Zoekresultaten 12801-12850 van de 47494 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:108 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.233

    Klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagster heeft in 2018 een tweede aanvraag gedaan om toekenning van een Wajong-uitkering. De aanvraag werd afgewezen waarop klaagster tegen deze afwijzing bezwaar heeft gemaakt. De verzekeringsarts is als (bezwaar) verzekeringsarts bij de beoordeling van dit bezwaar betrokken geweest. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij op geen enkele wijze het ziektebeeld CVS/ME en de gevolgen daarvan in het algemeen en voor klaagster in het bijzonder erkent, dat hij het in zijn rapportage gooit op mogelijk psychische problematiek bij klaagster en dat hij ondanks dat hij geen specialist is, in feite de gestelde diagnose, de daarvan omschreven gevolgen en de rapportages van de behandelaren afkraakt. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:88 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-144

    Raadsbeslissing. Vordering ex artikel 48e van de Advocatenwet De raad gelast de tenuitvoerlegging van twee door de raad aan verweerster voorwaardelijk opgelegde schorsingen.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 20111

    Bedrijfsarts wordt verweten dat hij 1) klagers medisch onderzoek ten onrechte niet zelf heeft uitgevoerd, maar klager heeft laten zien door een medewerker van de arbodienst en 2) geprobeerd heeft een second opinion tegen te houden en 3) de verdere begeleiding van klager heeft beëindigd. College: 1) volgens het NVAB-Standpunt ‘Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie’ (juni 2020) was taakdelegatie toegestaan (tabel pagina 10). Er was ook een ‘Taakdelegatie-overeenkomst’ gesloten met de arbo-verpleegkundige. Het is een bedrijfsarts niet toegestaan om het ‘spreekuur bedrijfsarts uiterlijk zes weken na aanvang verzuim’ te delegeren. Van zo’n spreekuur (ook wel: ‘re-integratiespreekuur’) was hier geen sprake. 2) Aanvraag second opinion is niet vlekkeloos verlopen en heeft langer geduurd dan nodig en wenselijk was. De bedrijfsarts had klager (en zijn gemachtigde) na het verzoek voor een second opinion beter kunnen uitnodigen op zijn spreekuur om het verzoek te bespreken en uitleg te geven over de procedure. De bedrijfsarts heeft de second opinion echter niet tegengehouden. 3) De eenzijdige beëindiging per direct en zonder overdracht naar een opvolgend bedrijfsarts vanwege de ontstane slechte sfeer is in strijd met de op de bedrijfsarts rustende zorgplicht (voortvloeiend uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Professioneel Statuut van de bedrijfsarts (NVAB, 2003). Klachtonderdeel 3 gegrond. Berisping, mede vanwege de minachtende en onfatsoenlijk toon die de bedrijfsarts keer op keer heeft aangeslagen. Ook geen zelfinzicht en geen toetsbare opstelling.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2031

    Bedrijfsarts wordt (onder meer) verweten dat hij conclusies trekt zonder met klager gesproken te hebben, tegenstrijdige adviezen geeft en persoonlijk contact zoekt om onder een klacht uit te komen. College: bedrijfsarts had kunnen weten dat dit document als werkhervattingsadvies zou kunnen worden geïnterpreteerd, ook al was zijn intentie kennelijk een andere. Verweerder heeft met dit advies de werkgever ruimte gegeven de conclusie te trekken dat klager weer (deels) aan het werk kon gaan. Dat is verwijtbaar. Tegenstrijdigheid volgend advies betreft correctie eerdere onduidelijke advies, dat is zorgvuldig. In zijn algemeenheid handelt een zorgverlener ook zorgvuldig door persoonlijk contact op te nemen met een klager na een klacht. Tijdens een gesprek kan de zorgverlener meer duidelijkheid geven over zijn handelwijze en eventueel – als dat op zijn plaats is – excuses aanbieden. Dat het gesprek mogelijk mede ten doel had een tuchtklacht te voorkomen, maakt de wens om in gesprek te gaan niet verwijtbaar. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:93 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200294

