Zoekresultaten 51-100 van de 46281 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:303 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8723

    Deels gegronde klacht tegen een chirurg. Voor wat betreft de aanvullende klacht betreffende het verstrekken van informatie over de seksuele geaardheid van klaagster, geldt dat deze meer dan tien jaar voor indiening van de klacht hebben plaatsgevonden. Klaagster is in dit onderdeel van de klacht (c) niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b over de schending van het medisch beroepsgeheim is ongegrond. Klachtonderdeel a ziet op onzorgvuldig/onjuist handelen van verweerder, omdat hij misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheid van klaagster en haar seksueel heeft misbruikt in haar woning en in de praktijk van de fysiotherapeut. Dit klachtonderdeel is gegrond. Hoewel de verklaringen van klaagster over de seksuele handelingen het college niet onaannemelijk voorkomen, kan het college niet onomstotelijk vast stellen dat deze (alle) hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de strafzaak de fysieke seksuele handelingen bewezenverklaard, tegen dit vonnis loopt thans hoger beroep. Noch daargelaten de uitkomst van het hoger beroep, is het college van oordeel dat ook zonder dat onherroepelijk komt vast te staan dat de betreffende fysieke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, verweerder de grenzen van een professionele beroepsuitoefening ernstig heeft overschreden. Door klaagster het nummer van zijn privé-telefoon te geven, toe te laten dat het appverkeer een privékarakter met ook seksueel getinte apps kreeg en daarin ook een actieve rol te spelen, heeft verweerder volstrekt miskend dat er in de relatie tussen arts en zijn patiënt geen ruimte is om een dergelijke (intieme) relatie aan te gaan. Volgt een deels voorwaardelijke schorsing van negen maanden met oplegging van bijzondere voorwaarden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:267 Hof van Discipline 's Gravenhage 240152

    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) isgegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:262 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161W

    Het wrakingsverzoek is gedaan direct nadat de mondelinge behandeling na beraadslaging was hervat en voordat de behandeld kamer enige beslissing kon meedelen. Gelet daarop is het wrakingsverzoek voorbarig en mist wrakingsgrond 1 feitelijke grondslag. Daarbij is een beslissing over de vraag of stukken in behandeling kunnen worden genomen en aan het dossier kunnen worden toegevoegd een procesbeslissing. Op grond van vaste rechtspraak kan een onwelgevallige (processuele) beslissing van het hof geen grond vormen voor wraking. In dit geval is er echter geen sprake van een beslissing. Voor zover is bedoeld te stellen dat de behandelend kamer reeds door het aan de orde stellen van de toelaatbaarheid van de stukken blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, is daarvan naar het oordeel van het hof niet gebleken. Verder heeft de voorzitter niet ontkend dat de gemachtigde van verzoekster e-mailberichten in kopie heeft ontvangen die namens de voorzitter door de griffie van het hof aan de verwerende advocaat in de hoofdzaak waren gestuurd. Ook wrakingsgrond 2 mist daarmee feitelijke grondslag.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:231 Raad van Discipline Amsterdam 25-756/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat op haar als advocaat de plicht rust om (uitsluitend) de belangen van haar cliënten te behartigen. Dat klager het inhoudelijk niet eens is met het standpunt dat verweerster namens haar cliënten heeft verkondigd, betekent nog niet dat verweerster daarmee in strijd met gedragsregel 8 (of 21 Rv) heeft gehandeld. Daarvan is pas sprake als verweerster bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. De vraag of het standpunt dat verweerster namens haar cliënten heeft ingenomen inhoudelijk juist is of dat klager gelijk heeft, valt buiten de reikwijdte van dit tuchtrechtelijk geschil.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:225 Raad van Discipline Amsterdam 25-306/A/A

    Raadsbeslissing; klacht is ongegrond. Verweerster heeft niet klachtwaardig gehandeld door na te laten klager en zijn gemachtigde te informeren over haar benoeming als raadsheer-plaatsvervanger bij het hof waar het hoger beroep aanhangig was tussen klager en de cliënt van verweerster. Verweerster mocht er op vertrouwen dat vanwege de ‘niet inzet’ afspraak en de aantekening daarvan in het externe register nevenfuncties haar enkele benoeming als raadsheer-plaatsvervanger geen omstandigheid was die een risico zou kunnen opleveren voor de onpartijdigheid van het hof.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:165 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8152

