Zoekresultaten 951-1000 van de 47613 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:54 Hof van Discipline 's Gravenhage 250416

    Klager heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Raad van Discipline waarbij het verzet van klager tegen een voorzittersbeslissing ongegrond is verklaard. De door klager aangevoerde gronden zien uitsluitend op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals schending van hoor en wederhoor. Dergelijke klachten leveren naar vaste jurisprudentie geen grond op voor doorbreking van het appelverbod. Klager kan dan ook niet in hoger beroep worden ontvangen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:21 Raad van Discipline Amsterdam 25-526/A/NH

    Raadsbeslissing. Klacht over een advocaat in een strafzaak. De raad kan op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring echter niet vaststellen dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot van verweerder aan verweerder. De raad begrijpt dat klaagster dat wel zo heeft ervaren en dat zij er een probleem mee heeft dat de kantoorgenoot van verweerder behalve haar ook twee medeverdachten bijstand heeft verleend op het politiebureau, maar van concrete aanwijzingen dat informatie in het strafdossier terecht is gekomen door het delen daarvan door de kantoorgenoot met verweerder is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:28 Raad van Discipline Amsterdam 25-880/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak gedeeltelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk op grond van het ne bis in idem beginsel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:55 Hof van Discipline 's Gravenhage 240295

    Ongegrond verzet tegen voorzittersbeslissing om een klacht tegen de deken niet te verwijzen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:22 Raad van Discipline Amsterdam 25-527/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Van onnodig grievende uitlatingen is geen sprake. De woordkeuze van verweerder past in de context van het geschil tussen partijen en is een reactie op standpunten die door en/of namens klaagster 2 zijn ingenomen over de cliënten van verweerder. Daarbij worden in processtukken en correspondentie over en weer stevige bewoordingen gebruikt en beschuldigingen geuit. Ook geen sprake van mededelingen over onderhandelingen. Aan de rechter mag worden meegedeeld dat schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd zolang maar niets over de inhoud daarvan wordt gezegd. Klager 1 en verweerder hebben door hun opstelling ten opzichte van elkaar de toon gezet voor hun onderlinge verhoudingen en daarmee ook voor het geschil tussen hun cliënten. Geen van tweeën lijkt in staat te zijn daaroverheen te stappen. Klacht is in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:46 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-700/AL/OV/D

    Dekenbezwaar. Schrapping. Bezwaar tegen een afhechtingsadvocaat. De raad heeft vastgesteld dat verweerder in een zeer groot aantal zaken en gedurende een lange periode ernstig tekort is geschoten in zijn bijstand en daarbij heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit. Verweerder heeft ten opzichte van zijn cliënten niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en hierdoor kan zeker niet worden uitgesloten dat zij in hun belangen zijn geschaad. De raad rekent dit verweerder zwaar aan. De aard en de ernst van deze feiten rechtvaardigen zonder meer een zeer zware maatregel. Bij de oplegging van de maatregel acht de raad van belang dat (tijdens het onderzoek van de deken en op de zitting van de raad) niet is gebleken dat verweerder beseft dat hij onbetamelijk heeft gehandeld. Verweerder toont geen inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en hij kiest bewust voor een manier van handelen dat haaks staat op de voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving. Dit beeld van verweerder wordt nog versterkt door het signaal van de rechtbank. Verweerder heeft zijn onjuiste werkwijze in dit soort zaken - waaruit zijn praktijk geheel of in hoofdzaak bestaat - naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek en het dekenbezwaar niet aangepast en ook uit de opstelling van verweerder op de zitting van de raad leidt de raad af dat verweerder deze werkwijze niet wenst te veranderen. 6.4 Op grond van de ernst van de verwijten en het feit dat verweerder ter zitting geen, althans onvoldoende, inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen, is de raad van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat in de toekomst nog uitoefent. Daarom wordt de maatregel van schrapping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:29 Raad van Discipline Amsterdam 25-877/A/A 25-879/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaten van de wederpartij. Het toezicht op de naleving van de Wwft en de Voda wordt uitgeoefend door de deken. Aan klagers komt geen klachtrecht toe over schending van deze wet- en regelgeving. Klacht in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond. Niet gebleken van misbruik executierecht. Het inhoudelijke debat over de hoogte van de vordering en wie wel of niet gelijk heeft kan in deze tuchtrechtelijke procedure niet aan de orde komen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:23 Raad van Discipline Amsterdam 25-528/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klagers 2 tot en met 8 rechtstreeks aan te schrijven, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen weten dat klagers 2 tot en met 8 werden bijgestaan door een advocaat, klager 1, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Verweerder heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als ter zitting erkend dat hij de brief achteraf gezien eerst alleen aan klager 1 had moeten sturen om op dit punt navraag te doen. Verder weegt de raad mee dat beide partijen in hun geschillen over en weer stevige bewoordingen gebruiken en beschuldigingen uiten die de onderlinge verhoudingen alleen maar meer op scherp zetten. De beide advocaten, klager 1 en verweerder, lijken daarbij niet in staat om een professionelere en zakelijkere toon aan te slaan. Wanneer de een ervoor kiest om ferme taal te gebruiken, kan het de ander tuchtrechtelijk niet worden verweten wanneer hij dezelfde keuze maakt. De aard en ernst van de verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. Gegrond zonder maatregel.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:47 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-448/AL/GLD