    Klacht tegen eigen advocaat. Wederzijds appel. Het hof vernietigt de gegrondverklaring van de raad en verklaart de klacht in zoverre ongegrond. Verweerder heeft een jaar besteed aan het voorbereiden van een aangifte voor klager. In beginsel is deze termijn te lang, maar gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval is dit aanvaardbaar. De door verweerder gestelde obstakels voor het doen van de aangifte zijn door klager onvoldoende betwist en houden in dat: - het dossier zeer omvangrijk (200 ordners) was, - onduidelijk was tegen wie nog aangifte gedaan kon worden gezien de eerdere aangiftes van klager, - klager en verweerder in afwachting waren van te retourneren stukken van de Hoge Raad en - verweerder moest uitzoeken van welk delict aangifte kon worden gedaan zonder aan te lopen tegen mogelijke verjaring. Het beroep van klager slaagt niet en in zoverre bekrachtigt het hof de ongegrondverklaring van de raad.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:71 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-897/DH/RO

    Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:72 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-141/DH/RO

    Ambtshalve tenuitvoerlegging

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:73 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-095/DH/DH

    Raadsbeslissing. Verweerder heeft zonder klagers toestemming informatie gedeeld met de rechtsbijstandsverzekeraar. Hij heeft daarmee zijn geheimhoudingsplicht en daarmee de kernwaarde vertrouwelijkheid geschonden. Overige klachtonderdelen over oa belangenverstrengeling en plegen van fraude ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:74 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-493/DH/DH 20-810/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2020:84 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/654880 / DW RK 19/388 LB/SM

    Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel één week schorsing en veroordeling in de proceskosten. De kamer acht de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder heeft gedragen in woord en (voornamelijk) in geschrift is ongepast, onfatsoenlijk en uiterst onprofessioneel. Dergelijk gedrag is onbetamelijk en past een redelijk handelend gerechtsdeurwaarder niet.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:75 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-661/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat deels gegrond. Verweerder heeft klaagsters geheime adres aan de advocaat van de wederpartij verstrekt en daarmee niet gehandeld zoals dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelen advocaat mag worden verwacht. Waarschuwing. Klacht over de (verdere) kwaliteit van dienstverlening ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:76 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-664/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen ongegrond. Dat verweerster klaagster inhoudelijk niet goed heeft bijgestaan is de raad niet gebleken. Het gaat te ver om van verweerster te verwachten dat zij als (Nederlandse) advocaat ook het Turkse (huwelijksvermogens)recht beheerst.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:77 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-866/DH/RO/D

    Raadsbeslissing. Dekenbezwaar in beide onderdelen gegrond. Verweerder heeft zijn toezeggingen aan de deken niet gestand gedaan en niet (afdoende) gereageerd op berichten van de deken. Ook heeft verweerder niet voldaan aan een jegens hem gewezen civielrechtelijk vonnis en heeft hij een declaratie van een advocaat die hem had bijgestaan niet voldaan. Verweerder heeft dit alles erkend. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:62 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-115a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Het College is van oordeel dat het zeer gebruikelijk is dat er na een longoperatie sprake is van blijvende gevoelsveranderingen. Doordat de longvliezen door de aandoening en tijdens de ingreep ook geprikkeld zijn, kan er ook sprake zijn van pleurale prikkeling. Dit kan gevoelig zijn en ook aanhouden na de ingreep. Beklaagde heeft aandachtig naar de klachten van klager geluisterd en zijn vragen zo goed mogelijk beantwoord, zo blijkt uit het medisch dossier. Het College is verder van oordeel dat er geen afwijkende ligging is van de organen, noch dat er een transplantatie of implantatie van organen heeft plaatsgevonden. De thoraxfoto post operatief laat geen complicaties zien. Er was derhalve geen verder onderzoek nodig en er was dus ook geen indicatie voor het verrichten van een echo. Beklaagde heeft een echo op goede gronden geweigerd. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-126d

