Zoekresultaten 1-50 van de 14216 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7903

    Klaagster is tweemaal door verweerster (psychiater) gezien voor een second opinion in het kader van een euthanasietraject. Klaagster maakt de psychiater verwijten over de inhoud van de verslagen van beide second opinions, de verzending van het verslag van de tweede second opinion en haar communicatie per e-mail. Klacht gedeeltelijk gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8552

    Klacht tegen een psychiater kennelijk ongegrond. Klaagster werd door de afdeling bemoeizorg verwezen naar het FACT-team. De psychiater was regiebehandelaar van klaagster. Klaagster verwijt de psychiater, samengevat, dat zij een onjuiste medische rapportage heeft opgesteld, een diagnose heeft gesteld die klaagster niet heeft on dat zij onheus bejegend is. Het college is van oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:160 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8551

    Klacht tegen een huisarts kennelijk ongegrond. Klaagster stond ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van verweerder. Op haar verzoek werd zij uitgeschreven uit deze praktijk. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat verweerder heeft geweigerd haar medisch dossier te verstrekken en dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de uitschrijving uit de praktijk. Het college is van oordeel dat de huisarts geen persoonlijk, tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7994

    Klager heeft een aanvraag gedaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Deze aanvraag is afgewezen. Klager heeft hiertegen geprocedeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft DUO opgedragen een medisch adviseur over de zaak van klager te laten oordelen. Verweerder heeft als medisch adviseur op verzoek van DUO medische rapportages uitgebracht. Klager beklaagt zich over deze rapportages. Het college is van oordeel is dat de rapportages voldoen aan de daaraan te stellen eisen en verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7588

    Deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegronde klacht tegen verpleegkundig specialist. De klacht van patiënt betreft onder meer het stellen van een onjuiste diagnose, het voorschrijven van verkeerde medicatie en het opstellen van foutieve rapportages. Geen reden om de reeds gestelde diagnose aan te passen. Toegediende medicatie was passend bij het ziektebeeld. Rapportage voldoet aan de richtlijnen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:294 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7860

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een kinderarts-neonatoloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts-neonatoloog dat zij in de periode tussen 31 januari tot en met 4 februari 2020 onvoldoende maatregelen heeft genomen om de bacteriële infectie te voorkomen, zowel in haar rol als behandelaar als van hoofd van de afdeling waar de dochter van klaagster was opgenomen. Daarnaast verwijt klaagster de kinderarts-neonatoloog dat zij op basis van de klinische signalen eerder had moeten ingrijpen bij haar dochter.Het college is van oordeel dat de op de afdeling gehanteerde maatregelen ter voorkoming van infecties conform de medisch-professionele standaard zijn.Wat betreft het eerder moeten ingrijpen, oordeelt het college dat de signalen die klaagster als ‘red flags’ heeft geduid, gebruikelijk waren voor premature baby’s. Deze signalen kwamen voort uit de prematuriteit van de baby en deze waren in de vorm en mate waarin zij optraden, in de periode tot aan 4 februari 2020 geen reden tot intensivering of verandering van de zorg.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7593

    Deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegronde klacht tegen verpleegkundig specialist. De klacht van patiënt betreft onder meer het stellen van een onjuiste diagnose en het voorschrijven van verkeerde medicatie. Geen reden om de reeds gestelde diagnose aan te passen. Toegediende medicatie was passend bij het ziektebeeld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:295 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7861

    Kennelijke ongegronde klacht tegen een kinderarts-neonatoloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts-neonatoloog dat zij ten onrechte heeft besloten haar dochter over te plaatsen naar een ander ziekenhuis en dat zij ten onrechte een palliatief beleid heeft ingezet.Het college constateert dat de kinderarts-neonatoloog niet betrokken is geweest bij de besluitvorming of de uitvoering van de overplaatsing.Het college acht de beslissing op 3 maart 2020 om over te gaan tot een palliatief beleid gezien de gezondheidssituatie van de dochter van klaagster op dat moment zeer goed navolgbaar en is van oordeel dat deze beslissing ook zorgvuldig is genomen.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7938

    De moeder van een patiënt dient een klacht in tegen de tandarts omdat deze agressief zou zijn geweest tegen haar driejarige zoon. Het college kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd omdat partijen verschillende lezingen over de feiten hebben. Voor zover het college dat wel vast kan stellen, acht het de reactie van de tandarts niet verwijtbaar. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:296 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7862

