ECLI:NL:TGZRZWO:2025:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7515
ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:20 |
---|---|
Datum uitspraak: | 14-02-2025 |
Datum publicatie: | 17-02-2025 |
Zaaknummer(s): | Z2024/7515 |
Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
Beslissingen: | Gegrond, berisping |
Inhoudsindicatie: | Klacht van nabestaande echtgenoot tegen physician assistant ontvankelijk en gegrond. Maatregel: berisping. De physician assistant heeft een leverpunctie uitgevoerd bij een trombocytenwaarde van 25. Wettelijk kader taakherschikking en taakdelegatie. De physician was niet zelfstandig bevoegd tot het uitvoeren van de leverpunctie. De physician assistant had zowel bij taakherschikking als bij taakdelegatie het uitvoeren van de leverpuntie bij patiënt moeten weigeren. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 14 februari 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
D,
physician assistant,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de physician assistant,
gemachtigde: J.
1. De zaak in het kort
1.1 Klacht tegen een physician assistant. Patiënte was bekend met longembolieën en een uitgebreide gemetastaseerde ziekte. Om haar zo goed mogelijk te kunnen behandelen was het verrichten van aanvullende diagnostiek naar de herkomst van de tumor aangewezen. De physician assistant voerde een echogeleide leverpunctie bij patiënte uit, terwijl hij op dat moment wist dat patiënte een trombocytenwaarde van 25 had. Kort na de leverpunctie ontwikkelde patiënte tekenen van shock door een bloeding vanuit de lever en overleed zij. Klager klaagt namens zijn overleden echtgenote en verwijt de physician assistant dat hij de leverpunctie onder de gegeven omstandigheden uitvoerde, terwijl hij dit had moeten weigeren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is en dat de klacht
gegrond is en legt de physician assistant de maatregel van een berisping op. Hierna
licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 7 juni 2024;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 24 juli 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 september 2024;
- de aanvullende bijlage, ontvangen op 11 november 2024;
- het proces-verbaal van het op 11 november 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de aanvullende bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op
12 december 2024.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 december 2024. Klager is verschenen. De physician assistant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van de physician assistant heeft een pleitnotitie voorgelezen en overhandigd.
2.3 De zaak is gelijktijdig, niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen een radioloog. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer Z2024/7269. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.4 Door de physician assistant zijn drie vooraf aangekondigde getuigen naar de zitting meegebracht: K en L, beide laborant en M, AIOS (arts in opleiding tot specialist). Elke getuige is afzonderlijk en onder ede gehoord.
3. De feiten
3.1 Klager klaagt namens zijn overleden echtgenote F, geboren in 1960
(hierna: patiënte).
3.2 Verweerder is physician assistant op de afdeling radiologie in G.
3.3 Op 4 april 2024 werd patiënte door de huisarts verwezen naar de Spoedeisende HulpSEH) van het ziekenhuis, vanwege een verdenking van een longembolie. Op basis van de CT-angiografie van de longen waren er meerdere longembolieën beiderzijds zichtbaar. Als nevenbevinding werd een verdenking van metastasen in de lever gezien en waren er pathologische fracturen zichtbaar van Th8, sternum en meerdere ribben, die veroorzaakt zouden kunnen zijn door metastasen. In overleg met de longarts werd gestart met een antistollingsmedicijn en werd patiënte naar de internist-oncoloog in het ziekenhuis verwezen voor verdere diagnostiek en behandeling.
3.4 Patiënte bezocht op 15 april 2024 de polikliniek van internist-oncoloog H.
Tijdens dit consult werd het belang van het verrichten van aanvullende diagnostiek uitgelegd. Aanvullende diagnostiek was nodig om de primaire tumor en de behandelopties te kunnen bepalen.
3.5 Op 16 april 2024 vond er een telefonisch consult plaats met patiënte en internist-oncoloog H, in het bijzijn van klager. De uitslag van het bloedonderzoek werd besproken en hieruit bleek dat het beeld paste bij een agressieve tumor. In het medisch dossier noteerde internist-oncoloog H het volgende (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Patient gebeld over bovenstaande in bijzijn van ega, obv lab toch beeld agressieve
tumor. Gezien noodzaak antistolling voorstel morgen aanvullend lab met opname 5 W,
indien verder dalen trombocyten dan switch fragmin en optransfunderen vgls NI richtlijn.
Morgen poging opnieuw tot vervroegen CT klinisch naar woensdag ipv donderdag ( heden
niet gelukt), dan afh van beeld evt vrijdag punctie mogelijk om snel een behandeling
te kunnen starten. Patiente akkoord voorstel.