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Op 25 november 2013 heeft een uitgebreid kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Beklaagde had hiervoor extra tijd (een uur) gereserveerd. Ook is er een uitgebreide verslaglegging van dat gesprek. Daaruit blijkt niet dat klager op dat moment uitdrukkelijk een hulpvraag bij beklaagde heeft neergelegd. In de periode daarna hebben de consulten met klager niet meer bij beklaagde plaatsgevonden, maar bij de collega van beklaagde. Pas in 2018 heeft klager zijn klachten over beklaagde tegen een derde geuit. Toen beklaagde daarvan op de hoogte raakte heeft zij direct actie ondernomen en is zij met klager in gesprek gegaan. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-126c

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft gesteld zich het contact met klager niet meer te herinneren. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat beklaagde en klager tijdens het consult op 13 maart 2012 hebben gesproken over de TIA die klager had doorgemaakt en dat klager bij beklaagde zou terugkomen na een bezoek aan de neuroloog in mei 2012. Er zijn geen aanwijzingen dat klager tijdens dat consult andere onderwerpen aan de orde heeft gesteld of heeft willen stellen. De overige stellingen van klager zijn niet onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-184

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde valt een tuchtrechtelijk verwijt te maken van het feit dat zij klaagster herhaaldelijk niet lichamelijk heeft onderzocht en haar niet in een eerder stadium uit eigen beweging en met spoed heeft verwezen naar de gynaecoloog. In geen van de vijf consulten in de periode van 2014 tot en met 2020, waarin klaagster zich aanvankelijk met fluorklachten en later ook wegens tussentijds bloedverlies bij beklaagde meldde, heeft beklaagde lichamelijk onderzoek bij klaagster verricht. Ook heeft beklaagde klaagster naar aanleiding van telefonisch contact over fluorklachten of (intermenstrueel en post-coïtaal) bloedverlies niet gevraagd naar het spreekuur te komen voor lichamelijk onderzoek. Het College acht dat zeer onzorgvuldig. Voorts valt b eklaagde te verwijten dat zij klaagster niet eerder, en - toen klaagster op 15 januari 2020 naar de spoedlijn belde in relatie tot het hevige bloedverlies begin januari 2020 - ook niet met spoed, heeft verwezen. Klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-126b

    Klager niet ontvankelijk verklaard in zijn klacht tegen een huisarts. De klacht is verjaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-176

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een huisarts. Het College is van oordeel dat het niet van goede zorg getuigt dat beklaagde de patiënte heeft verteld dat zij een andere huisarts moest zoeken toen de patiënte beklaagde had gevraagd langs te komen vanwege toegenomen pijnklachten (rugpijn en oedeem aan benen). Indien beklaagde van mening was dat zij de patiënte niet meer kon behandelen vanwege een verstoring in de communicatie met de kinderen van haar patiënte, had zij hierover tenminste op een ander moment contact op moeten nemen met de patiënte; niet op het moment waarop de patiënte om medische hulp vroeg. Dat geldt temeer nu het om een kwetsbare patiënte ging. De patiënte mag bovendien niet de dupe worden van problemen in de communicatie met haar kinderen. Hoewel in dit geval niet kan worden vastgesteld dat op het moment waarop de patiënte belde sprake was van spoed en beklaagde ook op de klachten van patiënte heeft gereageerd door meer pijnstilling voor te schrijven zou het, bezien vanuit goed hulpverlenerschap, beter zijn geweest om haar - net voor het weekend - toch te bezoeken. Het handelen van beklaagde is daarmee niet voldoende zorgvuldig en valt buiten de bedoelde grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening. Klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:89 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-227/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij niet onvankelijk wegens het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet genoemde termijn.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:66 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-126a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klacht deels verjaard. Klager verwijt beklaagde in feite dat hij niet heeft begrepen dat klager een hulpvraag wilde stellen. Het College kan op grond van het dossier niet vaststellen dat beklaagde in 2011 onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van hetgeen klager heeft verteld over zijn verleden. Ook kan niet worden vastgesteld dat beklaagde dit gesprek ten onrechte heeft opgevat als een gesprek over het verleden. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-160