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:36 Raad van Discipline Amsterdam 25-512/A/A

    Verzet ongegrond. Geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en de voorzitter heeft ook rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken. De omstandigheid dat klager het met deze beoordeling niet eens is, betekent niet dat de beslissing van de voorzitter onjuist is.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:24 Raad van Discipline Amsterdam 25-901/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding van drie jaar.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:37 Raad van Discipline Amsterdam 25-628/A/NH

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. De raad stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat verweerster in diverse processtukken heeft vermeld dat klager WhatsAppgesprekken tussen hem en zijn ex-partner heeft vervalst, maar de raad kan niet vaststellen dat sprake is van onterechte beschuldigingen en dus van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. Verder kan het verweerster niet worden verweten dat haar cliënte had besloten om zich niet aan de zorgregeling te willen houden. Daarnaast kan uit de e-mail van verweerster niet worden afgeleid dat zij onvoldoende professionele distantie ten opzichte van haar cliënte en de zaak heeft gehouden. Tot slot is het onhandig van verweerster dat de tekst van haar e-mails niet overeenkomt maar niet klachtwaardig. Van een doelbewuste actie van verweerster om de tekst van de betreffende e-mails aan te passen of om haar cliënte daarmee te helpen is de raad niet gebleken. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:51 Hof van Discipline 's Gravenhage 250373

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd die resteerde tot het einde van de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek waarvoor om een advocaat is gevraagd te kort was. Daarnaast is het volgens de deken aan de opstelling van klagers te danken dat hun vorige advocaat zich heeft onttrokken. Het hof heeft het beklag ongegrond verklaard, de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek is inmiddels (ruimschoots) verstreken. Klagers hebben geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek. De door klagers in het beklag genoemde inhoudelijke gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:25 Raad van Discipline Amsterdam 25-900/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk ongegrond voor zover deze gaat over het verwijt dat verweerder vertrouwelijk informatie over klager heeft gebruikt. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat deze informatie relevant was voor de vorderingen van zijn cliënte. Dat verweerder met het opnemen van deze informatie (waarvan afgevraagd moet worden waarom klager deze als vertrouwelijk bestempelt), de belangen van klager op nodeloze en ontoelaatbare wijze heeft geschaad is niet gebleken. De klacht is overigens kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:38 Raad van Discipline Amsterdam 25-643/A/NH

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. De raad kan niet vaststellen dat verweerder de opdracht van klager niet naar behoren heeft uitgevoerd. Verweerder behartigde de belangen van klager en het was juist in het belang van klager om er eerst duidelijkheid over te krijgen of zijn appartement al rechtsgeldig was verkocht aan de koper. Klager zou immers in de problemen komen als hij zijn appartement al rechtsgeldig had verkocht en hij het dan nogmaals aan een derde zou verkopen. Tot slot is uit de overgelegde facturen en urenspecificaties niet gebleken dat klager dubbel heeft betaald, noch dat sprake is van een wanverhouding tussen de door verweerder verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 250361