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een kinderneuroloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderneuroloog dat zij ten onrechte een palliatief beleid heeft ingezet.Het college acht de beslissing op 3 maart 2020 om over te gaan tot een palliatief beleid gezien de gezondheidssituatie van de dochter van klaagster op dat moment zeer goed navolgbaar en is van oordeel dat deze beslissing ook zeer zorgvuldig is genomen.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7880

    De moeder van een patiënt klaagt over diens behandeling door de orthodontist. Het tuchtcollege verklaart alle klachten ongegrond. De orthodontist heeft een passend behandelplan opgesteld, de juiste diagnose gesteld (op één schrijffout na), en terecht een KNO-verwijzing gedaan. Het gebruik van een myobrace was verdedigbaar als voorbereidende behandeling. Er was nog geen definitieve behandeling gestart omdat de patiënt tussentijds van orthodontist wisselde. Ook het verwijt over röntgenfoto’s en de positie van tand 15 houdt geen stand.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:297 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7863

    Kennelijke ongegronde klacht tegen een kinderarts-neonatoloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts-neonatoloog dat hij ten onrechte een palliatief beleid heeft ingezet.Het college acht de beslissing op 3 maart 2020 om over te gaan tot een palliatief beleid gezien de gezondheidssituatie van de dochter van klaagster op dat moment zeer goed navolgbaar en is van oordeel dat deze beslissing zorgvuldig is genomen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:298 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7864

    Kennelijke ongegronde klacht tegen een kinderarts-neonatoloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts-neonatoloog dat zij ten onrechte een palliatief beleid heeft ingezet.Het college acht de beslissing op 3 maart 2020 om over te gaan tot een palliatief beleid gezien de gezondheidssituatie van de dochter van klaagster op dat moment zeer goed navolgbaar en is van oordeel dat deze beslissing zorgvuldig is genomen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2712

    Klager lijdt aan chronische draaiduizeligheid en werkt met een WIA-uitkering 25 uur per week. De aangeklaagde arts werkt onder supervisie van een bedrijfsarts bij de arbodienst van de werkgever van klager. Klager kwam op 19 april 2024 bij de arts op het verzuimspreekuur. Klager vindt a) dat de arts hem toen ten onrechte heeft doorverwezen naar het UWV en b) dat de arts onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door de arts ingestelde beroep tegen die beslissing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:299 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7865

    Kennelijke ongegronde klacht tegen een kinderarts. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts dat zij op 31 januari 2020 ten onrechte heeft besloten haar dochter over te plaatsen naar een ander ziekenhuis en dat zij ten onrechte palliatief beleid heeft ingezet.Het college stelt vast dat de kinderarts zowel bij het besluit tot overplaatsen als het besluit een palliatief beleid in te zetten niet betrokken is geweest.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2743

    Klager is na zijn ziekmelding bij zijn werkgever begeleid door de bedrijfsarts. Over die begeleiding is hij niet tevreden. Klager verwijt de bedrijfsarts onder meer dat zij geen gehoor heeft gehad voor zijn psychische klachten, een verkeerde diagnose heeft gesteld en verkeerde vervolgstappen heeft voorgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het beroep van klager heeft tot doel dat twee van zijn klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verwerpt het beroep van klager.Klager is na zijn ziekmelding bij zijn werkgever begeleid door de bedrijfsarts. Over die begeleiding is hij niet tevreden. Klager verwijt de bedrijfsarts onder meer dat zij geen gehoor heeft gehad voor zijn psychische klachten, een verkeerde diagnose heeft gesteld en verkeerde vervolgstappen heeft voorgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het beroep van klager heeft tot doel dat twee van zijn klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:293 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7839

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een kinderarts-neonatoloog. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet. Klaagster verwijt de kinderarts-neonatoloog dat hij, als afdelingshoofd, onvoldoende maatregelen heeft genomen om een infectie met de Serratia marcescens bacterie te voorkomen. Ook verwijt zij de kinderarts-neonatoloog dat hij ten onrechte een palliatief beleid heeft ingezet.Het college is van oordeel dat de op de afdeling gehanteerde maatregelen ter voorkoming van infecties conform de medisch-professionele standaard zijn.Het college acht daarnaast de beslissing om over te gaan tot een palliatief beleid gezien de gezondheidssituatie van de dochter van klaagster op dat moment zeer goed navolgbaar en is van oordeel dat deze beslissing zorgvuldig is genomen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:290 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7919