Beleid
morgen opname 5 W
morgenvroeg tno geen DOAC, beleid afh van lab
morgen lab herhalen met ook coombs en fragmentocyten@
indien T < 30, switch naar fragmin therapeutisch en op transfunderen tot T> 30
ter overweging start 1dd4mg dexamethason morgen
CT vervroegen morgen klinisch ipv donderdag@
PM punctie voor PA vrijdag , afh van lab en CT, waar veilige punctie ???”
3.6 Op 17 april 2024 werd patiënte opgenomen op de afdeling interne geneeskunde
in het ziekenhuis. Beeldvormend onderzoek (CT Thorax Abdomen en CT Bekken) toonde
grillige aankleurende weke delen in de linkermamma welke verdacht waren voor een primair
mammacarcinoom en uitgebreide metastasen in de lever en het gehele skelet. Op
17 april 2024 was het trombocytengehalte 36.
3.7 Op donderdag 18 april 2024 overlegde internist-oncoloog H met de radioloog
over het uitvoeren van een echogeleide leverpunctie. Het uitgevoerde beeldvormend
onderzoek gaf onvoldoende zekerheid over de aard van de primaire tumor, omdat het
beeld van de linkermamma op de CT-scan ook cysten zouden kunnen betreffen. De radioloog
stelde daarom voor om een echogeleide leverpunctie te verrichten. Het trombocytengehalte
was op dat moment 44. Zij spraken af dat de trombocytenwaarde van 44 geaccepteerd
werd, ondanks dat deze onder de in de richtlijn genoemde ondergrens van 50 lag, mits
de antistollingsmedicatie (Fragmin) zou worden gestaakt en het trombocytengetal niet
verder zou verslechteren. De noodzaak van het gebruik van antistolling in verband
met de longembolieën werd besproken, alsmede de te lage trombocytenwaarde van 44.
Bekend was dat dit een verhoogd risico op een bloeding gaf. Om het bloedingsrisico
zo laag mogelijk te houden, werd het antistollingsbeleid aangepast en bepaald dat
patiënte op vrijdagochtend
19 april 2024 geen antistollingsmedicatie meer zou slikken. Daarnaast werd een controle
van het bloedbeeld middels een laboratoriumonderzoek gepland op 19 april 2024 in de
ochtend. Patiënte werd ingepland op het programma voor het verrichten van echogeleide
puncties van 19 april 2024. Omdat dat programma vol was, werd zij aan het einde van
het programma toegevoegd en ingepland op het tijdstip van 16.30 uur.
3.8 In de ochtend van 19 april 2024 bleek uit het laboratoriumonderzoek (afnametijdstip 8.00 uur) dat er sprake was van een verder verlaagdetrombocytenwaarde bij patiënte van 25. Dienstdoende internist-oncoloog I belde de radioloog omstreeks 9.00 uur die ochtend in het kader van de geplande echogeleide leverpunctie en noteerde in het medisch dossier:
“Hb van 7.3 naar 5.9 icm throm 44 naar 25!! Thrombocyten doorgebeld naarr C radiologie in kader gepland leverbiopt.”
3.9 De physician assistant stond op 19 april 2024 ingedeeld op het programma voor het verrichten van echogeleide puncties. Na het lezen van de planning en voordat de physician assistant aan zijn programma begon, sprak de physician assistant voor het eerst met de radioloog over patiënte. De trombocytenwaarde van 44 werd tijdens dit fysieke contactmoment besproken en de radioloog benoemde dat de physician assistant patiënte hierom maximaal twee keer mocht aanprikken. Daarnaast was er een contactmoment tussen de radioloog en de physician assistant kort voorafgaand aan de punctie. De physician assistant had op dat moment kennis van de trombocytenwaarde van 25.
3.10 Omstreeks 11.00 uur mocht de patiënte naar de afdeling radiologie worden gebracht voor de echogeleide leverpunctie. Zij was op dat moment niet nuchter en verkeerde in de veronderstelling dat de leverpunctie om 16.30 uur zou worden verricht. Ook had zij op dat moment een trombocytenwaarde van 25. Er is gewacht met het uitvoeren van de punctie totdat de patiënte lang genoeg nuchter was.
3.11 Rond 11.45 uur voerde de physician assistant de leverpunctie uit en noteerde hierover het volgende in het medisch dossier:
“Procedure en eventuele complicatie van tevoren met patiënt besproken. Een en ander begrepen. Toestemming. Time out procedure. Traject bepaling/cutis markering. Onder steriele omstandigheden na lokale verdoving ( 10 ml 1% Lidocaïne) uitoering van de biopsie. (…). Aantal biopten: tweemaal.”