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een huisarts. Het College komt tot het oordeel dat de huisarts klaagster te laat naar de uroloog heeft verwezen. De huisarts heeft onvoldoende onderkend dat microscopische hematurie (onzichtbaar bloed in de urine) ook hematurie is. De persisterende microscopische hematurie zonder tekenen van infectie was een indicatie voor verwijzing naar een uroloog. Nu die verwijzing pas in juni 2020 heeft plaatsgevonden, heeft de huisarts onvoldoende zorgvuldig gehandeld. Uit het dossier blijkt dat de huisarts steeds urineonderzoek heeft ingezet en soms ook bloed- en lichamelijk onderzoek, dat er een SOA-test is gedaan, dat er geregeld consulten hebben plaatsgevonden en dat er medicatie is voorgeschreven. Het College kan daarom niet – los van de te late verwijzing – vaststellen dat de huisarts klaagster of haar klachten niet serieus zou hebben genomen. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:90 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-289/DB/OB

    Het staat een advocaat vrij om op grond van de door zijn (aspirant) cliënt aan hem verstrekte en uit openbare registers verkregen informatie een analyse van een zaak heeft op te stellen. Verweerder mocht bij het opstellen van de analyse afgaan op de juistheid van de door zijn (aspirant) cliënten verkregen informatie. Niet gebleken dat de advocaat zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing, smaad en laster.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:61 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-115b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Beklaagde heeft gesteld dat hij klager heeft uitgelegd dat bij een pleurodese (plakken van een long) de beide longbladen aan elkaar worden geplakt met als doel dat daarna een klaplong aan de desbetreffende kant niet meer kan ontstaan. Dit gaat bijna altijd gepaard met een pijnlijk, zeurend gevoel aan de kant van de operatie. Dit gevoel kan korter of langer duren. Klager is daarom verwezen naar het longrevalidatieprogramma. Het College volgt de uitleg en de toelichting van beklaagde dat de klachten van klager zijn ontstaan door de ontwikkeling van de COPD en de longoperaties en dat er geen verband is tussen de problemen in het maag/darmstelsel en de operaties uit 2018. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:101 Raad van Discipline Amsterdam 20-647/A/A

    Herstelbeslissing

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:91 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-324/DB/LI/W

    Verzoek tot wraking deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:11 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/65

    Klaagster verwijt de notaris (kort gezegd) dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het testament van erflater. Bij dat testament heeft erflater klaagster, met wie hij een niet-geformaliseerde LAT-relatie had, tot zijn enige erfgename benoemd. De kamer overweegt dat op een notaris een zwaarwegende zorgplicht rust om al datgene te verrichten wat nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de rechtshandeling. De wensen van een testateur dienen te worden geïnventariseerd en overeenkomstig de bedoeling dient een uiterste wilsbeschikking te worden geredigeerd. Het is daarbij aan de notaris om de testateur te wijzen op de gevolgen van de wijze waarop diens laatste wil in een uiterste wilsbeschikking wordt vastgelegd. Mede gelet op het vertrouwen dat de deelnemers aan het rechtsverkeer moeten kunnen stellen in een notariële akte, geldt deze verplichting jegens alle belanghebbenden - waaronder klaagster - en niet slechts jegens de partijen bij de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen. Vast staat dat de notaris bekend was met het feit dat erflater en klaagster een niet-geformaliseerde LAT-relatie hadden en dat zij dus niet werden aangemerkt als partners in de zin van de Successiewet 1956 (hierna: Sw). Op grond van artikel 32 lid 1 sub 4 onder a Sw is tot een aanzienlijk bedrag vrijgesteld hetgeen wordt verkregen door een partner in de zin van die wet en valt het vrijgestelde bedrag voor iemand (zoals klaagster) die wordt aangemerkt als overige verkrijger in de zin van artikel 32 lid 1 sub 4 onder f Sw daarbij in het niet. De zwaarwegende zorgplicht van een notaris brengt naar het oordeel van de kamer mee dat de notaris in het onderhavige geval zich een globaal beeld van de financiële situatie van erflater had dienen te vormen en erflater had moeten wijzen op de voor klaagster te verwachten hoge heffing aan erfbelasting, als gevolg van het feit dat zij niet werd aangemerkt als partner in de zin van de Sw. De notaris heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij niet bekend was met (de omvang van) het vermogen van erflater en zij heeft niet aangetoond dat ze met erflater heeft gesproken over de gevolgen van de niet-geformaliseerde LAT-relatie voor de erfbelasting. Het betoog van de notaris dat aan haar slechts een beperkte opdracht - namelijk een kleine aanpassing van het eerdere testament van erflater, bestaande uit het opnemen van een legaat in erflaters testament - is gegeven en de erfstelling niet is gewijzigd, ontslaat haar niet van het nakomen van eerder genoemde zwaarwegende zorgplicht. De klacht wordt gegrond verklaard en aan de notaris wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:12 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/70