    Klacht tegen arts van het consultatiebureau. Klagers stellen dat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld door de JGZ richtlijn hartafwijkingen niet te volgen. Zij heeft het zoontje van klagers te laat doorverwezen waardoor hem de kans op een betere afloop is ontnomen. Het college neemt bij de beoordeling van de klacht het medisch dossier tot uitgangspunt. Verder wijst het college erop dat de toetsing van het handelen/nalaten van verweerster moet plaatsvinden in het licht van wat haar op dat moment bekend was en bekend kon zijn. Het gaat bij de beoordeling dus om de kennis van dat moment en niet om de kennis achteraf.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:226 Raad van Discipline Amsterdam 25-571/A/NH/D

    Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerster heeft bij herhaling tegen haar kantoorgenoten, waaronder haar patroon, gelogen over haar bezoeken aan cliënten. Door het liegen over de kerndienstverlening van de advocaat, namelijk rechtsbijstand aan de cliënt, heeft verweerster niet alleen ernstig onprofessioneel en onbetrouwbaar gehandeld ten opzichte van haar kantoorgenoten, maar is zij bovendien vergaand tekortgeschoten in haar zorgplicht ten opzichte van de cliënten die op haar bijstand rekenden. Door dit handelen heeft verweerster de in artikel 46 van de Advocatenwet neergelegde betamelijkheidsnorm en de kernwaarden deskundigheid en integriteit geschonden, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur ondermijnd. Gelet op het feit dat verweerster spijt heeft betuigd en ten tijde van de verwijtbare gedragingen nog in opleiding was, is een berisping met kostenveroordeling passend geacht.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:227 Raad van Discipline Amsterdam 25-450/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:228 Raad van Discipline Amsterdam 25-281/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder de schriftelijk vastgelegde expliciete instemming van klaagster zijn facturen te verrekenen met het aan klaagster uitgekeerde schikkingsbedrag dat op de derdengeldenrekening van verweerder is gestort. Ook heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door afspraken met klaagster over het wel of niet hoger beroep instellen niet schriftelijk vast te leggen, waardoor achteraf discussie is ontstaan over de vraag of klaagster met het instellen van hoger beroep heeft ingestemd. Klacht gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing en veroordeling in de proceskosten.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:161 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8659

    Klacht tegen een orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. Klaagster werd vanwege een cyste in haar knieholte doorverwezen naar verweerder. Zij verwijt verweerder, samengevat, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en haar ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een MRI-centrum. Het college komt tot het oordeel dat verweerder ten aanzien van beide klachtonderdelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:229 Raad van Discipline Amsterdam 25-715/A/A

    Voorzittersbeslissing; verweerster heeft geen beschuldigingen geuit zonder bewijs. Verweerster heeft onbetwist aangevoerd dat de schriftelijke reactie waarnaar klaagster verwijst een persoonlijke bief van de ex-partner aan de rechtbank betreft en dat de ex-partner ter zitting zelf wel naar voren heeft gebracht dat klaagster volgens hem zou kampen met borderline problematiek. Dit waren niet de bewoordingen van verweerster en kunnen derhalve niet aan verweerster worden toegerekend. Klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:260 Hof van Discipline 's Gravenhage 250440

    Het hof stelt vast dat de klacht niet is geconcretiseerd. Ook is de door klager geformuleerde klacht niet onderbouwd. Op grond van de inhoud van de klacht is niet duidelijk waar onderzoek naar zou moeten worden gedaan. Daarom zal het hof de klacht niet verwijzen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8555

    Klacht tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: berisping. Klaagster is binnen de GGZ ruim een jaar onder behandeling geweest bij de verpleegkundige. De verpleegkundige voerde wekelijks therapiegesprekken met klaagster. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij haar professionaliteit heeft overschreden door een grensoverschrijdende relatie met haar aan te gaan en (behandel)informatie van (ex-)cliënten te delen met klaagster. Het college oordeelt dat de verpleegkundige onvoldoende professionele distantie heeft in haar behandelrelatie met klaagster en zij haar beroepsgeheim heeft geschonden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:261 Hof van Discipline 's Gravenhage 250406

    De voorzitter stelt vast dat deze klacht zodanig gebrekkig is geformuleerd dat niet duidelijk is wat de klacht precies inhoudt. De onderbouwing maakt een en ander niet bepaald inzichtelijker. De algemene verwijten en het onbehoorlijke taalgebruik maakt deze klacht naar het oordeel van de voorzitter niet voor verwijzing in aanmerking komt.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:163 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8558