3.12 Kort na terugkomst op de verpleegafdeling verslechterde de gezondheidstoestand van patiënte. Zij werd opgenomen op de intensive care met een ernstige hemorrhagische (verbloedings)shock, die was ontstaan door een bloeding na de echogeleide leverpunctie. Kort na middernacht op zaterdag 20 april 2024 overleed patiënte aan de gevolgen van een refractaire hypovolemische shock.
3.13 De raad van bestuur van het ziekenhuis heeft de casus gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en een interne onderzoekscommissie ingesteld. De onderzoeksrapportage maakt deel uit van de stukken.
4. De klacht en de reactie van de physician assistant
4.1 Klager verwijt de physician assistant dat hij op 19 april 2024 een leverpunctie verrichtte bij patiënte, terwijl er op dat moment sprake was van een trombocytenwaarde van 25 waarvan hij op de hoogte was, met als gevolg een refractaire verbloedingsshock en het overlijden van patiënte. De physician assistant had onder de gegeven omstandigheden de leverpunctie moeten weigeren.
4.2 De physician assistant heeft het college verzocht om klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. De physician assistant stelt zich op het standpunt dat niet vaststaat dat klager met deze klacht de veronderstelde wil van zijn overleden echtgenote tot uitdrukking brengt. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de physician assistant het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. In dat kader heeft de physician assistant zich op het standpunt gesteld dat hij zelfstandig bevoegd is tot het verrichten van de punctie. Over de noodzaak van de ingreep in relatie tot het zeer lage trombocytengehalte van 25 heeft hij overleg gevoerd met de radioloog kort voor de punctie. De physician assistant heeft gesteld dat hij zijn zorgen heeft geuit over de aanmerkelijk lagere trombocytenwaarde van 25 dan de in de richtlijn opgenomen ondergrens van 50, waarna de radioloog heeft aangegeven dat de punctie wel moest worden uitgevoerd. De physician assistant heeft de punctie verricht in opdracht van de radioloog en heeft vertrouwd op de kennis en ervaring van de medisch specialisten, in het bijzonder die van de radioloog. Hoewel de physician assistant eigen verantwoordelijkheden en taken heeft, is er volgens hem sprake van een samenwerkingsrelatie met de radiologen die als hiërarchisch kan worden beschouwd.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Allereerst merkt het college op dat het erg triest is dat klager zijn echtgenote zo plotseling heeft verloren. Zonder hier afbreuk aan te willen doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen of de physician assistant binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
De ontvankelijkheid
5.2 Het college overweegt omtrent het niet-ontvankelijkheidsverweer van de physician assistant, als volgt. Een patiënt is zelf rechtstreeks belanghebbende en dus klachtgerechtigd ten aanzien van een hem betreffende medische behandeling. Als een patiënt gehuwd is of een met een echtgeno(o)t(e) gelijk te stellen levensgezel heeft, ligt de klachtgerechtigdheid na het overlijden van de patiënt in beginsel bij diens levensgezel. Deze wordt immers geacht de wil van de patiënt het beste te kennen. Het recht van een nabestaande om een klacht in te dienen ten aanzien van een medische behandeling van een overleden patiënt berust dus niet op een eigen klachtrecht van de nabestaande, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de veronderstelde wil van de patiënt. Naar het oordeel van het college zijn - mede gelet op het feit dat klager de echtgenoot van patiënte was en hij nauw betrokken was bij de zorg voor patiënte - uit het medisch dossier en de overige stukken geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven te twijfelen of klager met deze klacht de veronderstelde wil van patiënte tot uitdrukking laat komen. Klager is dan ook ontvankelijk in de klacht en het college zal de klacht hierna inhoudelijk beoordelen.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of de physician assistant de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende physician assistant. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Het wettelijk kader
5.4 Artikel 36, lid 6, sub c, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) bepaalt dat een physician assistant zelfstandig bevoegd is tot het verrichten van puncties. Voor het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen, geldt dat ingevolge artikel 33b Wet BIG, bij algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) de opleidingseisen en het deskundigheidsgebied vast dienen te worden gesteld, een en ander met inachtneming van de beperkingen. De AMvB die daar uitvoering aan geeft is het ‘Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied physician assistant van 19 april 2018’ (hierna: het Besluit).
