ECLI:NL:TGZRSHE:2026:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8095

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:84
Datum uitspraak: 06-05-2026
Datum publicatie: 06-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8095
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft ernstige psychische problemen en wordt in 2024 met een zorgmachtiging opgenomen in een psychiatrische instelling. Zij dient een klacht in tegen de psychiater over maatregelen die op een specifieke dag zijn genomen, zoals het innemen van haar telefoon, en dat sprake is van gebrekkig overleg, intimidatie, onjuiste uitspraken over autisme en onjuiste dossiervoering. Het tuchtcollege acht de klacht ongegrond. De maatregelen die zijn ingezet waren gerechtvaardigd, proportioneel en zorgvuldig, er was geen sprake van intimidatie of onjuiste uitspraken over autisme en het dossier is correct bijgehouden.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 6 mei 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C], wonende te [B],

tegen

[D],
psychiater, werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de psychiater
gemachtigde: mr. J.A. De Clerck werkzaam in Utrecht.\

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster heeft psychische problemen en is op basis van een rechterlijke zorgmachtiging van 9 
tot en met 26 augustus 2024 opgenomen geweest bij de HIC van een zorginstelling voor jeugdigen in 
verband met een klinische second opinion. Onder dezelfde zorgmachtiging is zij van 26 augustus tot 
en met 30 september 2024 (her)opgenomen op de afdeling jeugd van de instelling waar verweerder 
werkzaam is. Op 4 september 2024 zijn er maatregelen genomen in een poging de neerwaartse spiraal 
waarin klaagster terecht was gekomen, te doorbreken. Volgens klaagster waren deze maatregelen niet 
proportioneel en subsidiair, is hierover geen verplicht vooroverleg gevoerd, is klaagster 
geïntimideerd/bedreigd en heeft verweerder nagelaten om een 24-uursbeoordeling te houden. Ook zou 
verweerder onjuiste uitspraken hebben gedaan over autisme bij vrouwen in het algemeen en bij 
klaagster in het bijzonder.

1.2   Verweerder heeft – kort gezegd – toegelicht hoe hij tot het beleid op 4 september 2024 is 
gekomen, op welke wijze dit is gecommuniceerd en wat zijn eigen rol hierin is. Verweerder heeft 
bestreden dat is gehandeld in strijd met de richtlijnen en heeft betoogd dat hij niet 
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.3  Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en de klacht daarom ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2025;
-  de brief van 17 februari 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster;
-  de reactie met bijlagen van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 28 februari 2025;
-  het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2025;
-  de brief met bijlagen van 13 augustus 2025 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van 
klaagster op 15 augustus 2025;
-  het proces-verbaal van het op 27 augustus 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek met aangehecht 
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van klaagster en de reacties van partijen op het 
proces-verbaal;
-  twee bladzijden met steekwoorden van de gemachtigde van klaagster, overgelegd tijdens het 
mondeling vooronderzoek;
-  de brief van 4 februari 2026 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 5 
februari 2026;
-  de brief van 12 februari 2026 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 13 
februari 2026;
-  de brief van 17 februari 2026, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 18 februari 2026;
-  de brief van 18 februari 2026, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 19 februari 2026;
-  een usb stick, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 19 februari 2026;
-  de brief van 20 februari 2026 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 23 
februari 2026;
-  de brief van 25 februari 2026 met bijlage, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 27 
februari 2026;
-  de brief van 27 februari 2026 met bijlagen, per e-mail ontvangen van de gemachtigde van 
verweerder op 27 februari 2026 en per post ontvangen op 4 maart 2026.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 maart 2026. De gemachtigde van klaagster 
en verweerder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Klaagster was afwezig met bericht van 
verhindering. De gemachtigden en verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De 
gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij 
overhandigd.

3. De feiten
3.1   Klaagster was destijds minderjarig en is bekend met een restrictieve eetstoornis. Vanaf mei 
2024 is klaagster meerdere keren opgenomen geweest op de afdeling waar verweerder als kinder- en 
jeugdpsychiater werkt. Het betreft een afdeling voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar met 
verschillende complexe psychiatrische problemen. Er vinden opnames plaats op vrijwillige basis maar 
ook op basis van een maatregel tot verplichte zorg in het kader van de Wet verplichte geestelijke 
gezondheidszorg (Wvggz).