    Ongegronde klacht tegen een internist-oncoloog. Bij de echtgenote van klager was triple negatief borstkanker geconstateerd. Hij verwijt de internist-oncoloog dat zij onvoldoende voorlichting aan patiënte heeft gegeven over de risico’s van de chemotherapie en dat zij ten onrechte niet van het standaard protocol is afgeweken. Het college oordeelt dat de door de internist-oncoloog gegeven schriftelijke en mondelinge informatie voldoende is geweest. Er was geen indicatie om niet te starten met een standaarddosering of (later) de dosering te verlagen. Klacht ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:291 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8188

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Patiënte, de moeder van klaagster, is overleden aan longkanker. De arts was werkzaam als zaalarts op de longafdeling. Het college stelt vast dat de arts geen diagnose heeft gesteld, ook niet dat hij klaagster niet serieus zou hebben genomen. Het door klaagster ervaren gebrek aan empathie kan het college niet in objectieve zin vaststellen. Het college komt ook niet tot het oordeel dat de arts niet adequaat heeft gehandeld op het moment dat het niet goed ging met patiënte. Er waren op dat moment geen andere handelingen mogelijk om het lijden van patiënte te verminderen. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:292 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9027

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter oordeelt dat er sprake is van misbruik van recht nu klaagster een in de kern dezelfde klacht indient tegen de bedrijfsarts. Klaagster wenst kennelijk de beslissing van het CTG niet af te wachten en dient wederom een klacht in met een andere weergave en andere bewoordingen, die in de kern op hetzelfde neerkomt. In dit geval komt de voorzitter tot het oordeel dat het belang van klaagster niet opweegt tegen het belang van de bedrijfsarts om te worden beschermd tegen het opnieuw indienen van een tuchtklacht tegen haar over in de kern hetzelfde feitencomplex. Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:209 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2774

    Klacht tegen een chirurg. Klager is sinds 2002 in behandeling vanwege een darmziekte. Oorspronkelijk is de diagnose colitis ulcerosa (ontsteking van de dikke darm) gesteld. Later is ook de verdenking op de ziekte van Crohn in de overwegingen betrokken, die niet alleen de dikke darm, maar het gehele spijsverteringskanaal van mond tot anus kan aantasten. Beide ziekten zijn zogenoemde inflammatoire darmziekten (Inflammatory Bowel Dieseases of IBD), die zich vaak kenmerken door een complexe problematiek. Vanaf september 2017 is klager behandeld door een multidisciplinair team (MDO) in het medisch centrum waar de chirurg werkzaam is. De chirurg maakte ook deel uit van het MDO en was hoofdbehandelaar van klager. Klager verwijt de chirurg onzorgvuldig handelen, het verstrekken van foutieve informatie en misdiagnostiek na maart 2019 . Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2775

    Klacht tegen een MDL-arts. Klager is sinds 2002 in behandeling vanwege een darmziekte. Oorspronkelijk is de diagnose colitis ulcerosa (ontsteking van de dikke darm) gesteld. Later is ook de verdenking op de ziekte van Crohn in de overwegingen betrokken, die niet alleen de dikke darm, maar het gehele spijsverteringskanaal van mond tot anus kan aantasten. Beide ziekten zijn zogenoemde inflammatoire darmziekten (Inflammatory Bowel Dieseases of IBD), die zich vaak kenmerken door een complexe problematiek. Vanaf september 2017 is klager behandeld door een multidisciplinair team (MDO) in het medisch centrum waar de MDL-arts werkzaam is. De MDL-arts maakte deel uit van het MDO en heeft klager in 2019 enkele malen gezien. Klager verwijt de MDL-arts nalatigheid en onzorgvuldig handelen. In het bijzonder verwijt hij haar enerzijds dat haar brief aan de huisarts feitelijke onjuistheden bevat en anderzijds dat zij zich na april 2019 afzijdig heeft gehouden en ten onrechte niet actief heeft uitgezocht waarom geen resultaten uit de onderzoeken kwamen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2849