    De vader en twee broers van klaagsters werkten in maatschapsverband samen met het oog op de gezamenlijke exploitatie van een agrarische onderneming. Ter voorbereiding op de algehele terugtrekking van vader uit de maatschap hebben de broers en/of vader een adviseur ingeschakeld, die vervolgens een beroep heeft gedaan op de notaris. De notaris heeft - met gebruikmaking van de door vader en de broers getekende volmachten - op 23 december 2016 twee akten van levering gepasseerd. Bij de ene akte heeft vader bedrijfsgebouwen en landerijen geleverd aan de broers, zulks ieder voor de onverdeelde helft. In de akte staat vermeld dat de tegenprestatie door de broers is voldaan door verrekening. Bij de andere akte heeft vader een woning geleverd aan één van de broers. Ook in die akte staat vermeld dat de koopprijs is voldaan door interne verrekening. Klaagsters verwijten de notaris (kort gezegd) dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van de twee akten van levering. De onzorgvuldigheid zit hem volgens klaagsters in het volgende. De notaris heeft naar vader toe niet voldaan aan zijn informatie- en waarschuwingsplicht. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de onafhankelijke wilsvorming van vader. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de in de akten van levering opgenomen tegenprestaties en de wijze waarop die tegenprestaties precies zijn voldaan. De kamer verklaart de klacht gegrond. De kamer is van oordeel dat de notaris met zijn handelwijze zijn kerntaken als notaris heeft veronachtzaamd. Notariële kernwaarden als ‘onafhankelijkheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘zorgvuldigheid’ zijn door de notaris op ernstige wijze geschonden. Bij de totstandkoming van de akten van levering heeft de notaris niet aan zijn zorg-, voorlichtings- en onderzoeksplicht voldaan. De notaris heeft niet met de in dit geval vereiste hoge mate van zorgvuldigheid onderzocht of vader, die op leeftijd was en samenwoonde met broer 2, zijn wil vrij kon vormen en uiten. De notaris heeft geen oog gehad voor de kwetsbare positie van vader, laat staan dat hij zijn handelen daarop heeft afgestemd. Door enkel en alleen af te gaan op de informatie van de adviseur en de broers (de broers zijn samen nota bene direct belanghebbenden bij één van de akten en broer 2 is ook direct belanghebbende bij de andere akte), heeft hij zich niet kritisch opgesteld ten opzichte van diensten die van hem werden verlangd. De kamer is van oordeel dat de notaris door zijn handelwijze niet heeft gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en de belangen van vader ernstig heeft veronachtzaamd. Daarmee heeft de notaris voor klaagsters het vertrouwen in het notariaat schade toegebracht. De kamer legt aan de notaris de maatregel op van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:13 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2019/68

    Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig, afhankelijk en partijdig heeft gehandeld. De klacht, die uit meerdere onderdelen bestaat, heeft betrekking op de door de notaris gepasseerde huwelijksvoorwaarden van vader en zijn tweede echtgenote en op de werkzaamheden die de notaris na vaders overlijden heeft verricht. De kamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op het verzoek om (schade)vergoeding en heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/72 en 73

