ECLI:NL:TAHVD:2026:309 Hof van Discipline 's Gravenhage 260175

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:309
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 29-09-2026
Zaaknummer(s): 260175
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken. Dat heeft klager niet gedaan. Verder is de aanwijzingsbevoegdheid van de deken  een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. Uit het dossier blijkt niet dat klager voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.


Beslissing van 28 september 2026
in de zaak 260175

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
klager
    
tegen:
    
mr. M.A.R.C. Padberg
dfeken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Rotterdam

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 9 en 15 april 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 11 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager niet voldoende informatie heeft ingediend en daarnaast onvoldoende heeft getracht om zelf een advocaat te vinden.

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 15 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Op 10 juni 2026 heeft klager het beklag aangevuld. 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer, met bijlagen, van de deken van 22 juni 2026;
-    de repliek, met bijlagen, van klager van 23 juni 2026;
-    de dupliek van de deken van 29 juni 2026;
-    een e-mail van klager van 10 juni 2026;
-    een e-mail van klager van 27 mei 2026;
-    een e-mail van klager van 26 mei 2026;
-    nog een e-mail van klager van 26 mei 2026;
-    een e-mail van klager van 25 mei 2026, met bijlagen;
-    een e-mail van klager van 23 mei 2026, met bijlage;
-    een e-mail van klager van 22 mei 2026;
-    nog een e-mail van klager van 22 mei 2026.

1.5    Naast bovengenoemde stukken heeft klager nog meerdere e-mails (deels met bijlagen) aan het hof gezonden, namelijk op 17 juli 2026, 4 augustus 2026, 9 augustus 2026, 13 augustus 2026 en 23 augustus 2026 (door het hof in cc ontvangen). Zoals ook in de ontvangstbevestiging van het beklag aan klager is meegedeeld, was de repliek voor klager de laatste mogelijkheid om stukken in te dienen. In de inhoud van de daarna nog van klager ontvangen stukken heeft het hof geen aanleiding gezien van dat uitgangspunt af te wijken. Bovendien zijn van klager al eenmaal een aantal aanvullende e-mails aan het dossier toegevoegd, en is klager daarmee in feite een aanvullende schriftelijke ronde toegestaan. Na de ontvangst van de dupliek van de deken is het onderzoek gesloten. De e-mails die het hof daarna nog van klager heeft ontvangen zijn dan ook niet aan het beklagdossier toegevoegd.

1.6 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.  

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1   Klager wil een civiele procedure starten tegen een zorginstelling voor de vergoeding van materiele en immateriële schade (miljoenclaim) als gevolg van blijvend zenuwletsel door medische verwijtbaarheid. Daarnaast dient er op korte termijn actie ondernomen te worden vanwege de schending van zijn huisrecht en privacy door de instelling. Bij zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft klager erop gewezen dat hij heeft getracht juridische bijstand te verkrijgen bij meerdere gespecialiseerde advocaten. Zij kunnen de zaak vanwege de enorme omvang (een dossier van 20 jaar) en de complexiteit niet starten. Klager heeft screenshots van deze afwijzingen overgelegd. Op 15 april 2026 heeft klager de deken geïnformeerd over recente ontwikkelingen in zijn zaak tegen de zorginstelling. Dit maakt volgens klager een onmiddellijke versnelling van de advocaat-toewijzing noodzakelijk. Er is sprake van een nieuw incident, te weten huisvredebreuk en een medische noodsituatie en een poging tot uitholling van de claim. 

2.2   Klager stelt dat de noodzaak voor een gespecialiseerde advocaat acuut is vanwege de volgende termijnen: 29 april 2026 - de zorginstelling is officieel in verzuim (Wkkgz-termijn) en 18 juni 2026 - de deadline voor het standpunt van de verzekeraar over de aansprakelijkheid voor de miljoenenclaim.