    Herstelbeslissing van de beslissing van 26 november 2025 ECLI:NL:TGZCTG:2025:193

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:212 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2850

    Herstelbeslissing van de beslissing van 26 november 2025 ECLI:NL:TGZCTG:2025:194

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2773

    Klacht tegen een chirurg. Klager is sinds 2002 in behandeling vanwege een darmziekte. Oorspronkelijk is de diagnose colitis ulcerosa (ontsteking van de dikke darm) gesteld. Later is ook de verdenking op de ziekte van Crohn in de overwegingen betrokken, die niet alleen de dikke darm, maar het gehele spijsverteringskanaal van mond tot anus kan aantasten. Beide ziekten zijn zogenoemde inflammatoire darmziekten (Inflammatory Bowel Dieseases of IBD), die zich vaak kenmerken door een complexe problematiek. Vanaf september 2017 is klager behandeld door een multidisciplinair team (MDO) in het medisch centrum waar de chirurg werkzaam is. De chirurg maakte ook deel uit van het MDO en heeft klager op 10 december 2018 geopereerd. Klager verwijt de chirurg (a) een mogelijke fout tijdens de operatie en (b) onzorgvuldig handelen, het verstrekken van foutieve informatie en misdiagnostiek na maart 2019 . Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:288 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7982

    Deels gegronde klacht tegen een uroloog. De uroloog heeft bij klaagster een chronische vorm van blaasontsteking en stressincontinentie vastgesteld. Hij heeft in dat verband twee ingrepen bij klaagster uitgevoerd. Klaagster verwijt de uroloog onder andere dat er geen sprake was van informed consent. Nu klaagster gemotiveerd heeft betwist voldoende te zijn voorgelicht, acht het college het enkele feit dat het informed consent-formulier is ondertekend, onvoldoende om informed consent aan te nemen. Het college kan aan de hand van het formulier niet vaststellen wat de uroloog precies met klaagster heeft besproken, omdat er alleen kruisjes zijn gezet, maar de velden daarachter niet zijn ingevuld en in het medisch dossier evenmin is vastgelegd wat er met klaagster is besproken. Het college is van oordeel dat de uroloog zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het informeren van klaagster heeft miskend. Tijdens de zitting heeft hij ook geen blijk gegeven van reflectie op zijn handelen. Het college legt een berisping op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:289 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7991

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een uroloog. Klager heeft de klacht ingediend namens zijn overleden vader (de patiënt). De uroloog heeft de patiënt geopereerd aan zijn prostaat. Klager verwijt de uroloog onder andere dat zij de operatie niet goed heeft uitgevoerd. De uroloog heeft de operatie voortijdig moeten beëindigen. Door een onvoorziene omstandigheid van een bocht in de plasbuis liep het rechte operatie-instrument vast in de plasbuis waardoor het in een fausse route belandde. Het college is van oordeel dat de uroloog terecht heeft gekozen voor het beëindigen van de ingreep en het achterlaten van een katheter voor meerdere dagen zodat de plasbuis kon herstellen. Uit het medisch dossier en het operatieverslag blijkt verder niet dat de operatie niet volgens de richtlijnen of niet lege artis zou zijn uitgevoerd. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:156 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7221

    Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg die als deskundige heeft gerapporteerd in een letselschadezaak naar aanleiding van een ongeval waarbij klager was aangereden. De in de rapportage van de chirurg opgenomen conclusie is – kort gezegd – dat er wel sprake is van beperkingen aan de heup van klager maar dat het onwaarschijnlijk is dat deze het gevolg zijn van het ongeval. Klager is het met de (wijze van) totstandkoming van de rapportage van de chirurg niet eens en meent dat de conclusie van de chirurg is gebaseerd op een gebrekkig onderzoek.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8453

    Klacht IGJ tegen internist-hematoloog, momenteel werkzaam in het buitenland, gegrond in alle onderdelen: voorschrijven onderhoudsdoseringen Rituximab (off-label), niet voldaan aan regels omtrent informed consent, tekortgeschoten in dossierplicht en onvoldoende collegiaal overleg gevoerd/onvoldoende samengewerkt. Maatregel: Binding aan bijzondere voorwaarden (als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder g van de Wet BIG), inhoudende dat de internist-hematoloog gedurende twaalf maanden uitsluitend werkzaam mag zijn onder supervisie, ingaande vanaf het moment dat de internist-hematoloog zijn werkzaamheden in Nederland hervat.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7937