    Klacht van de IGJ tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: waarschuwing. De verpleegkundige werkte als begeleider en teamleider bij een instelling. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij de professionele grenzen, die zij in acht behoort te nemen, heeft overschreden door gedurende de zorgrelatie met een cliënt privécontacten te hebben en direct nadat de zorgrelatie was beëindigd met deze cliënt een vriendschappelijke relatie aan te gaan. Klacht is gegrond. Er kan worden volstaan met een waarschuwing nu de verpleegkundige haar inschrijving in het BIG-register op eigen initiatief heeft laten doorhalen en zij bovendien al disciplinair gestraft is door haar vorige werkgever.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:230 Raad van Discipline Amsterdam 25-754/A/A

    Voorzittersbeslissing; verweerder mocht de uitspraken van klaagster die (geanonimiseerd) gepubliceerd zijn op de website www.rechtspraak.nl gebruiken voor een artikel. Daarvoor hoefde hij geen toestemming van klaagster te vragen. Klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:224 Raad van Discipline Amsterdam 25-445/A/A/D

    Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerder heeft in de eerste plaats bij zijn bijstand in de aandelenoverdracht niet voldaan aan de verplichtingen in de Wwft en in de Voda door geen (verscherpt) cliëntonderzoek te verrichten. In de tweede plaats heeft verweerder niet voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rustte door als enige advocaat op te treden voor twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen. Daarbij heeft verweerder bovendien nagelaten belangrijke afspraken schriftelijk vast te leggen, hetgeen strijd met gedragsregel 16 lid 1 oplevert. In de derde plaats heeft verweerder zijn declaraties niet op de juiste wijze ingericht, doordat deze niet aan zijn cliënten waren gericht of niet duidelijk maakten wie als cliënt moest worden aangemerkt. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 2, artikel 7.5 van de Voda en de kernwaarde (financiële) integriteit. Tot slot heeft verweerder in het kader van een eerder opgelegde schorsing de deken niet volledig geïnformeerd over lopende dossiers en is verweerder in die periode van schorsing werkzaamheden blijven verrichten. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel zijn als verlichtende omstandigheden meegewogen dat de verwijtbare gedragingen inmiddels meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden en verweerder daarna niet meer tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ook is meegewogen dat verweerder zelfinzicht heeft getoond, zich heeft bijgeschoold, zijn werkwijze en zijn kantoorbeleid heeft aangepast waar het het factureren en de vastleggingen voor de Wwft en de Voda betreft. Verder is in het voordeel van verweerder meegewogen dat het tijdsverloop vanaf de start van het onderzoek van de deken (juli 2022) tot de daadwerkelijke indiening van het dekenbezwaar (juli 2025) erg lang is geweest en daarmee zeer belastend voor verweerder. Een schorsing van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, is passend bevonden.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:164 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8078

    Klacht tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: schorsing, bijzondere voorwaarden. De verpleegkundige werkte op een gesloten opname-afdeling van een GGZ-instelling. De klacht is ingediend door de werkgever van de verpleegkundige. De verpleegkundige is een affectieve en seksuele relatie met een zeer kwetsbare patiënte aangegaan tijdens haar dienstverband, klacht is gegrond. Het college rekent het de verpleegkundige aan dat zij niet verschenen is in deze procedure en tegenover het college geen (zelf)inzicht heeft getoond in haar handelen. Maar mede gelet op de jonge leeftijd, onervarenheid en gebrek aan werkbegeleiding legt het college een schorsing van negen maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de schorsing zijn bijzondere voorwaarden verbonden op het gebied van nascholing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2558

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De psychiater was tijdens deze opnames betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de psychiater dat hij geen goede en adequate zorg heeft geleverd wat betreft de diagnose, de medicatie en de klachten van haar dochter. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2673

    Klagers verbleven in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een AZC. Klagers en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van het AZC geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. Op twee momenten heeft de praktijkverpleegkundige over het ingezette beleid contact gehad met de huisarts. De dag na het bezoek aan de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met uitzetting. Nadat het gezin is uitgezet naar bleek zeer kort na aankomst de jongste dochter aan lymfoblastaire leukemie te lijden, waaraan zij in 2014 is overleden. Klagers verwijten de arts dat hij tekort is geschoten in de zorg aan de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klagers.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7297

    Deels gegronde klacht huisarts. Klaagster, haar ex-partner en hun minderjarige dochter waren patiënt bij de huisarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij de ex-partner zou hebben geadviseerd een melding te doen bij Veilig Thuis. Klaagster verwijt verweerder dat hij de gestelde zorgsignalen niet heeft getoetst alvorens te melden. Volgens klaagster heeft verweerder de KNMG-Meldcode niet gevolgd. Ook verwijt klaagster verweerder dat hij haar zonder reden zou hebben geadviseerd een andere huisarts te zoeken en dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij haar medisch dossier zou hebben gemanipuleerd. Verweerder heeft de dochter doorverwezen voor specialistische hulp zonder toestemming van klaagster. College oordeelt het laatste klachtonderdeel gegrond, de overige klachtonderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2559