2.3   De deken heeft klager op 20 april 2026 verzocht om nadere informatie, onder andere de brief waarin hij de zorginstelling aansprakelijk heeft gesteld en een rapport dat de schade, zoals klager in zijn e-mail van 10 april 2026 stelt, “onomstotelijk” bewijst. Ook voor wat betreft de kwestie van de schendig van het huisrecht en privacy door de zorginstelling, heeft de deken om nadere informatie verzocht. Verder heeft de deken erop gewezen dat klager vijf advocaten(kantoren) heeft benaderd waarvan er één niet werkzaam is op het relevante rechtsgebied. Klager dient derhalve zelf nog een andere advocaat te benaderen die wel werkzaam is op het relevante rechtsgebied. Concreet heeft de deken verzocht om de volgende stukken:
- Brief met aansprakelijkstelling zorginstelling
- Rapport met bewijs van schade
- Toelichting op de tweede kwestie waarvoor klager aangeeft een advocaat nodig te hebben
- Afwijzing advocaat op relevant rechtsgebied
- Eventueel een diagnosedocument van het Juridisch Loket

2.4  Klager heeft op 20 april 2026 aan de deken bericht dat de bewering dat informatie ontbreekt,  feitelijk onjuist is en erop duidt dat zijn e-mails niet inhoudelijk zijn gelezen. Vanwege iatrogene schade en een medische noodtoestand (0% energie) is het voor klager fysiek onmogelijk om verder
'werk' voor de deken te verrichten of nog meer advocaten te benaderen. Klager heeft verwezen naar zijn eerdere correspondentie voor de aansprakelijkstelling en het schaderapport.

2.5     De deken heeft met de beslissing van 11 mei 2026 het verzoek van klager afgewezen. De reden is dat klager volgens de deken ten aanzien van beide kwesties onvoldoende toelichting heeft gegeven op de zaken waarvoor hij een advocaat zoekt. Er is meermaals om stukken en informatie gevraagd. Klager heeft geweigerd de stukken/ informatie te verstrekken omdat hij vindt dat hij de  stukken al bij eerdere e-mails heeft overgelegd. De deken heeft de stukken bij die e-mails niet aangetroffen. Op 28 april 2026 heeft klager een e-mail gestuurd, gericht aan het Hof van Discipline en aan de deken, waaronder zich een e-mail van 18 maart 2026 aan de zorginstelling bevindt. Hierin stelt klager de zorginstelling aansprakelijk. Daarna heeft de deken op 29 april 2026 klager nogmaals verzocht de stukken over te leggen en informatie te verstrekken. Dat heeft klager geweigerd. 

2.6  Daarnaast is de deken van mening dat klager onvoldoende inspanning heeft verricht om zelf een advocaat te vinden.  Klager heeft onvoldoende advocaten benaderd om hem bij te staan en klager wenst geen contact op te nemen met het Juridisch Loket om te helpen bij het zoeken van een advocaat. Nu klager nadien wel meerdere malen per e-mail contact met deken (en andere instanties) heeft opgenomen, is voor de deken niet duidelijk waarom klager niet in staat zou zijn een advocaat (per e-mail) te benaderen.

2.7  De deken heeft om de voorgaande redenen klagers verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. 


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat er sprake is van:

1. Onjuiste feitelijke grondslag en schending motiveringsplicht

De deken stelt ten onrechte dat klager heeft geweigerd stukken te overleggen. De relevante documenten, waaronder de formele aansprakelijkstelling van de zorgaanbieder d.d. 18 maart 2026, zijn herhaaldelijk per e-mail aangeleverd. Dat de deken deze stukken intern niet heeft gecorreleerd, is volgens klager een administratief verzuim dat niet voor zijn rekening mag komen. Het besluit ontbeert hierdoor een zorgvuldige feitelijke grondslag.

2. Miskenning van de medische causaliteit en de ‘Double Bind’

De deken miskent klagers ernstige somatische toestand. Klager bevindt zich in een acute dorsale polyvagale shutdown (bevestigd door Zorgbelang) wegens 18 jaar langdurige misdiagnose en iatrogene schade (periode 2006-2026). De weigering van de deken misbruikt klagers overlevingsreactie (het reactief verzenden van e-mails ter noodweer) om te concluderen dat klager fysiek en mentaal in staat zou zijn om complexe, uitputtende intakes te doen bij reguliere advocatenkantoren. Dit getuigt van een fundamenteel gebrek aan zorgvuldigheid.