    Klacht tegen internist. De internist wordt verweten dat zij klaagster tijdens een consult heeft begeleid en behandeld (bejegend) op een manier waardoor klaagster zich niet gehoord en begrepen heeft gevoeld. College heeft niet kunnen vaststellen dat de internist zich niet empathisch genoeg heeft opgesteld. Heeft klaagster juist voorzien van de nodige informatie en op duidelijke wijze met haar gecommuniceerd. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:285 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7508

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een revalidatiearts. Klaagster verwijt de revalidatiearts onder meer dat zij een verkeerde medische behandeling heeft ingezet en haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden. Het college komt tot de conclusie dat er geen verkeerde behandeling is ingezet, maar dat er helemaal geen behandeling van de grond kon komen. Dit valt de revalidatiearts niet te verwijten. Geen aanleiding om aan te nemen dat de revalidatiearts haar beroepsgeheim heeft geschonden.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:286 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8380

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een kaakchirurg. De kaakchirurg heeft bij klaagster meerdere elementen verwijderd. Klaagster verwijt de kaakchirurg dat er een extra element is verwijderd zonder dit eerst met haar te overleggen, dat de behandeling is gestart zonder dat de verdoving was ingewerkt en dat het dossier onvolledig is omdat de verdoving niet in het dossier is vermeld. Het klachtonderdeel over de dossiervoering is gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Het college legt geen maatregel op omdat het binnen de beroepsgroep van kaakchirurgen nog geen gangbare praktijk is dat bij dergelijke ingrepen de verdoving in het medisch dossier wordt geschreven.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:287 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8419

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een kaakchirurg. De kaakchirurg heeft bij klager een feminiserende gelaatsoperatie uitgevoerd. Klager verwijt de kaakchirurg dat zij de ingreep niet conform de medische professionele standaard heeft verricht, de ingreep niet conform de wensen van klager heeft uitgevoerd en dat zij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de uitvoering en de mogelijke risico’s en complicaties. De klachtonderdelen over de informatieplicht en het verkrijgen van toestemming voor de ingreep zijn deels gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:196 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2677

    Klacht tegen neurochirurg. Klaagster had een zwelling in de hals waarvoor de huisarts haar heeft doorverwezen naar een ziekenhuis. Klaagster is daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met een verdenking van een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster op haar verzoek voor een second opinion naar een ander ziekenhuis verwezen. Daar is de situatie van patiënte in een werkgroep besproken en is geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. De neurochirurg was als lid van deze werkgroep bij dit overleg betrokken. Klaagster is vervolgens voor verdere behandeling terugverwezen naar het eerste ziekenhuis. Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar – tegen haar uitdrukkelijke wens in – heeft terugverwezen naar het eerste ziekenhuis en dat het tweede ziekenhuis haar niet als patiënt heeft overgenomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:202 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2684

    De ex-partner van klager heeft verloskundige zorg ontvangen in de praktijk waar de verpleegkundige op dat moment werkzaam was. Klager verwijt de verloskundige onder meer onzorgvuldige dossiervorming. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht verklaard en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:197 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2678

    Klacht tegen neurochirurg. Klaagster had een zwelling in de hals waarvoor de huisarts haar heeft doorverwezen naar een ziekenhuis. Klaagster is daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met een verdenking van een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster op haar verzoek voor een second opinion naar een ander ziekenhuis verwezen. Daar is de situatie van patiënte in een werkgroep besproken en is geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. De neurochirurg was als lid van deze werkgroep bij dit overleg betrokken. Klaagster is vervolgens voor verdere behandeling terugverwezen naar het eerste ziekenhuis. Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar – tegen haar uitdrukkelijke wens in – heeft terugverwezen naar het eerste ziekenhuis en dat het tweede ziekenhuis haar niet als patiënt heeft overgenomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:203 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2685

    De ex-partner van klager heeft verloskundige zorg ontvangen in de praktijk waar de verpleegkundige medepraktijkhouder is. Klager verwijt de verloskundige onder meer onzorgvuldige dossiervorming. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht verklaard en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:198 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2679