3.2   Bij beschikking van 9 augustus 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een zorgmachtiging 
afgegeven (geldig tot 9 februari 2025). In deze zorgmachtiging zijn de volgende vormen van 
verplichte zorg voor klaagster opgenomen:
a) toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of 
andere medische en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel 
vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
b) beperken van de bewegingsvrijheid;
c) insluiten;
d) uitoefenen van toezicht op betrokkene;
e) onderzoek aan kleding of lichaam;
f) onderzoek van de woon-of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke 
voorwerpen;
g) aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben 
dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
h) opnemen in een accommodatie.

3.3   Klaagster werd op 26 augustus 2024 onder de lopende zorgmachtiging opgenomen op de afdeling 
waar verweerder werkzaam is. Een collega van verweerder werd de hoofdbehandelaar van klaagster. 
Klaagster verbleef op een afdeling samen met zeven andere jongeren. Voorafgaand aan de opname is 
met een andere instantie, waar klaagster eerder werd behandeld, overleg gevoerd en is het 
bejegeningsadvies doorgenomen dat door deze instantie was opgemaakt. Klaagster wilde niet opgenomen 
worden, waardoor de heropname moeizaam verliep. Er was sprake van een poging om te ontsnappen en 
van trappen tegen een deur. Er was tijdens de opname ook sprake van het in holding moeten nemen – 
dat wil zeggen dat zij fysiek in bedwang moest worden gehouden – en het geven van noodmedicatie 
vanwege het aanhoudende verzet.

3.4   Op 30 augustus 2024 was sprake van ernstige overlast, veroorzaakt door klaagster. Er was 
sprake van het trappen tegen deuren en fysiek agressief gedrag naar medewerkers van de afdeling. Op 
31 augustus 2024 en 1 september 2024 was wederom sprake van ernstige overlast, veroorzaakt door 
klaagster. Het gedrag van klaagster had een groep ontwrichtende werking en er was geen geschikte 
ruimte beschikbaar om klaagster te kunnen laten uitrazen. Op 1 september 2024 heeft een gesprek 
plaatsgevonden met de ouders van klaagster. Besproken werd de mogelijkheid van overplaatsing naar 
de IC om klaagster tot rust te laten komen en te kunnen ontladen.

3.5   Op 2 september 2024 vond opnieuw een incident plaats, waarna is besloten om klaagster – onder 
verzet – over te brengen naar de IC op de volwassenenafdeling omdat de eigen IC bezet was. 
Klaagster en haar moeder ontvingen de aanzegging “beslissing en
mededeling tot verlenen van verplichte zorg” (krachtens artikel 8.9 Wvggz). In de aanzegging was onder meer opgenomen “insluiten”; “uitoefenen toezicht op betrokkene” en “aanbrengen 
beperkingen in vrijheid eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet 
doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen”. De motivering voor de insluiting 
was: “Insluiting is op dit moment noodzakelijk om het ernstig nadeel, dat voortvloeit uit agressie 
naar jezelf en anderen op de afdeling te verminderen.” De aanzegging is op diezelfde dag ook met 
klaagster en haar moeder besproken.

3.6   In het medisch dossier van klaagster is op 2 en 3 september 2024 – voor zover van belang – 
het volgende opgenomen:
(…) Persisterend acting-out gedrag (o.a.) om zich heen trappen en de afdeling af willen) en
niet in samenwerking met begeleiding, geen veiligheidsafspraken kunnen maken. (…)
Groepsontwichtend (…) Persisterende drang om weg te lopen van de afdeling om een suicidepoging te 
doen, niet in staat om veiligheidsafspraken te maken buiten de holding die IC sluit biedt om. (…)
afschalen (…) samenwerken en veiligheidsafspraken kunnen maken (…) niet wegrennen bij teruglopen 
naar de afdeling en veilig kunnen houden op de afdeling zelf (…) veiligheidsafspraken kunnen maken 
en nakomen omtrent groepsontwrichtend en onveilig gedrag op de groep.(…)

3.7   Met de afgegeven aanzegging van 2 september 2024 was het mogelijk om de telefoon van 
klaagster in te nemen. Als uitzondering op het basis IC-beleid mocht klaagster op 2 en 3 september 
2024 overdag haar telefoon hebben.

