ECLI:NL:TADRAMS:2025:27 Raad van Discipline Amsterdam 24-926/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2025:27
Datum uitspraak: 03-02-2025
Datum publicatie: 13-02-2025
Zaaknummer(s): 24-926/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Dat verweerster gebruik heeft gemaakt van ongeoorloofde middelen of dat zij de grenzen van de aan haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid op enige andere wijze heeft overschreden, wordt niet gevolgd.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 3 februari 2025 in de zaak 24-926/A/A
naar aanleiding van de klacht van:


klager

over:

verweerster


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 december 2024 met kenmerk 2343993/JS/FS, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de op 2 januari 2025 door klager nagezonden stukken.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Sinds 2013 verhuurt klager een appartement te Amsterdam aan de heer K (hierna: K).
1.2 Het appartement maakt onderdeel uit van een appartementencomplex met een vereniging voor eigenaren (hierna: de VvE).
1.3 Mevrouw E is de voorzitter van de VvE.
1.4 Tussen klager en K is een geschil ontstaan over de huur van het appartement. Verweerster staat K in dit huurgeschil bij.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster klachtwaardig te hebben gehandeld door in de gerechtelijke procedure die verweerster heeft geïnitieerd namens haar cliënt K een bouwkundig rapport in te brengen dat in opdracht en voor rekening van klager is opgesteld, terwijl dit rapport niet met verweerster was gedeeld. Verweerster heeft niet gereageerd op schriftelijke vragen van klager hoe dit rapport bij haar terecht is gekomen.

3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
4.1 Het algemene uitgangspunt is dat advocaten veel vrijheid hebben om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Partijdigheid is niet zonder reden een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Toch is die vrijheid niet onbeperkt. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie geven. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen. Wel moeten zij zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot noemenswaardig voordeel van hun cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. Advocaten dienen verder de belangen van hun cliënt te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat hun cliënt hen verschaft. In het algemeen mogen zij afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen zijn zij gehouden de juistheid daarvan te verifiëren.
4.2 Op grond van het feitenrelaas is aannemelijk geworden dat het rapport op 29 maart 2022 in een procedure tussen klager en de VvE door de gemachtigde van klager is ingebracht. Hierna heeft K het rapport bij e-mailbericht van 1 juli 2022 aan zijn advocate, verweerster, verstrekt. Verweerster heeft het rapport dus van haar cliënt ontvangen, waarna zij het op 3 februari 2023 in de procedure tussen K en klager heeft ingebracht.
4.3 Over de wijze waarop K het rapport zou hebben verkregen, heeft mevrouw E in haar e-mailbericht van 1 juli 2024 aan klager geschreven dat dit via haar is verlopen, zoals ook verweerster heeft aangevoerd. Dat dit niet klopt of dat verweerster het rapport op enige andere -ontoelaatbare- wijze in haar bezit zou hebben verkregen, zoals klager met zijn verwijt richting verweerster lijkt te suggereren, heeft klager op geen enkele manier onderbouwd en blijkt ook nergens uit. Dat de advocaat van klager het rapport aan verweerster weigerde te verstrekken toen verweerster dit op 22 december 2021 aan hem vroeg, maakt niet dat verweerster in dit opzicht enig verwijt treft. Immers, het rapport was eerst al via (de gemachtigde van) klager in een procedure ingebracht, waarna het vervolgens (via mevrouw E) door de cliënt van verweerster aan verweerster is verstrekt.
4.4 Dat verweerster gebruik heeft gemaakt van ongeoorloofde middelen of dat zij de grenzen van de aan haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid op enige andere wijze heeft overschreden, wordt tegen deze achtergrond niet gevolgd. De voorzitter concludeert op grond van het voorgaande dat de klacht kennelijk ongegrond is. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat de onderhavige klacht samen met de eerdere klacht was ingediend, heeft de voorzitter – mede omdat verweerster zelf daarin heeft berust en de klacht toch op het bovenstaande afstuit – geen aanleiding gezien deze gang van zaken in de beoordeling te betrekken.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 3 februari 2025