5.5 Op basis van artikel 5, lid 3, van het Besluit mogen physician assistants de aan hun toegewezen voorbehouden handelingen uitsluitend verrichten voor zover het betreft: a. handelingen van een beperkte complexiteit; b. routinematige handelingen; c. handelingen waarvan de risico’s te overzien zijn; en d. handelingen die worden uitgeoefend volgens landelijk geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen.
5.6 In het ‘Visie/consensus document Taakherschikking in de radiologie’ van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (hierna: NVvR) en de Nederlandse Associatie Physician Assistants (hierna: NAPA) van 13 september 2021 worden taakherschikking en taakdelegatie beschreven en wordt verwezen naar het wettelijk kader. Daarin staat tevens vermeld dat afpraken hierover moeten worden gemaakt binnen de vakgroep.
5.7 In artikel 35 van de Wet BIG worden de voorwaarden opgesomd waaronder de beroepsbeoefenaar, die niet zelfstandig bevoegd is, voorbehouden handelingen mag verrichten. Daarin staat onder meer dat de opdrachtnemer zichzelf bekwaam moet achten voor het behoorlijk uitvoeren van de opdracht. In artikel 38 van de Wet BIG worden de voorwaarden opgesomd waaraan door de opdrachtgever moet worden voldaan, indien sprake is van het uitvoeren van een handeling in opdracht.
De inhoudelijke beoordeling
5.8 Om de klacht te kunnen beoordelen moet eerst worden beoordeeld of de physician
assistant zelfstandig bevoegd was om de punctie uit te voeren.
5.9 Uit artikel 36 van de Wet BIG volgt dat de physician assistant zelfstandig
bevoegd is tot het verrichten van een punctie. Artikel 5, lid 3, van het Besluit geeft
een aantal specifieke beperkingen op die zelfstandige bevoegdheid (zie overweging
5.5).
Die beperkingen met betrekking tot de zelfstandige bevoegdheid van een physician assistant
zijn cumulatief. Dit betekent dat aan alle in artikel 5, lid 3, van het Besluit genoemde
voorwaarden moet zijn voldaan. Als de physician assistant aan één van deze voorwaarden
niet voldoet, dan is hij niet zelfstandig bevoegd om de voorbehouden handeling uit
te voeren. De voorbehouden handeling zou dan wellicht wel door de physician assistant
kunnen worden uitgevoerd op grond van taakdelegatie.
5.10 Het college is van oordeel dat in dit geval niet wordt voldaan aan alle voorwaarden
zoals genoemd in artikel 5, lid 3, van het Besluit. Er was bij patiënte immers sprake
van een trombocytengehalte van 25 en dus een substantiële afwijking van de in de richtlijn
genoemde ondergrens van een trombocytengehalte van 50. De physician assistant was
daarvan op de hoogte. Daarnaast gebruikte de patiënte in verband met meerdere longembolieën
antistollingsmedicatie (die weliswaar tijdelijk gestaakt zou worden) en was bij haar
een zich agressief gedragende kwaadaardige ziekte geconstateerd. Hoewel de leverpunctie
uitvoeringstechnisch weliswaar niet ingewikkeld was, waren de gevolgen daarvan in
dit geval voor de physician assistant vooraf niet goed in te schatten. Gelet hierop
en gelet op de algehele zorgelijke medische situatie waarin de patiënte zich bevond,
betrof de punctie naar het oordeel van het college in dit geval geen handeling waarvan
de risico’s te overzien waren.
5.11 Nu niet aan alle in artikel 5, lid 3, van het Besluit genoemde voorwaarden
is voldaan, was de physician assistant niet zelfstandig bevoegd om de leverpunctie
bij de patiënte uit te voeren. Het door de physician assistant overgelegde stuk met
betrekking tot de ‘SEPA’s radiologie’ maakt dat niet anders. De inhoud daarvan doet
geen afbreuk aan de in artikel 5, lid 3, van het Besluit genoemde specifieke voorwaarden
en bevat met betrekking tot die voorwaarden ook geen nadere invulling, toelichting
of (werk)afspraken zoals in het “Visie/consensus document Taakherschikking in de radiologie”
wordt benoemd. De physician assistant ging er dus ten onrechte vanuit dat hij wel
zelfstandig bevoegd was. Van taakherschikking had dus geen sprake mogen zijn. Dit
neemt niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat de physician assistant de voorbehouden
handeling in opdracht van de radioloog mag uitvoeren. In dat geval zou sprake zijn
van taakdelegatie, waarbij de artikelen 35 (voor de opdrachtnemer) en 38 (voor de
opdrachtgever) van de Wet BIG gelden.