3.8   Op 4 september 2024 was verweerder bij de behandeling van klaagster betrokken omdat hij die 
dag dienst had op de afdeling. In het multidisciplinaire ochtendrapport is die dag de mobilisatie 
van klaagster naar de afdeling besproken. Vanwege de gebeurtenissen in de afgelopen dagen werd 
besloten om de telefoon niet meer in eigen beheer te laten. Voorts werden mobilisatiemomenten – een 
keer per dienst – afgesproken. Als ongewenst gedrag werd waargenomen tijdens een mobilisatiemoment 
zou klaagster weer worden teruggeplaatst op de IC. Een nieuw mobilisatiemoment zou dan de volgende 
dienst worden geprobeerd. Het plan werd aan klaagster en verweerder voorgelegd en ook het 
telefoonbeleid werd met klaagster besproken. Tijdens de bespreking vond opnieuw een incident plaats 
waarbij klaagster probeerde weg te lopen, heftig verzet toonde en probeerde om medewerkers te 
krabben. Uiteindelijk is klaagster door 5 personen in holding gehouden en heeft zij medicatie 
gekregen. Na de medicatie trok klaagster zich terug op het toilet. Om veiligheidsredenen is zij 
toen - onder verzet - verplaatst. Hierbij was verweerder niet aanwezig.

3.9   Dezelfde dag heeft klaagster verzocht om te mogen communiceren met behulp van briefjes. Het 
verzoek werd aan verweerder voorgelegd. Verweerder heeft besloten om dit verzoek niet in te 
willigen. Later die dag – in de middag – heeft verweerder klaagster bezocht. Zij was op dat moment 
rustiger maar wel verdrietig omdat zij dacht dat haar ouders waren overleden. Verweerder en een verpleegkundige hebben klaagster geprobeerd te kalmeren en aangegeven dat haar ouders onderweg waren.

3.10  Om 15.00 uur die dag heeft telefonisch overleg plaatsgevonden met de moeder van klaagster. 
Een collega van verweerder heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat klaagster die ochtend zonder 
mobiele telefoon op de IC-afdeling verbleef. Om 15.30 uur heeft verweerder contact opgenomen met de 
ouders van klaagster en het beleid van die dag besproken. Om
16.15 uur heeft nog een gesprek ter plaatse plaatsgevonden tussen de ouders van klaagster en 
verweerder. Op verzoek en in samenspraak met de ouders van klaagster zijn ingezette interventies 
enigszins aangepast. Onder meer werd afgesproken dat bij escalatie de ouders zo spoedig mogelijk 
zouden worden gebeld, ook in de nacht. Uiteindelijk is op 23 september 2024 in overleg met de 
ouders van klaagster besloten dat de behandeling elders zou worden gecontinueerd.

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat:
1. hij door het stellen van extra vrijheidsbeperkende maatregelen haar rechten heeft aangetast;
2. de extra maatregelen niet proportioneel en niet subsidiair waren;
3. er geen verplicht vooroverleg over deze maatregelen is gevoerd zowel niet met haar als met de 
ouders;
4. hij klaagster verbaal heeft geïntimideerd/bedreigd, terwijl zij in een gesloten ICU verbleef;
5. de verplichte beoordeling binnen 24 uur nadat klaagster op de ICU was opgenomen, in strijd is 
met “het toetsingskader 2016”, doordat hij de wensen van klaagster heeft genegeerd, hij een verzoek 
van klaagster aangaande verplichte zorg niet heeft toegekend en hij voorafgaand aan de beoordeling 
vrijheidsbeperkende maatregelen heeft genomen die niet waren geïndiceerd;
6. hij onjuiste uitspraken heeft gedaan over beoordeling van autisme bij vrouwen in het algemeen en 
bij klaagster in het bijzonder;
7. hij opzettelijk zijn dossierplicht heeft geschonden door de precieze gang van zaken op 4 
september 2024 niet of onjuist te vermelden.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel 1) rechten aangetast door het stellen van extra vrijheidsbeperkende maatregelen; 2) 
maatregelen niet proportioneel en niet subsidiair; 3) geen verplicht vooroverleg gevoerd en 5) geen 
verplichte beoordeling binnen 24 uur
5.2   Het college is van oordeel dat deze klachtonderdelen zich lenen voor een gezamenlijke 
behandeling. Klaagster heeft ter nadere onderbouwing van deze klachtonderdelen aangevoerd dat zij 
met name klaagt over de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 4 september 2024. Volgens 
klaagster is ten onrechte besloten dat zij niet meer het beheer over haar telefoon mocht hebben. 
Volgens klaagster was haar telefoon van belang omdat zij op die manier contact kon houden met haar 
ouders. Bij het ontbreken van contact zou sprake zijn van dwanggedachtes dat haar ouders zouden 
zijn overleden. Het communiceren met briefjes is ten onrechte afgewezen. Voor klaagster zou dit 
juist helpend zijn geweest en afwijzing was in strijd met het leveren van goede zorg. Er was 
volgens klaagster in het geheel geen sprake van een aanleiding om het op 4 september 2024 ingezette 
beleid te starten. Er ontbrak volgens klaagster een schriftelijke onderbouwing en bovendien zijn 
haar ouders niet tijdig ingelicht over het ingezette beleid. Volgens klaagster is de beslissing om 
niet meer te bellen in strijd met artikel 8.9.5 Wvggz en artikel 37 van het Verdrag inzake de 
rechten van het Kind (VRK).