3. Volledige uitsluiting op de vrije markt 

De Deken stelt ten onrechte dat klager "onvoldoende inspanning" heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden. Klager is inmiddels door zes opeenvolgende advocatenkantoren geweigerd vanwege de extreme complexiteit en omvang van de miljoenenclaim tegen de betrokken instanties.
Als sluitstuk van dit bewijs heeft klager op vrijdag 15 mei 2026 de formele afwijzing ontvangen van het meest vooraanstaande mensenrechtenkantoor van Nederland, [naam advocatenkantoor]. Het kantoor erkent de ernst van de situatie, maar kan de zaak wegens grote drukte niet aannemen. Hiermee staat onomstotelijk vast dat de vrije markt klager feitelijk uitsluit.

4. Schending van Artikel 6 EVRM en Institutionele Belangenverstrengeling
Door de formele aanwijzing te weigeren, ontzegt de deken Rotterdam klager de toegang tot de rechter (Artikel 6 EVRM). Het Zorgkantoor weigert Wlz-aanpassingen zonder advocaat, terwijl de zorginstelling de woonruimte als pressiemiddel gebruikt en de uithuisplaatsing per 22 mei 2026 dreigt te effectueren. Klager stelt dat de weigering van de deken Rotterdam voortvloeit uit concrete belangenverstrengeling binnen de Rotterdamse tuchtrechtelijke keten om de aansprakelijkheid van lokale overheids- en zorginstanties af te dekken. Er is sprake van een absoluut institutioneel rechtsvacuüm.

Conclusie en vordering

Klager stelt dat hij zich bevindt in een acute noodsituatie van rechtsweigering, financiële gijzeling en medisch gevaar. Nu [genoemd advocatenkantoor] de zaak door capaciteitsgebrek heeft moeten weigeren, is de wettelijke aanwijzing ex artikel 13 Advocatenwet de enige resterende rechtsingang om klagers rechten te beschermen. Klager verzoekt het Hof van Discipline om het beklag gegrond te verklaren en de beschikking van de deken Rotterdam d.d. 11 mei 2026 te vernietigen, en de deken te gelasten om specifiek een advocaat van het kantoor [naam advocatenkantoor] aan te wijzen voor de juridische afwikkeling van deze zaak. Nu dit kantoor reeds over het volledige dossier beschikt, is deze aanwijzing de meest effectieve en doelmatige maatregel om het rechtsvacuüm per direct op te heffen.

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat - anders dan klager stelt - hij niet (alle) gevraagde stukken heeft overgelegd. Het enige stuk dat de deken heeft ontvangen is de aansprakelijkstelling van de zorginstelling, nota bene als bijlage bij een klacht tegen de deken en niet als bijlage bij één van de e-mails van klager bij de indiening van de klacht of in een reactie op het verzoek van de deken om stukken. De deken stelt dat tot op dit moment de zaak onvoldoende duidelijk is.

3.3     De deken meent dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de somatische toestand van klager. Van klager werd niet verlangd dat hij fysiek bij een advocatenkantoor zou langsgaan en klager lijkt heel wel in staat contact te leggen per e-mail.

3.4     De deken heeft erop gewezen dat de onderbouwing van het standpunt van klager dat hij zich wel degelijk voldoende heeft ingespannen om een advocaat te vinden, het besluit niet anders had kunnen maken, aangezien de afwijzing dateert van na 11 mei 2026, de datum van het besluit.

3.5     Waar klager de onder 4. verwoorde stellingen op baseert, is de deken niet duidelijk. De deken heeft geen contact met de wederpartij(en) van klager.

3.6    In re- en dupliek zijn klager respectievelijk de deken bij hun ingenomen standpunten gebleven.


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken.

4.3    Dat heeft klager niet gedaan. Het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klager een advocaat nodig heeft. Het hof is daarom met de deken van oordeel dat klager zijn verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.
4.4 Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klager voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De aanwijzingsbevoegdheid van de deken is een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.

4.4 Uit het voorgaande volgt reeds dat het beklag ongegrond is. Gelet hierop behoeven de overige beklaggronden van klager geen bespreking meer. 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 11 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 september 2026.