    Klacht tegen een GZ-psycholoog. De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De GZ-psycholoog was tijdens de laatste opname als hoofdbehandelaar betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de GZ-psycholoog dat zij geen adequate zorg en begeleiding heeft geboden en na het weglopen van haar dochter niet direct alarm heeft geslagen en de politie heeft ingeschakeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2674

    Klagers verbleven vanaf in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een AZC. Klagers en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van het AZC geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. De dag na het bezoek aan de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met uitzetting. De jongste dochter is daar gezien door de arts. Het gezin is drie dagen later uitgezet, waar zeer kort na aankomst bleek dat de jongste dochter aan lymfoblastaire leukemie leed. Zij is in 2014 overleden. Klagers verwijten de arts dat hij tekort is geschoten in de zorg aan de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klagers.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7853

    Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de psychiater die een aantal maal contact met klager heeft gehad. Klager was onder behandeling bij een zorgaanbieder en eerste behandelcontact was een gz-psycholoog tegen wie klager eerder een klacht had ingediend. De onderhavige klacht kan niet los worden gezien van de klacht tegen de behandelend gz-psycholoog. Het college heeft de klacht tegen deze gz-psycholoog eerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het college oordeelt dat klager zijn klacht heeft ingediend met het uitsluitend oordeel een contactverbod te omzeilen en om de behandelaar te bedreigen. Het college oordeelt dat de onderhavige zaak met hetzelfde doel is ingediend en dat de bedreigingen zich richten op de gz-psycholoog en de beklaagde psychiater

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:223 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2782

    Klacht tegen een tandarts. Klager verwijt de tandarts onder meer dat hij geen passende prothese in de bovenkaak van klager heeft geplaatst, geen juiste oplossing heeft gevonden voor een loszittende noodkroon en meermalen het behandelplan heeft gewijzigd. Klager is ook ontevreden over de handelwijze van de Geschilleninstantie Mondzorg. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klager, voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van de Geschilleninstantie Mondzorg, niet-ontvankelijk verklaard. Dat college heeft de klachtonderdelen die gaan over het handelen van de tandarts kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2783

    Klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog was betrokken bij de behandeling van klager. Direct na beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie – is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie van bijna zes jaar aangegaan. De inspectie heeft een klacht ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door verweerster. Klager heeft eveneens een klacht ingediend. Hij klaagt niet alleen over het aangaan van de relatie zonder afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie en klager zijn gevoegd behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De gz-psycholoog is een schorsing van zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden. Alleen klager komt in beroep tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel 74 lid 4 Wet BIG de zaak in volle omvang te beoordelen en verklaart de klachtonderdelen e) en f) alsnog gegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, verklaart deze klachtonderdelen alsnog gegrond en legt de gz-psycholoog – alles afwegende - de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7842

    Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de gz-psycholoog die zijn regiebehandelaar was. De klacht kan niet los worden gezien van de klacht tegen de behandelend gz-psycholoog. Het college heeft de klacht tegen deze behandelaar eerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het college oordeelt dat klager zijn klacht heeft ingediend met het uitsluitend oordeel een contactverbod te omzeilen en om de behandelaar te bedreigen. Het college oordeelt dat de onderhavige zaak met hetzelfde doel is ingediend en dat de bedreigingen zich richten op de behandelaar en de beklaagde regiebehandelaar.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2785

    Klacht tegen een huisarts. De zoon van patiënte heeft namens patiënte een klacht ingediend tegen de huisarts van patiënte. De klacht gaat over de weigering van de huisarts om bij patiënte op huisbezoek te gaan en over onjuiste diagnoses en adviezen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft de zoon niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt deze beslissing. Dit college leidt uit de stukken en de zitting af dat de mentor van patiënte bekend was met de inhoud van de inhoud van de klacht en achteraf heeft willen bevestigen dat zij heeft ingestemd met de indiening ervan. Dit betekent dat - anders dan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft aangenomen - de zoon van patiënte gerechtigd was om namens patiënte een klacht in te dienen over het handelen van de huisarts.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2784

    Klacht tegen een psychotherapeut. De psychotherapeut was betrokken bij de behandeling van klager. Direct na beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie – is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie van bijna zes jaar aangegaan. De inspectie heeft een klacht ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door verweerster. Klager heeft eveneens een klacht ingediend. Hij klaagt niet alleen over het aangaan van de relatie zonder afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie en klager zijn gevoegd behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De psychotherapeut is een schorsing van zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden. Alleen klager komt in beroep tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel 74 lid 4 Wet BIG de zaak in volle omvang te beoordelen en verklaart de klachtonderdelen e) en f) alsnog gegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, verklaart deze klachtonderdelen alsnog gegrond en legt de psychotherapeut – alles afwegende - de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7923