    Klacht tegen neurochirurg. Klaagster had een zwelling in de hals waarvoor de huisarts haar heeft doorverwezen naar een ziekenhuis. Klaagster is daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met een verdenking van een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster op haar verzoek voor een second opinion naar een ander ziekenhuis verwezen. Daar is de situatie van patiënte in een werkgroep besproken en is geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. De neurochirurg was als lid van deze werkgroep bij dit overleg betrokken. Klaagster is vervolgens voor verdere behandeling terugverwezen naar het eerste ziekenhuis. Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar – tegen haar uitdrukkelijke wens in – heeft terugverwezen naar het eerste ziekenhuis en dat het tweede ziekenhuis haar niet als patiënt heeft overgenomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:204 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2762

    De gz-psycholoog was de regiebehandelaar van klager bij een GGZ-praktijk. Klagers eigen behandelaar kreeg een andere functie en stopte haar werkzaamheden bij de praktijk. Klager bleef contact met haar zoeken, ook nadat de voormalig behandelaar zei dat ze dat niet wilde en ook de gz-psycholoog hem daarop had gewezen. Om die reden ging de praktijk over tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst en verwees klager terug naar de huisarts. Klager is van mening dat de gz-psycholoog geen dringende reden had voor de opzegging en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de voortgang van de behandeling. Verder klaagt hij over schending van de geheimhoudingsplicht doordat de gz-psycholoog zonder goede grond informatie over klager met collega’s en met de office-manager heeft gedeeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:199 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2680

    Klacht tegen een neuroloog. Klaagster had een zwelling in de hals waarvoor de huisarts haar heeft doorverwezen naar een ziekenhuis. Klaagster is daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met een verdenking van een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster op haar verzoek voor een second opinion naar een ander ziekenhuis verwezen. Daar is de situatie van patiënte in een werkgroep besproken en is geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. De neuroloog was als lid van deze werkgroep bij dit overleg betrokken. De neuroloog heeft de bevindingen van de werkgroep telefonisch met klaagster besproken en de verwijzend neuroloog van het eerste ziekenhuis schriftelijk op de hoogte gebracht. Klaagster is vervolgens voor verdere behandeling terugverwezen naar het eerste ziekenhuis. Klaagster verwijt de neuroloog dat zij a) haar – tegen haar uitdrukkelijke wens in – heeft terugverwezen naar het eerste ziekenhuis en dat het tweede ziekenhuis haar niet als patiënt heeft overgenomen en b) dat zij bij de terugverwijzing geen advies heeft gegeven over het risicoprofiel of hoe deze tumor klinisch-radiologisch te vervolgen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:205 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2763

    De psychotherapeut was de regiebehandelaar van klager bij een GGZ-praktijk. Klagers eigen behandelaar kreeg een andere functie en stopte haar werkzaamheden bij de praktijk. Klager bleef contact met haar zoeken, ook nadat de voormalig behandelaar zei dat ze dat niet wilde en ook de psychotherapeut hem daarop had gewezen. Om die reden ging de praktijk over tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst en verwees klager terug naar de huisarts. Klager is van mening dat de psychotherapeut geen dringende reden had voor de opzegging en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de voortgang van de behandeling. Verder klaagt hij over schending van de geheimhoudingsplicht doordat de psychotherapeut zonder goede grond informatie over klager met collega’s en met de office-manager heeft gedeeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:206 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2830

    Ongegronde klacht tegen een tandarts. Klager is ontevreden over de behandeling door de tandarts. Klager verwijt de tandarts dat hij twee niet goed passende protheses heeft, dat hij (de tandarts) een behandeling met implantaten probeerde af te dwingen en dat hij zich in maart 2023 verbaal en fysiek intimiderend heeft gedragen ten opzichte van klager. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:200 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2708

    Klacht tegen een klinisch psycholoog (en psychotherapeut). Klaagster is in behandeling gekomen op een polikliniek voor depressies. De klinisch psycholoog was haar regiebehandelaar. Klaagster kan zich niet vinden in de manier waarop hij de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld. Ook vindt zij dat de klinisch psycholoog de behandeling op onzorgvuldige wijze heeft beëindigd en, tot slot, dat hij haar op onzorgvuldige wijze heeft doorverwezen voor schematherapie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep verwerpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:207 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2831