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan de afwijzende beslissing is ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de deken terecht heeft opgemerkt dat de verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist en dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. V. daarom geen redelijke kans van slagen heeft.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:26 Raad van Discipline Amsterdam 25-899/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Van het bewust verschaffen van onjuiste informatie of van grievende uitlatingen is geen sprake.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:53 Hof van Discipline 's Gravenhage 250336

    Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.Verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij de klacht niet is verwezen ongegrond. De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen. Het hof sluit zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:20 Raad van Discipline Amsterdam 25-436/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familiekwestie. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail met daarin een voorstel tot beëindiging van de procedure zonder toestemming van de advocaat van klager aan de rechtbank over te leggen, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad kan volgen waarom verweerder dat heeft gedaan en waarom hij de inhoud van de e-mail verkeerd heeft ingeschat. De aard en ernst van de beperkte verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. Gegrond zonder maatregel.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:27 Raad van Discipline Amsterdam 25-897/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak (ontbinding van een samenlevingsovereenkomst). Van het bewust vertragen of laten escaleren van het geschil is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:4 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-18

    Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Vormerkung. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Wegens risico van benadeling van schuldeisers stelt de notaris nadere eisen aan taxatierapporten, waarna de eerder overeengekomen koopprijs van een pand wordt verhoogd. Nadat in kort geding vervolgens afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. vervallen van Vormerkung en negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht verder ongegrond. I.v.m. het grote verschil in getaxeerde waarden heeft de notaris juist zorgvuldig gehandeld door aanvullende vragen te stellen over de reële waarde van het pand. Niet gebleken dat na het kort geding andere afspraken zijn gemaakt dan in het proces-verbaal van die zitting zijn vastgelegd: de notaris heeft deze op de juiste wijze uitgevoerd. Wijze van declareren is gezien omvang en complexiteit van de werkzaamheden niet buitensporig en/of onbehoorlijk. Van een notaris kan niet worden verlangd dat deze tijdens de looptijd van een dossier regelmatig onderzoek doet in de openbare registers als daarvoor geen aanleiding is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H

    Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 250074D 250075

    Klacht advocaat tegen advocaat wederpartij. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 250007 250008 250009 250010

    Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast: schorsing 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Schending kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:3 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-41

    Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Nadat in kort geding afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht m.b.t. onjuiste verdeling van de verkoopopbrengst ongegrond.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2025:23 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/8

    Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij de hond van klaagster op een lakse wijze heeft behandeld en daardoor het leven van de hond in gevaar heeft gebracht. Het college is er niet van overtuigd geraakt dat de dierenarts veterinair is tekortgeschoten wat betreft het door haar bij de hond verrichte onderzoek en de door haar ingezette behandeling van de hond. Klacht ongegrond, ook wat betreft het verwijt dat de dierenarts klaagster onhebbelijk zou hebben bejegend. [Klacht ongegrond]

  • ECLI:NL:TDIVTC:2025:24 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/33

    Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten de vaccinatie van dieren tegen Q-koorts in strijd met de geldende voorschriften te hebben uitgevoerd en van de vaccinatie een incorrecte en onvolledige administratie te hebben bijgehouden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht de dierenarts een onvoorwaardelijke boete van € 5.000 op te leggen. Het college acht zowel het klachtonderdeel over het niet binnen twaalf maanden vaccineren door de dierenarts van de geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder als het klachtonderdeel over het bijhouden van een incorrecte en onvolledige administratie door de dierenarts van deze dieren gegrond. Volgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 en een voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van twee jaar. [Klacht gegrond met geldboete]

  • ECLI:NL:TNORARL:2026:1 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/449857 / KL RK 25-52