    Kennelijk ongegronde klacht tegen KNO-arts. Klaagster, patiënte, verwijt verweerder onder andere dat hij haar niet hielp met haar bloedneuzen met lage hemoglobine-waarden tot gevolg en dat hij haar huisarts onjuist informeerde. Verweerder verwees klaagster niet door en bood geen second opinion aan. Volgens klaagster stond verweerder klaagster onbeschoft te woord en leunde tegen haar borsten. Verweerder schond de privacy van klaagster door haar informatie te delen in deze procedure en door op illegale wijze informatie te verkrijgen, aldus klaagster. College: Verweerder zag geen bevestiging van de bloedneuzen en spande zich voldoende in. Verweerder schond de privacy van klaagster niet.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:225 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2837

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater dat hij met klager niet het gesprek is aangegaan over de dosis lorazepam. Uit het dossier blijkt van herhaaldelijke pogingen om hierover met klager in gesprek te blijven. Vanwege verslavende werking en bijwerkingen kon de door klager gewenste dosering niet zonder meer worden voorgeschreven. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2556

    Ongegronde klacht tegen een arts verstandelijk gehandicapten (arts VG). De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De arts VG was tijdens deze opnames betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de arts VG dat zij geen goede en adequate zorg heeft geleverd, onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de medicatie en de ernst van de klachten en bijwerkingen niet voldoende serieus heeft genomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7622

    Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde gedeeltelijk gegrond. Geen maatregel. De specialist ouderengeneeskunde heeft een melding van het vermoeden van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis gedaan. Klager, zoon van patiënte en mantelzorger, verwijt de specialist ouderengeneeskunde onder meer dat zij heeft nagelaten zorgvuldig onderzoek te doen. Het college: Het had op de weg van de specialist ouderengeneeskunde gelegen om zelf (een poging te doen om) met klager/patiënte in gesprek te gaan om klager en patiënte in een voor hen vertrouwde setting te zien en spreken. Het gesprek met klager/patiënte dient onder meer om vanuit haar specifieke deskundigheid en onafhankelijke positie zorgen te uiten, de opvatting van klager als mantelzorger te vernemen, informatie in te winnen en de wensen en mogelijkheden te bespreken om tot een oplossing te komen. De hieruit verkregen informatie dient tezamen met andere informatie ter afweging of er een melding dient te worden gedaan.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7737

    Klacht tegen oogarts ongegrond. Klager is gezien door de oogarts als onderdeel van de keuring voor de verlenging van zijn rijbewijs. Hij verwijt de oogarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld, zich ten onrechte heeft uitgegeven als behandelend arts en een behandelaanbod heeft gedaan als keuringsarts. Het college: Bij de oogarts is de verdenking van glaucoom gerezen. Dit dient te worden gedeeld met de patiënt en het CBR. De vermelding in de rapportage van behandelend specialist maakt niet dat de oogarts zich als behandelaar heeft uitgegeven. Niet is gebleken dat de oogarts een concreet aanbod tot behandeling van glaucoom heeft gedaan. Het voorstel van de oogarts betrof een nader onderzoek in het kader van de keuring. Het doen van dit voorstel valt hem niet te verwijten.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2557

    Ongegronde klacht tegen een orthopedagoog-generalist. De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster heeft enkele maanden in een begeleid woonvoorziening gewoond. De orthopedagoog-generalist is daar werkzaam en was betrokken was bij de woonbegeleiding van de dochter. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij geen goede en adequate zorg heeft geleverd, onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zij onvolledig was in haar communicatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7296

    Ongegronde klacht verpleegkundige, praktijkondersteuner. Klaagster, haar ex-partner en hun minderjarige dochter waren patiënt bij de huisartsenpraktijk. Klaagster verwijt verweerster dat zij een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan zonder zich aan de KNMG-Meldcode te houden door niet eerst een gesprek met klaagster en haar dochter te voeren. College: Verweerster hoefde niet aan waarheidsvinding te doen. Toen de gespecialiseerde hulpverlening stagneerde, hoefde verweerster niet opnieuw alle stappen van de meldcode te doorlopen. Na de stagnatie en nadat klaagster de afspraak met de dochter had afgezegd, was het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te melden zonder eerst klaagster en de dochter te spreken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:276 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-449/AL/GLD

    de klacht van klaagster dat verweerster haar belangen bij het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding niet goed heeft behartigd, is te laat ingediend op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. Het beroep van klaagster op een verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet. De raad kan niet vaststellen dat klaagster in de betreffende periode feitelijk niet in staat was om een klacht over verweerster in te dienen of te laten indienen. De klacht is niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:300 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8215