    Klager verwijt de notaris en de kandidaat-notaris dat zij onzorgvuldig, afhankelijk en partijdig hebben gehandeld bij de overdracht van de woning en de garages, die in eigendom toebehoorden aan klager en zijn ex-echtgenote. De meeste klachtonderdelen worden niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze (ruim) na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren (artikel 99 lid 21 Wna) bij de kamer zijn ingediend. Eén klachtonderdeel, dat betrekking heeft op de uitbetaling van de onder de notaris gedeponeerde tegoeden, wordt ongegrond verklaard

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:10 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/67

    Klagers verwijten de notaris dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht valt uiteen in een aantal onderdelen, maar heeft in de kern betrekking op de wijze waarop de notaris het verzoek van klagers om een afschrift van stukken uit het hypotheekdossier heeft afgehandeld. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Ten aanzien van het door de notaris gedane beroep op haar geheimhoudingsplicht heeft de kamer onder meer overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de notaris, die: - het protocol van de oud-notaris heeft overgenomen en ook met betrekking tot hetgeen vóór haar ambtsperiode werd toevertrouwd en aan de bij haar protocol behorende archieven werd toegevoegd een geheimhoudingsplicht heeft; - in het kader van haar geheimhoudingsplicht een zorgvuldige afweging heeft willen maken en daarvoor ook tot viermaal toe advies heeft ingewonnen bij het Notarieel Bureau; en - mede op grond van de adviezen van het Notarieel Bureau tot de conclusie is gekomen dat niet het gehele hypotheekdossier aan klagers kan worden verstrekt, zich in de gegeven omstandigheden ten onrechte op haar geheimhoudingsplicht jegens klagers beroept. Bij dit oordeel weegt mee dat het ambtsgeheim niet beperkt is tot datgene wat zijn weerslag in een akte vindt. Ook hetgeen aan de oud-notaris schriftelijk of mondeling door derden is meegedeeld, valt in beginsel onder de geheimhouding, evenals de door de oud-notaris gemaakte aantekeningen van gedachtewisselingen met anderen dan klagers. De kamer is van oordeel dat het weliswaar beter was geweest als de notaris klagers had uitgelegd waarom sommige dossierstukken voor haar ten opzichte van klagers onder de geheimhoudingsplicht vallen en dat zij daarom niet het gehele hypotheekdossier aan klagers kan verstrekken, maar het ontbreken van deze concrete uitleg is van onvoldoende gewicht om de notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:95 Raad van Discipline Amsterdam 29-940/A/NH

    De klacht is ongegrond: er is geen sprake van een geheimhoudingsplicht die is geschonden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:96 Raad van Discipline Amsterdam 20-710/A/A

    gegrond dekenbezwaar en oplegging van een waarschuwing. Verweerder heeft zijn tekort aan opleidingspunten niet tijdig ingehaald.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:97 Raad van Discipline Amsterdam 20-637/A/A

    Klacht over de advocaat van de wederpartij gegrond. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij niet of nauwelijks heeft gereageerd op (de e-mails van) de advocaat van klager, dat hij zonder voorafgaande aankondiging of sommatie ten laste van klager beslag heeft gelegd op zijn aandeel in de overwaarde van de woning en dat hij een onjuiste mededeling aan de deurwaarder heeft gedaan. De raad acht hiervoor de maatregel van waarschuwing passend en geboden. De raad rekent het verweerder aan dat hij ten aanzien van het onaangekondigde beslag verwijst naar een advies van zijn patroon, waarmee verweerder zijn eigen verantwoordelijkheid als advocaat miskent.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:103 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.298