    Klacht deels gegrond. De oud-notaris heeft niet vastgelegd welke onderzoekshandelingen zij in haar dossiers heeft verricht, om vast te stellen of zij haar ministerie al dan niet moest weigeren. De kamer neemt dit haar kwalijk en stelt dat de dossiervoering van de notaris onvoldoende was en in strijd met de notariële zorgplicht. Nu de oud-notaris is gedefungeerd per 1 januari 2025, zij gedurende haar volledige loopbaan nooit in aanraking is gekomen met het tuchtrecht en niet door één van haar cliënten in de onderzochte dossiers is geklaagd noch door één van hen enige onvrede is geuit over de handelwijze van de oud-notaris in de dossiers legt de kamer geen maatregel aan haar op.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:44 Hof van Discipline 's Gravenhage 260023

    Het hof verwijst een klacht tegen de deken niet. De klacht ziet op een administratieve omissie die door de deken, nadat hij daarmee bekend is geworden, terstond is hersteld. Daarmee is naar het oordeel van de voorzitter sprake van een bagatelklacht. Door het handhaven van deze klacht, gebruikt klager het klachtrecht tegen de deken voor een ander doel (ventileren van persoonlijk ongenoegen) dan waarvoor het is bedoeld (waarborging van de kwaliteit van de beroepsgroep). De voorzitter zal de klacht daarom niet verwijzen.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2025:25 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/15

    Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten antibiotica in de vorm van ‘droogzetters’ aan een rundveehouder te hebben afgeleverd, ondanks dat hij had moeten en kunnen weten dat de rundveehouder zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief daarmee droogzette, zodat niet aan de voor het afleveren en inzetten van antibiotica geldende voorwaarden was voldaan. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht de dierenarts voorwaardelijk te schorsen voor de duur van drie maanden. Voor het college is onvoldoende gedocumenteerd gebleken en daardoor niet behoorlijk vast te stellen of de dierenarts kan worden verweten dat hij in 2022 is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht om het gebruik van droogzet-injectoren door de rundveehouder te evalueren, zodanig dat dit tot tuchtrechtelijke consequenties zou moeten leiden met betrekking tot de aantallen droogzet-injectoren die er gedurende dat jaar aan de veehouder zijn afgeleverd. [Klacht ongegrond].

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:45 Hof van Discipline 's Gravenhage 230012

    Herstelbeslissing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8131

    Klacht tegen een psychiater. Klager is op vijftienjarige leeftijd na een crisissituatie in behandeling gekomen bij een instelling voor jeugd-ggz. Gedurende de behandeling van klager is de psychiater als regiebehandelaar betrokken geraakt. Klager verwijt de psychiater onder meer het niet tijdig voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd verwijzen van klager naar een ggz-instelling voor volwassenen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt aan verweerder een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:35 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2946 Voorzittersbeslissing

    Voorzittersbeslissing in een klacht tegen een gz-psycholoog. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht omdat niet duidelijk is geworden wie de aangeklaagde persoon is en of de persoon waarover geklaagd wordt BIG-geregistreerd is. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het klaagschrift en voldoende informatie bevat om de gegevens van de GZ-psycholoog op te vragen. De zaak is terugverwezen naar het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8210

    Klacht tegen huisarts. Verweerster is huisarts van de ex-partner en het dochtertje van klager. De klacht heeft onder meer betrekking op een door de huisarts aan de ex-partner afgegeven schriftelijke verklaring waarin gesproken wordt over angst- en paniekklachten bij de ex-partner in verband met agressie/geweld in een eerdere relatie. Het college verklaart de klacht deels gegrond en bepaalt dat aan verweerster geen maatregel wordt opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8262

    Kennelijk ongegronde klacht tegen arts, die als medisch adviseur op verzoek van de verzekeraar van de wederpartij van klaagster een medisch advies heeft uitgebracht. Zowel inhoudelijk als voor wat betreft de wijze van totstandkoming voldoet het advies aan de daarvoor geldende eisen. Contact met klaagster was niet nodig, inzage- en blokkeringsrecht zijn niet van toepassing.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8413

    Kennelijk ongegronde klacht tegen anesthesioloog. Anesthesiemedewerker verwijt de anesthesioloog – onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste aanrakingen. Privérelatie. Niet-ontvankelijkheidsverweer. Rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Opleidingstraject. Hiërarchische en/of functionele ongelijkwaardigheid. Door de aard en mate waarin privécontact plaatsvindt, kan de kwaliteit van de gezondheidszorg in gevaar komen. Klaagster is ontvankelijk. Klacht is kennelijk ongegrond. De verweten gedragingen kunnen niet worden vastgesteld.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8184