5.3   Verweerder heeft opgemerkt dat het ingezette beleid is toegestaan in het licht van de door de 
rechtbank genomen beslissing die was neergelegd in de beschikking van 9 augustus 2024. Een 
beslissing op grond van artikel 8.9 Wvggz is ook tijdig aan klaagster en haar moeder uitgereikt en 
met klaagster en haar moeder besproken. In het licht van het gedrag van klaagster en de vele 
incidenten die zich in korte tijd op de afdeling hadden voorgedaan was het noodzakelijk om een 
interventie toe te passen en de impasse te doorbreken. Het doel was om klaagster meer gemotiveerd 
te laten zijn om terug te keren naar de afdeling. Het beperken van het gebruik of het innemen van 
een telefoon is onderdeel van dit beleid. Het ingezette beleid is ook met klaagster besproken. Dat 
klaagster volledig van haar ouders zou zijn afgehouden wordt door verweerder bestreden. Klaagster 
kon te allen tijde gebruik maken van de patiëntentelefoon op de afdeling. Verweerder is wel van 
mening dat het beleid met betrekking tot het innemen van de telefoon eerder met de ouders had 
kunnen worden besproken. Daarvoor heeft verweerder destijds ook zijn excuses aangeboden.

5.4   Het college komt tot het oordeel dat de klachtonderdelen 1), 2), 3) en 5) ongegrond zijn. 
Vooropgesteld wordt dat het niet verweerder is geweest die het beleid vanaf
2 september 2024 heeft uitgezet. Voor zover hem dat zou worden verweten, zouden de klachtonderdelen 
reeds daarom ongegrond zijn. Voor zover bedoeld is dat verweerder het beleid heeft toegepast en dit 
beleid niet heeft heroverwogen, geldt het volgende. Vast staat dat sprake was van een beschikking 
van de rechtbank waarin ook was opgenomen dat – kort gezegd – aan klaagster beperkingen mochten 
worden opgelegd, waaronder ook beperkingen haar eigen leven in te richten. Vast staat ook dat aan 
klaagster en haar moeder voorafgaand aan het ingezette beleid een brief is uitgereikt, inhoudende een artikel 8.9 beslissing. Daarin was onder meer opgenomen dat er sprake zou zijn van het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid van klaagster om haar eigen leven in te richten. Bovendien is specifiek gewezen op het innemen van 
communicatiemiddelen. Ook is uitdrukkelijk gewezen op de noodzaak van de insluiting. Gelet op de 
gebeurtenissen die tijdens de dagen voor 2 september 2024 op de afdeling hadden plaatsgevonden, de 
noodzaak om de veiligheid van de overige patiënten op de afdeling alsmede om de veiligheid van de 
medewerkers te waarborgen en de noodzaak om de impasse bij klaagster te doorbreken, kan het college 
volgen dat aan klaagster beperkende maatregelen zijn opgelegd. De waarschuwing en de uitgewerkte 
beperkingen zijn op schrift gesteld, besproken met de betrokkenen en niet te beschouwen als 
disproportioneel of niet-subsidiair. Gesteld noch gebleken is bovendien dat er sprake was van 
omstandigheden die ertoe zouden hebben moeten leiden dat verweerder het beleid zou moeten 
heroverwegen. Verweerder heeft dan ook op goede gronden dit beleid voortgezet.
Dat sprake is van handelen in strijd met het VRK kan het college niet volgen in het licht van het 
feit dat het opleggen van beperkingen wettelijk geregeld is en er sprake is geweest van een 
rechterlijke toetsing. Op grond van de afgegeven beschikking mochten de behandelaren, waaronder 
verweerder, deze beperkingen opleggen voor de betreffende periode.

Klachtonderdeel 4) klaagster verbaal geïntimideerd/bedreigd, terwijl zij in een gesloten ICU 
verbleef
5.5   Volgens klaagster heeft verweerder haar op 4 september 2024 rond 11.30 uur gesproken en, 
zonder volledig te zijn geïnformeerd over de eerdere incidenten, gemeend haar rechtstreeks te 
moeten aanspreken op haar gedrag en gedreigd met een aangifte in een ruimte waar zij onmogelijk weg 
kon. Er waren toen ook anderen aanwezig en klaagster was in holding genomen. Volgens klaagster was 
sprake van psychisch geweld.

