdam, in mei/juni 2021 declareren van 16 uren, die besteed zouden zijn aan een sepot, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten omdat het een nieuwe klacht zou zijn. Verzoeker wijst erop dat dit klachtonderdeel, anders dan het hof in de beslissing heeft overwogen, wel door de deken is onderzocht en door de raad is beoordeeld. Verder wijst verzoeker erop dat het hierbij gaat om een evidente onderbouwing van zijn klacht over belangenverstrengeling.
3.4 Op grond van het vorenstaande berust de beslissing van hof volgens verzoeker op een onjuiste feitelijke grondslag, en is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, omdat dit tijdens de mondelinge behandeling bij het hof niet aan de orde is gesteld.
3.5 Bovendien levert het vorenstaande naar verzoeker stelt een nieuw feit op, dat tot een andere beslissing van het hof zou hebben geleid als het op voorhand bij het hof bekend was geweest. Er is immers wel sprake geweest van een volledige klachtbehandeling van dit onderdeel van de klacht, zodat het hof dit niet op formele gronden buiten beschouwing had mogen laten en een andere beslissing had moeten nemen.
3.6 Voor zover het herzieningsprotocol van het hof niet expliciet voorziet in herziening op grond van wat hiervoor staat, verzoekt verzoeker voor deze zaak een uitzondering te maken en toch tot herziening over te gaan, wat volgens verzoeker mogelijk is omdat de uitzondering op de hoofdregel dat herziening niet mogelijk is in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol niet limitatief is bepaald en de (plaatsvervangend) voorzitter van het hof naar bevind van zaken kan handelen in gevallen waarin het herzieningsprotocol niet voorziet.
Beoordeling van het herzieningsverzoek
3.7 De voorzitter is van oordeel dat het verzoek kennelijk moet worden afgewezen (zie artikel 6.6 van het herzieningsprotocol). Het verzoek zal dan ook niet inhoudelijk worden behandeld door een herzieningskamer. De voorzitter licht toe waarom.
3.8 Verzoeker beroept zich allereerst op een motiveringsgebrek in de beslissing van het hof, en stelt dat sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, namelijk hoor en wederhoor. Deze gronden kunnen niet tot herziening van de beslissing leiden, omdat deze niet onder de uitzonderingen van artikel 1.2 van het herzieningsprotocol vallen. Het aangevoerde levert naar het oordeel van de voorzitter geen nieuw feit op in de zin van dit artikel. De voorzitter constateert dat het herzieningsverzoek feitelijk een verkapt hoger beroep is. Het middel van herziening is echter niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen.
3.9 Het verzoek tot herziening van de beslissing van 6 februari 2026 dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot herziening af.
Deze beslissing is genomen op 28 september 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin,
plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 september 2026.