    Arts in opleiding tot verzekeringsarts (AIOS) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd in het kader van de WIA en daarvan een rapportage opgemaakt. Haar praktijkbegeleider was bij het onderzoek aanwezig en haar mentor heeft het rapport medeondertekend. Klaagster beklaagt zich over de inhoud van het rapport. Hoewel de woordkeuze op onderdelen anders en neutraler had gekund, is de arts niet buiten haar bevoegdheid getreden. Dat het rapport niet alles benoemt wat klaagster heeft gezegd, maakt het rapport niet onjuist of onvolledig. Dat klaagster het met bepaalde informatie niet eens is, maak deze informatie ook niet onjuist. Hoewel het college zich kan voorstellen dat klaagster bepaalde passages in het rapport als onaangenaam en zelfs kwetsend heeft ervaren, heeft de arts met haar woordkeuze geen tuchtrechtelijke grenzen overschreden en is van een onheuse bejegening van klaagster door de arts geen sprake. De - neutrale en objectieve - constatering in het rapport dat nog behandeling mogelijk is, is niet tegenstrijdig met de formulering ‘medisch niet kansrijk’ in een ander rapport. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:30 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2941

    Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klager is vanaf juli 2019 tot medio januari 2020 onvrijwillig opgenomen geweest in een verpleeghuis, op een gesloten afdeling voor mensen met dementie in een verpleeghuis. De specialist ouderengeneeskunde was betrokken in haar rol van BOPZ-arts. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde onder meer dat het te lang duurde voordat hij een second opinion kreeg en dat zij hem veel eerder uit het verpleeghuis had moeten ontslaan. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8360

    Ongegronde klacht tegen oogarts. Patiënt, klager, verwijt verweerster onbekwaam en onbevoegd een oog-laserbehandeling te hebben uitgevoerd. Volgens klager heeft verweerster zijn linkeroog blind gemaakt en klager in de val gelokt. Ook zou verweerster zich niet professioneel maar theatraal hebben gedragen. Verweerster heeft het college verzocht om klager (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de klacht (kennelijk) ongegrond af te wijzen. College: kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8271

    Arts in opleiding tot verzekeringsarts (AIOS) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd in het kader van de WIA en daarvan een rapportage opgemaakt. Klaagster is het niet eens met het rapport en klaagt daarover niet alleen tegen de arts, maar ook tegen de verzekeringsgeneeskundige, die zij als medeondertekenaar van het rapport eindverantwoordelijk houdt. Met enkele kanttekeningen bij de beoordeling door de verzekeringsarts van het rapport in het kader van de begeleiding, acht het college de klacht tegen de verzekeringsarts ongegrond, omdat het rapport uiteindelijk de toets der kritiek kan doorstaan.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:31 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2740

    Klacht tegen een arts, in hoedanigheid van medisch adviseur. De arts is gepensioneerd internist. Hij heeft in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster een medisch advies uitgebracht over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling van een neurochirurg, die bij klaagster een operatie aan de nek/hals had uitgevoerd vanwege een vernauwing van een nekwervel. Klaagster had na deze operatie een algehele verlamming van de ledematen opgelopen. Klaagster heeft vier klachten geuit over de medisch adviseur. Een van de klachten luidt dat de medisch adviseur in strijd met de GBL heeft gehandeld door als niet praktiserend internist een oordeel te geven over het handelen van de neurochirurg die de operatie bij klaagster heeft verricht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster deels niet-ontvankelijk, omdat klaagster niet voor alle klachtonderdelen beroepsgronden formuleert. Het beroep ten aanzien van de totstandkoming van het medisch advies verklaart het Centraal Tuchtcollege gegrond. Het medisch advies is niet zorgvuldig tot stand gekomen. Aan de arts wordt geen maatregel opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8283