    Klacht tegen verpleegkundige. Verweerder is als verpleegkundige werkzaam bij de medische dienst van de instelling waar klaagster woont. Medio 2018 heeft hij klaagster gezien in verband met een dikke, opgezette rechterhand. Verweerder constateerde geen afwijkingen en adviseerde klaagster koelen, pijnstilling en de hand hooghouden. Toen klaagster na ruim een maand pijn bleef houden, heeft de huisarts een röntgenfoto aangevraagd en is een fractuur van de hand vastgesteld. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij de klachten van klaagster aan haar rechterhand niet goed heeft behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep voor zover daarbij de klacht is uitgebreid of aangevuld en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/243

    Klacht van vader tegen huisarts. Vader vindt dat de huisartsenpraktijk hem onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van belangrijke ontwikkelingen over zijn dochter. Klacht kennelijk ongegrond. De aangeklaagde huisarts heeft de dochter slechts eenmaal gezien. Er was toen geen sprake van een ingrijpende beschadiging of behandeling en verweerder. De dochter was samen met haar moeder, die eveneens het gezag heeft, bij de huisarts. Voor het overige is niet gebleken dat aan de vader informatie is onthouden. Ongegrond

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:98 Raad van Discipline Amsterdam 20-640/A/A

    Klacht over de eigen advocaat gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een beroepstermijn ongebruikt te laten verlopen. Hiermee heeft hij de zorgvuldigheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet geschonden. De raad acht de maatregel van berisping passend en geboden. Hierbij weegt mee dat verweerder er geen blijk van geeft dat hij achteraf inziet dat op hem als advocaat de verantwoordelijkheid rust om een lopende beroepstermijn veilig te stellen, ook als het voor verweerder mogelijk (nog) onzeker is of hij de gevraagde rechtshulp zal verlenen. Om deze reden acht de raad een berisping meer op zijn plaats dan een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:104 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.044

    Klaagster heeft diabetes mellitus type 2 en is onder behandeling bij een huisartsenpraktijk waar de aangeklaagde als praktijkondersteuner en diabetesverpleegkundige werkzaam is. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij klaagsters medicatie (metformine) van 4 maal daags naar 1 maal daags heeft verlaagd, waardoor de wortels van haar tanden zijn aangetast. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:99 Raad van Discipline Amsterdam 20-795/A/A 20-796/A/A

    Klacht van voormalig advocaat over zijn voormalig patroon en voormalig kantoorgenoot ongegrond. Niet is gebleken dat klager is misleid bij het aangaan van de stageovereenkomst. Ook niet gebleken dat patroon tekort is geschoten in zijn begeleiding.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:105 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.247

    Klacht tegen een huisarts. Klager is twee keer door de (waarnemend) huisarts gezien met buikpijn. Bij een derde contact, dit keer met de HAP, is klager doorgestuurd naar de spoedeisende hulp, waar hij diezelfde dag is geopereerd aan een blindedarmontsteking. Klager verwijt de huisarts dat zij onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, waardoor een verkeerde, onvolledige diagnose is gesteld, en dat de huisarts heeft nagelaten contact met klager op te nemen naar aanleiding van diens ziekenhuisopname. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt dat de huisarts bij het komen van de door haar gestelde diagnose niet onzorgvuldig, en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, heeft gehandeld en wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:100 Raad van Discipline Amsterdam 20-677/A/A

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:106 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.159

    Klacht tegen psychiater werkzaam in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Klager is na een incident voorgeleid bij een rechtbank en na een psychiatrische beoordeling in een PPC geplaatst. Verweerster is werkzaam in het PPC en heeft klager opnieuw beoordeeld en (dwang)medicatie voorgeschreven. De klacht houdt in dat verweerster e en verkeerde of te late diagnose heeft gesteld, verkeerde medicijnen heeft voorgeschreven en onvoldoende informatie heeft gegeven over de behandeling, het risico en eventuele andere mogelijkheden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:310 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-454

    Raadsbeslissing. De raad constateert dat verweerder artikel 7.7, eerste lid onder b, Voda en gedragsregel 25 heeft geschonden doordat hij met zijn cliënte een resultaatgerelateerd honorarium is overeengekomen. Verweerder heeft daarmee in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit gehandeld. De raad rekent dat verweerder zwaar aan. De raad houdt er bij de oplegging van een maatregel rekening mee dat verweerder onvoldoende inzicht heeft getoond in het ontoelaatbare van zijn handelen. In het voordeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat hij niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. De raad is - rekening houdend met alle omstandigheden - van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van acht weken passend en geboden noodzakelijk is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:85 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190312 en 190313D