Het college is van oordeel dat ook in die situatie van de physician assistant verwacht
wordt dat hij bij zichzelf nagaat of hij bekwaam is de voorbehouden handeling bij
deze specifieke patiënte onder deze omstandigheden uit te voeren en dient hij de grenzen
van zijn kennen en kunnen te bewaken. Daarbij dient hij tevens in aanmerking te nemen
zijn kennis over het ziektebeeld en de medische achtergrond van de patiënte. In dat
kader acht het college van belang dat de physician assistant in het verweerschrift
aangeeft dat hij op de hoogte was van de verontrustende gezondheidssituatie van de
patiënte maar niet alle details kende. Verder is van belang dat de physician assistant
zelf twijfels had over het al dan niet uitvoeren van de punctie bij de patiënte, gelet
op een zeer lage trombocytenwaarde van 25, de verhoogde kans op bloedingen en een
zorgelijk laag hb-gehalte. Hij heeft, voorafgaand aan de punctie, zijn twijfels kenbaar
gemaakt aan de radioloog, die op dat moment druk bezig was met de behandeling van
een andere acute patiënt. Ter zitting heeft de physician assistant medegedeeld dat
zijn zorgen en twijfels daarna slechts ten dele waren weggenomen. Er bestond bij hem
dus nog steeds twijfel. Het college is onder deze omstandigheden van oordeel dat -
ook indien de physician assistant de trombocytenwaarde van 25 aan de radioloog zou
hebben medegedeeld zoals door een van de getuigen is verklaard - de physician assistant
de punctie bij deze patiënte niet had moeten uitvoeren bij een trombocytenwaarde van
25. Dat hij, zoals ter zitting naar voren gebracht, niet de vrijheid voelde om te
weigeren, maakt dat niet anders. De physician assistant heeft daarom tuchtrechtelijk
verwijtbaar gehandeld.
5.12 Voor zover klager de physician assistant verwijt dat zijn echtgenote ten
gevolge van het handelen van de physician assistant is overleden, wijst het college
erop dat het medisch handelen van de physician assistant hiervoor beoordeeld is en
de vermeende gevolgen daarbij buiten beschouwing worden gelaten en niet binnen de
tuchtrechtelijke toets vallen.
Conclusie
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.14 Nu de klacht gegrond is, overweegt het college als volgt over de op te leggen
maatregel. De physician assistant wist dat het trombocytengehalte van de patiënte
op
19 april 2024 verder was verlaagd naar 25, alsmede dat dit een substantiële afwijking
betrof van de in de richtlijn geldende ondergrens van 50. Hij was er ook van op de
hoogte dat er een verhoogd risico was op bloedingen als gevolg van het zeer lage trombocytengehalte.
De physician assistant had daarover zorgen en twijfelde of de punctie wel kon worden
uitgevoerd, welke twijfel slechts ten dele was weggenomen na het korte contactmoment
met de radioloog. Bij twijfel had hij de punctie niet moeten uitvoeren. Indien hij
van mening was dat hij zelfstandig bevoegd was, had hij moeten durven besluiten om
de punctie niet uit te voeren. In het geval van het uitvoeren van een voorbehouden
handeling in opdracht, had hij moeten durven weigeren de punctie uit te voeren. Dat
heeft hij in dit geval niet gedaan.
Dat hij naar eigen zeggen niet de vrijheid voelde om te weigeren, is hem aan te
rekenen. Van een physician assistant mag immers verwacht worden dat hij de grenzen
van zijn deskundigheid bewaakt. In aansluiting daarop wordt overwogen dat voor het
kunnen afbakenen van de deskundigheid het ook noodzakelijk is dat de physician assistant
op de hoogte is van de (specifieke) beperkingen die gelden ten aanzien van zijn zelfstandige
bevoegdheid. Het college constateert in dat kader dat de physician assistant enerzijds
uitgaat van zelfstandige bevoegheid en anderzijds spreekt over het uitvoeren van een
opdracht, waarmee tot uitdrukking komt dat hij onvoldoende op de hoogte is van het
verschil tussen taakherschikking en taakdelegatie. Het college acht het laakbaar en
verwijtbaar dat de physician assistant de leverpunctie bij een trombocytenwaarde van
25 heeft uitgevoerd, is van oordeel dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan,
en zal de physician assistant daarom een berisping opleggen.
Publicatie
5.15 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat
hiervoor over taakherschikking en taakdelegatie is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden
zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de physician assistant de maatregel op van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften:
Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact, NAPA magazine en MemoRad.
Deze beslissing is gegeven door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, E.J. Veltman en L.C.
Draaijer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.E.A. van Dooren-Gerding, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.