    Deels gegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog is praktijkhoudster van een kinder- en jeugdpsychologenpraktijk in de basis ggz. Tegen de hoofdbehandelaar werkzaam in de praktijk is dezelfde klacht ingediend (zaaksnummer A2025/8216). Het college is van oordeel dat er meerdere signalen zijn die duiden op mogelijke ouderverstoting. Gezien de geschiedenis en informatie rondom de complexiteit van de scheiding en het functioneren van de dochter in twee gezinnen kan geconcludeerd worden dat dit een contra-indicatie is voor basis-ggz. Het had voor de hand gelegen om de behandeling niet zelf te starten maar door te verwijzen naar gespecialiseerde zorg, zoals klager terecht stelt. Ter zitting heeft de hoofdbehandelaar en ook GZ-psycholoog erkend dat achteraf gezien doorverwijzing beter was geweest, maar dat destijds een andere inschatting is gemaakt. In de melding aan Veilig Thuis is niets opgenomen over de door klager gemelde ouderverstoting. Het college is zonder meer overtuigd van de goede intenties van de betrokken behandelaren, maar er zijn serieuze fouten gemaakt. Daarmee voldoet de behandeling aan het gezin en de dochter niet aan de te stellen eisen en is daarmee ook de ouders – waaronder klager – deskundige begeleiding onthouden. Daarnaast voldoet de melding niet aan de te stellen eisen. Zo is de Melding te voortvarend gedaan, omdat voorafgaand overleg met klager in de reden had gelegen en ook mogelijk was. Belangrijker is dat er geen mededeling is gedaan van (mogelijke) ouderverstoting. Volgt een berisping.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:277 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-331/AL/GLD

    Raadsbeslissing. De raad heeft een klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:301 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8216

    Deels gegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog is werkzaam bij een kinder- en jeugdpsychologenpraktijk in de basis ggz. Tegen de praktijkhoudster is dezelfde klacht ingediend (zaaksnummer A2025/8215). Het college is van oordeel dat er meerdere signalen zijn die duiden op mogelijke ouderverstoting. Gezien de geschiedenis en informatie rondom de complexiteit van de scheiding en het functioneren van de dochter in twee gezinnen kan geconcludeerd worden dat dit een contra-indicatie is voor basis-ggz. Het had voor de hand gelegen om de behandeling niet zelf te starten maar door te verwijzen naar gespecialiseerde zorg, zoals klager terecht stelt. Ter zitting heeft de hoofdbehandelaar en ook GZ-psycholoog erkend dat achteraf gezien doorverwijzing beter was geweest, maar dat destijds een andere inschatting is gemaakt. In de melding aan Veilig Thuis is niets opgenomen over de door klager gemelde ouderverstoting. Het college is zonder meer overtuigd van de goede intenties van de betrokken behandelaren, maar er zijn serieuze fouten gemaakt. Daarmee voldoet de behandeling aan het gezin en de dochter niet aan de te stellen eisen en is daarmee ook de ouders – waaronder klager – deskundige begeleiding onthouden. Daarnaast voldoet de melding niet aan de te stellen eisen. Zo is de Melding te voortvarend gedaan, omdat voorafgaand overleg met klager in de reden had gelegen en ook mogelijk was. Belangrijker is dat er geen mededeling is gedaan van (mogelijke) ouderverstoting. Volgt een berisping.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:302 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8068