    Ongegronde klacht tegen oogarts. Patiënt, klager, verwijt verweerder dat hij opzettelijk een valse en angstaanjagende diagnose glaucoom heeft gesteld. Later besprak verweerder deze diagnose niet meer met klager en vormde deze diagnose een aanzet voor de uitvoering van een plan om klager blind te laten worden zodat een curator het vermogen van klager kon plunderen, aldus klager. Verweerder heeft volgens klager ook een diagnose gemist en geen contact opgenomen met een oogarts in een oogkliniek. Verweerder heeft het college verzocht om de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren. College: kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:32 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2752

    Klacht tegen een chirurg, over een besnijdenis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard voor zover die ziet op het ontbreken van een informed consent. Ter zake daarvan is aan de chirurg de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. De chirurg heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld; zijn beroep strekt ertoe dat het in eerste aanleg gegrond verklaarde klachtonderdeel in beroep alsnog ongegrond wordt verklaard. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van de arts.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:26 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2757

    Klacht tegen een psychiater. Klaagster werd al langere tijd behandeld wegens psychiatrische problematiek. Zij is in april 2021 in behandeling gekomen bij een FACT-team. De psychiater is gedurende een aantal maanden de regiebehandelaar van klaagster geweest. Klaagster verwijt de psychiater dat hij haar niet heeft verwezen naar een andere instelling en dat hij ervoor heeft gezorgd dat er vertraging in haar behandeling is ontstaan. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart het klachtonderdeel over vertraging in de behandeling gegrond en legt de psychiater een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn, zodat de maatregel van berisping komt te vervallen.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7756

    Klager dient via zijn partner een klacht in tegen een arts werkzaam onder supervisie van een bedrijfsarts over diens homofobe bejegening en handelwijze tijdens het ziekteverzuim. Klacht ongegrond. Uit niets blijkt van een homofobe bejegening en door de taalbarrière kon verweerder klager niet volledig beoordelen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:33 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2852

    Klacht tegen een huisarts. Klaagster is moeder van twee kinderen. Klaagster en de vader van de kinderen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De huisarts van de vader (verweerster) heeft schriftelijke informatie verstrekt die door de vader in de echtscheidingsprocedure is ingediend. Ook heeft de huisarts in het kader van een raadsonderzoek informatie verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming. Klaagster verwijt de huisarts dat zij: a) haar beroepsgeheim op meerdere vlakken heeft geschonden door het verstrekken van informatie over klaagster; b) de vader en zijn broer heeft aangezet tot het doen van een valse anonieme melding bij Veilig Thuis; c) zich onprofessioneel heeft uitgelaten in haar rapportages door haar eigen emoties en gedragingen te benoemen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen a) en c) gegrond, klachtonderdeel b) ongegrond en legt de huisarts de maatregel op van berisping. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de huisarts, dat uitsluitend ziet op de zwaarte van de opgelegde maatregel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:27 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2811

    Gegrond verzet. Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. De moeder van klaagster is in 2020 overleden. Klaagster klaagt over de wijze waarop de specialist ouderengeneeskunde haar moeder heeft behandeld. Daarnaast klaagt zij erover dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de zorg aan haar moeder en dat zij onheus is bejegend. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster deels niet-ontvankelijk, omdat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het uitgangspunt dat klaagster met haar klachten de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt niet geldt. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep van klaagster af. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de behandeling van het verzet tot het oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of klaagster met haar klacht over de behandeling van haar moeder de wil van haar moeder vertegenwoordigt het noodzakelijk is om beide partijen hierover te horen. Dit betekent dat de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege niet zonder partijen te horen tot het oordeel kon komen dat het beroep van klaagster niet zal leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het verzet is gegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8139

    Klacht tegen bedrijfsarts over de 26-weken rapportage waarin deze onjuist vermeldt dat een (telefonisch) consult heeft plaatsgevonden en, zonder informatie over een operatie die heeft plaatsgevonden, rapporteert dat herstel binnen 26 weken niet mogelijk is. Het college overweegt dat de 26-weken-verklaring voor de werknemer een zwaarwegend document is, nu deze in een UWV-procedure over beëindiging van het dienstverband betekenis kan hebben. De bedrijfsarts heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te vermelden dat het consult niet heeft plaatsgevonden en door niet naar de actuele situatie na de operatie te informeren, waarmee zijn advies onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar is. Volgt de maatregel van berisping.