    Dekenbezwaar en klacht tegen eigen advocaat. Verweerder zou in zijn hoedanigheid van bestuurder van klaagster onbevoegd gelden uit het vermogen van klaagster weg hebben gesluisd naar zichzelf, zijn (derdengeldenrekening van zijn) kantoor en naar derden, zonder daarvan een gedegen administratie op te maken of daarover achteraf bij klaagster verantwoording af te leggen. Ook zou verweerder trustdiensten voor klaagster hebben verricht zonder te beschikken over de vereiste vergunning op grond van de Wet toezicht trustkantoren 4 (Wtt). Naar het oordeel van het hof heeft verweerder zichzelf ten koste van de aan hem toevertrouwde belangen bevoordeeld doordat hij gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om aan zichzelf (of de maatschap waarvan hij deel uitmaakte of een medebestuurder die evenzeer profiteerde van onttrekkingen) geldbedragen over te maken, hetzij als leningen die hij naar eigen believen al dan niet kon aflossen, hetzij als betalingen voor diensten die hij naar eigen zeggen heeft verricht of als privé-opnames die hij al dan niet heeft terugbetaald. Verweerder heeft zijn eigen financiële belangen boven die van de aan hem toevertrouwde belangen van klaagster gesteld en zichzelf daarmee verrijkt ten koste van die belangen. Het hof stelt verder vast dat verweerder tot 2015, dus gedurende meerdere jaren, is opgetreden als trustee. Hij heeft daarvoor niet de benodigde vergunning aangevraagd of gekregen, noch komt hij in aanmerking voor een vrijstelling daarvan. Verweerder heeft op zo ernstige wijze in strijd gehandeld met de van een advocaat te vergen integriteit dat enkel de maatregel van schrapping volstaat. Dat betekent dat zijn beroep ongegrond is en het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen. Schrapping. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:84 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-024

    Verzetbeslissing. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:86 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200241

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder zou zonder overleg met klager of de wederpartij een zeer belangrijk document hebben getoond tijdens het getuigenverhoor. Het ​​​hof overweegt dat voorafgaand aan het getuigenverhoor wel degelijk overleg over het inbrengen van de Excelsheet tussen verweerder en klager heeft plaatsgevonden, namelijk – in meer algemene zin - ter zake van ‘de verrassingsaanval’. Klagers verwijt dat verweerder het document niet in zijn geheel aan de getuige heeft voorgehouden als gevolg van het feit dat een gedetailleerder vooroverleg door verweerder achterwege is gelaten, valt naar het oordeel van het hof onder een klachtonderdeel dat reeds gegrond is geoordeeld door de raad. Hoger beroep ongegrond. Bekrachtiging beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:85 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-355

    Raadsbeslissing. Dekenbezwaar. Gelet op de genoemde omstandigheden is de raad van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak wél in strijd met de letter van Regel 15 Gedragsregels 2018 heeft gehandeld, maar niet in strijd met de geest daarvan. De raad is van oordeel dat verweerder dan ook niet onbetamelijk heeft gehandeld zoals bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en dat zijn handelen daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad verklaart het dekenbezwaar ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:309 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-024

    Voorzittersbeslissing. Een klacht over de eigen advocaat wordt door de voorzitter kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:86 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-788

    Raadsbeslissing. De raad verklaart het dekenbezwaar over het op een onjuiste wijze aanwenden van de derdengeldrekening (deels) gegrond. De raad ligt een berisping op.

  • ECLI:NL:TGDKG:2021:32 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/679893 / DW RK 20/73

    Beslissing op verzet. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij misbruik maakt van zijn titel en zijn macht door te dreigen met een beslag tegen de wet in. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.