    Deels gegronde klacht tegen een psychotherapeut. Het college stelt dat niet kan worden gezegd dat klager de klacht alleen aanhangig heeft gemaakt om in contact te komen met de psychotherapeut en concludeert dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Het klachtonderdeel a) dat ziet op de gestelde diagnose is gegrond. Voor de classificatie ‘persoonlijkheidsstoornis’ heeft de psychotherapeut onvoldoende onderzoek verricht. Ook klachtonderdeel b) is gegrond. Weliswaar heeft de psychotherapeut intercollegiaal overleg gevoerd, maar dit vormt naar het oordeel van het college onvoldoende basis voor de gekozen uitbreiding van de ingestoken curatieve therapie, juist op een moment dat klager had aangegeven te willen stoppen. Klachtonderdeel c) is ook gegrond. Gelet op de achtergrond van klager en diens hulpvraag, acht het college de gekozen therapievorm en setting, waarbij onder meer rolvervaging optrad, niet verantwoord noch acceptabel. Blijkens het behandeldossier heeft de psychotherapeut te weinig gedaan om haar rol in het kader van de imaginaire rescripting binnen de therapie te begrenzen. Verder is voor het college genoegzaam vast komen te staan dat de psychotherapeut klager heeft overvallen door, in weerwil van eerder gemaakte afspraken, de behandeling feitelijk eenzijdig te beëindigen, ondanks de wetenschap dat klager een terugval had en er op dat moment bij hem nog behoefte bestond aan het voortzetten van de behandeling. Daarmee zijn klachtonderdelen d), e) en f) gegrond. Tot slot komt het college tot de conclusie dat de psychotherapeut bij het doen van aangifte tegen klager informatie heeft verstrekt die onder haar geheimhoudingsplicht viel, maar dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond dan wel behoeven geen nadere bespreking meer omdat ze minder relevant zijn voor de aard en omvang van de klacht, dan wel, reeds bij de andere klachtonderdelen in voldoende mate zijn behandeld. Volgt een waarschuwing, mede gezien de ernstige gevolgen die de psychotherapeut heeft ondervonden aan het geschil met klager.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:273 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-060/AL/GLD

    verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2025:25 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-12

    Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij weigerde om de veilingopbrengst te verdelen terwijl niets hieraan in de weg stond en dat hij onvoldoende deugdelijk daarover heeft gecommuniceerd. De kamer oordeelt als volgt. Het wettelijk kader duidelijk is. Er waren twee mogelijkheden om de veilingopbrengst te verdelen. De ene mogelijkheid was dat, als alle schuldeisers het met elkaar eens waren, de verdeling werd vastgelegd in een verdelingsovereenkomst. De andere mogelijkheid was de gerechtelijke rangregeling. Omdat was gebleken dat niet alle schuldeisers overeenstemming hadden bereikt over de (wijze van) verdeling, was het sluiten van een verdelingsovereenkomst niet mogelijk en kon er dus ook geen uitkering plaatsvinden op grond van een verdelingsovereenkomst. Een gerechtelijke rangregeling bleef over als de enige optie. De notaris kon volstaan met het informeren van klager hierover en hoefde, anders dan klager stelt, geen gerechtelijke rangregeling te initiëren. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:274 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-743/AL/OV

    Klagers, opa en vader van de kinderen, beklagen zich over de advocaat van de ex-vrouw van de vader over de omgangsregeling met de (klein)kinderen. Opa is deels kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerster mocht afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie zonder nader onderzoek. Verweerster heeft in dat kader onweersproken gesteld dat zij beschikt over bewijs ter onderbouwing van haar standpunten. Alhoewel de voorzitter begrijpt dat sommige opmerkingen in de e-mail van verweerster van 29 november 2024 door klagers als pijnlijk of onjuist zijn ervaren, is dat alleen onvoldoende om verweerster daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2025:26 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-34 en 25-35

    Klager verwijt de notaris en de kandidaat-notaris dat de notarieel medewerker onbevoegde personen heeft benaderd in verband met de levering van een appartement. Dit, terwijl uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat klager de enige bestuurder van de VvE was. De notarieel medewerker had contact met klager moeten opnemen. De kamer is alles overziend van oordeel dat het notariskantoor, zoals door de notaris ook is erkend, in deze anders had dienen te handelen. De vraag is echter of dit zo verwijtbaar is dat het klachtwaardig is. De kamer is van oordeel dat deze drempel niet is gehaald. De fout is gering en niet is gebleken dat klager of de VvE hiervan op enigerlei wijze schade heeft ondervonden. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen de schuldbewuste houding van de notaris en de direct genomen, en reeds in de praktijk gebrachte, maatregelen om vergelijkbare fouten in de toekomst te voorkomen. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:275 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-321/AL/OV

    Klacht gaat over de advocaat van de wederpartij van klager in een geschil over de omgangsregeling. Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger in twee opvolgende e-mails aan klager het standpunt van zijn cliënte over de omgangsregeling en de mogelijke eenzijdige stopzetting daarvan uiteengezet en klager gewezen op de mogelijkheid om naar de rechter te stappen. Dat klager deze e-mails van verweerder als dreigend en provocerend en escalerend heeft ervaren, begrijpt de raad, maar dat alleen is onvoldoende om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken, temeer daar de verhuizing van klager naar Spanje de onderliggende oorzaak van het nieuwe geschil over de omgang was. Het was beter geweest als verweerder zijn tweede e-mail niet op zondag aan klager had gestuurd maar een dag later, maar dat is niet dusdanig ernstig dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORARL:2025:36 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/443594 KL RK 24-161