    Ongegronde klacht tegen een tandarts. Klager is ontevreden over de behandeling door de tandarts. Klager verwijt de tandarts dat hij twee niet goed passende protheses heeft, dat hij (de tandarts) een behandeling met implantaten probeerde af te dwingen en dat hij zich in maart 2023 verbaal en fysiek intimiderend heeft gedragen ten opzichte van klager. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:195 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024.2644

    Klager is strafrechtelijk vervolgd voor (samengevat) het maken en bezit van kinderporno. In dat kader is hij pro justitia psychologisch onderzocht door de gz-psycholoog. Klager vindt dat de gz-psycholoog het onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en dat de conclusies die hij heeft getrokken en de diagnoses die hij heeft gesteld onvoldoende steun vinden in de resultaten van het onderzoek. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en de gz-psycholoog de bevoegdheid ontzegt om deskundigenrapportages op te stellen. De gz-psycholoog is het niet eens met dit oordeel en komt hiertegen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege vernietigd voor een deel de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en legt aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:201 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2709

    Klacht tegen een psychotherapeut (en klinisch psycholoog). Klaagster is in behandeling gekomen op een polikliniek voor depressies. De psychotherapeut was haar regiebehandelaar. Klaagster kan zich niet vinden in de manier waarop hij de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld. Ook vindt zij dat de psychotherapeut de behandeling op onzorgvuldige wijze heeft beëindigd en, tot slot, dat hij haar op onzorgvuldige wijze heeft doorverwezen voor schematherapie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep verwerpen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:281 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8490

    Kennelijk ongegronde klacht tegen oogarts, die supervisor was van een AIOS in het vierde jaar van zijn opleiding tot oogarts en bij de behandeling niet betrokken is geweest. De AIOS was bevoegd en bekwaam om het consult met klager zelfstandig te doen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:282 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8752

    Kennelijk ongegronde klacht tegen AIOS oogheelkunde in het vierde jaar van zijn opleiding. Geen aanwijzing dat er iets anders aan de hand was dan de geconstateerde beschadiging van het hoornvlies. Onderzoek was zorgvuldig en adequaat.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:283 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8203

    Deels gegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster verwijt de psychiater in de kern dat de behandeling kwalitatief onvoldoende was, dat hij haar aan haar lot heeft overgelaten en de ernst van haar klachten heeft onderschat. De psychiater stelt dat op sommige punten ruimte voor enige verbetering was, maar dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Het college overweegt dat klaagster zowel arts als patiënt was en dat die dubbele rol ingewikkeld kan zijn. Ook bij gezamenlijke besluitvorming had de psychiater zich er bewust van moeten zijn dat de ziekte van klaagster haar beoordelingsvermogen kon beïnvloeden. Dat betekent dat de psychiater er niet zonder meer en niet gedurende een lange periode vanuit kon gaan dat het goed met klaagster ging, zonder haar te zien. Ook in verband met de voorgeschreven medicatie was het nodig om klaagster regelmatig te zien. Klachtonderdelen a en b zijn gegrond. Dat de psychiater vanwege ontstane klachten na het gebruik van medicatie aan een neurologische oorzaak voor de klachten had moeten denken en klaagster eerder dan eind 2020 had moeten verwijzen, kan het college niet vaststellen. Klachtonderdeel c is ongegrond. Klachtonderdeel d, gebrek aan professionaliteit, is deels gegrond voor zoverre het verwijt is dat er te weinig regie en sturing vanuit de psychiater was en dat de psychiater niets heeft gedaan met noodkreten van familie en vrienden van klaagster. Volgt een berisping.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:284 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8226

    Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht tegen een psychiater. Klaagster verwijt de psychiater dat hij een rol heeft gespeeld in het faciliteren van labonderzoeken voor zijn broer tevens ex-echtgenoot, die de testresultaten vervolgens gebruikte in een familierechtelijke procedure. Omdat de resultaten onbruikbaar bleken, liep de procedure vertraging op. Dat zorgde voor stress bij klaagster en haar kinderen. Het college oordeelt dat klaagster niet als rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet BIG kan worden aangemerkt.