    Klager verwijt de notaris dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van klager ten tijde van het passeren van de koopovereenkomst en dat sprake is van een verdachte of ongebruikelijke transactie waarvan de notaris melding had moeten maken bij de bevoegde autoriteiten. De kamer is van oordeel dat de notaris geen aanleiding had om aan de geestelijke gesteldheid van klager te twijfelen. Tijdens het bezoek aan de notaris van klager is niet gebleken van een beperkt verstandelijk vermogen waardoor klager zijn wil onvoldoende kon bepalen. Verder is de kamer van oordeel dat de gevoerde communicatie (onder andere via de e-mail) met klager voor de notaris geen aanleiding had hoeven zijn om aan de geestelijke gesteldheid van klager te twijfelen. De kamer is ook van oordeel dat de notaris een onderbouwde verklaring voor de lagere koopsom heeft gegeven en gezien zijn beperkte opdracht heeft de notaris naar het oordeel van de kamer niet onzorgvuldig gehandeld. Nog los van het feit dat dit een eigenstandige beoordeling en plicht van de notaris is, die klager in beginsel niet regardeert, bestond er gezien het voorgaande, waarbij verder niets aanvullends is gesteld of gebleken, ook geen verplichting om melding te maken van een verdachte of ongebruikelijke transactie in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

  • ECLI:NL:TNORARL:2025:37 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/448817 / KL RK 25-40

    De notariële kernwaarde als zorgvuldigheid en in het verlengde daarvan de voorlichtingsplicht, zijn door de notaris geschonden. De notaris heeft een voorlichtingsplicht en de verplichting om te verifiëren of dat wat in de akte staat, overeenstemt met de wil van de partijen en dat zij daarvan de gevolgen overzien. In dit geval heeft de notaris zich laten leiden door de haast van partijen, in plaats van zich te vergewissen van de daadwerkelijke wil van partijen en ze te behoeden voor het nemen van overhaaste beslissingen. De notaris heeft na de eerste bespreking een conceptakte voor de volgende bespreking opgesteld zonder dat hij daartoe met partijen de afspraak had gemaakt. Hij heeft deze conceptakte niet aan partijen voorafgaand aan de bespreking toegestuurd of op andere wijze een schriftelijke toelichting gegeven. Voorts heeft de notaris geen deugdelijke verslaglegging van besprekingen bijgehouden. Klager verwijt de notaris dan ook dat hij zijn informatieplicht heeft geschonden en geen deugdelijke verslaglegging van de besprekingen heeft bijgehouden. De kamer oordeelt de klacht gegrond en legt aan de notaris een berisping op.

  • ECLI:NL:TNORARL:2025:38 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/451325 / KL RK 25-72

    Klager stelt dat in de nalatenschap van zijn overleden moeder onjuiste berekeningen door de oud-notaris zijn gehanteerd, hetgeen heeft geleid tot een onjuiste fiscale aangifte. Klager verzoekt de kamer dat het blooteigendom door het notariskantoor opnieuw gewaardeerd zal worden. De voorzitter van de kamer heeft geoordeeld dat gedragingen van de oud-notaris niet de notaris persoonlijk toegerekend kunnen worden. De kamer verenigt zich met het oordeel van de voorzitter. In deze verzetprocedure zijn verder geen feiten of omstandigheden door klager naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:259 Hof van Discipline 's Gravenhage 240280 en 240281

    Verschoningsrecht. Kernwaarden onafhankelijkheid, integriteit en betamelijkheid. Bestuursorgaan als cliënt en Wet open overheid.De oorsprong van de klachten ligt in het strafrechtelijk onderzoek Castor waarin het Openbaar Ministerie via een (heimelijke) strafrechtelijke vordering de beschikking kreeg over e-mailberichten waarvan later is komen vast te staan dat deze onder het verschoningsrecht vielen van de advocaat die de verdachten bijstond. Het hof is van oordeel dat verweerder de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden doordat verweerder zomaar op de juridische opvatting van zijn cliënt heeft gevaren dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht zouden vallen. Door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken heeft verweerder zijn eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren niet genomen en daarmee ook de kernwaarden integriteit en betamelijkheid geschonden. Het hof rekent het handelen van verweerder hem, gelet op het fundamentele en essentiële karakter van het verschoningsrecht in de rechtsstaat, zwaar aan. Verweerder heeft met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Rekening houdend met het betoonde inzicht van verweerder en gelet op alle omstandigheden van dit geval heeft het hof aan verweerder de maatregel van een berisping opgelegd.