5.6   Verweerder heeft bestreden dat sprake is geweest van psychisch geweld. Verweerder heeft 
klaagster aangesproken op haar gedrag, juist om klaagster ervan bewust te laten zijn dat zij haar 
eigen keuzes maar ook haar eigen verantwoordelijkheden heeft. Dit is een pedagogische interventie. 
Verweerder heeft klaagster in ieder geval willen meegeven dat escalatie en agressief gedrag 
onwenselijk zijn. Dat is op duidelijke toon gebeurd.

5.7   Het college oordeelt als volgt. Vast staat dat klaagster zich op 4 september 2024 niet heeft 
gehouden aan de afspraken die voor haar golden. Zo heeft klaagster geprobeerd om weg te lopen en 
heeft zij zich agressief gedragen tegenover verweerder en de andere medewerkers op de afdeling. 
Vast staat dat het uiteindelijk noodzakelijk was om klaagster medicatie toe te dienen. Het is voor 
het college goed te volgen dat verweerder op dat moment een pedagogische interventie heeft moeten 
plegen en aangenomen kan worden dat verweerder dat in ferme bewoordingen heeft gedaan. Hoewel het 
college zich kan voorstellen dat deze interventie in de beleving van klaagster heftig is geweest, 
kan dat in objectieve zin niet worden beschouwd als “psychisch geweld” of “het voeren van een 
schrikbewind” zoals klaagster beweert. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 6) onjuiste uitspraken gedaan over beoordeling van autisme bij vrouwen in het 
algemeen en bij klaagster in het bijzonder
5.8   Volgens klaagster neemt verweerder het standpunt in dat autisme bij vrouwen en meisjes niet 
zou bestaan. Dat zou ook gelden voor klaagster. Verweerder heeft uitdrukkelijk betwist dat hij een 
dergelijk standpunt zou innemen. Verweerder heeft aangegeven dat er nog geen afgeronde diagnostiek 
was. Dat blijkt ook uit het feit dat de diagnose autisme eerst op 15 oktober 2024 is gesteld, dus 
na de opname van klaagster op de afdeling van verweerder.

5.9   Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard. Ook 
aangenomen dat verweerder zich mogelijk kritisch heeft geuit over de vraag of sprake was van 
autisme bij klaagster en dat ook andere mogelijkheden dienden te worden overwogen, kan dit 
verweerder bezwaarlijk worden tegengeworpen. Er was immers sprake van een complexe casus. Dat 
verweerder heeft gekeken vanuit een meervoudig perspectief kan enkel als zeer zorgvuldig worden 
aangemerkt.

Klachtonderdeel 7) opzettelijke schending van de dossierplicht
5.10  Het college begrijpt deze klacht aldus dat klaagster in het dossier op verschillende momenten 
heeft geconstateerd dat het medisch dossier is aangevuld door verweerder dan wel op een later 
moment is gewijzigd. Dit heeft verweerder opzettelijk gedaan om de juiste gang van zaken te 
verbloemen.

5.11  Verweerder heeft aangevoerd dat de informatie in het medisch dossier van
4 september 2024 is opgestart door de co-assistent. Verweerder was de supervisor. Het is voor een 
supervisor passend en ook gebruikelijk om de verslaglegging van de co-assistent na te lopen en waar 
nodig toevoegingen op te nemen of iets te wijzigen. Dit geldt ook als het verslag is opgemaakt door 
de a(n)ios (arts (niet) in opleiding). Tijdens het gesprek dat verweerder die dag met de ouders van 
klaagster heeft gevoerd, zijn door de aios aantekeningen gemaakt in een Word-bestand. Later die dag 
is het verslag alsnog opgenomen in het elektronisch patiëntendossier, met aanvulling van de eigen 
herinneringen van verweerder. Verweerder heeft benadrukt dat de verslaglegging een zo volledig 
mogelijke beschrijving geeft van hetgeen heeft plaatsgevonden maar dat nooit sprake kan zijn van 
een letterlijke weergave. De focus ligt op de continuïteit van de zorg, niet op het letterlijk 
weergeven van een gesprek.

5.12  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel alleen al ongegrond moet worden verklaard 
omdat op geen enkele wijze is gebleken dat verweerder opzettelijk heeft gepoogd het medisch dossier 
van klaagster te wijzigen of de juiste gang van zaken heeft willen verbloemen. Ten overvloede wordt 
nog het volgende opgemerkt. Artikel 7:454 BW bepaalt dat de zorgverlener een dossier inricht met 
betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens 
over de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde verrichtingen bij een patiënt, en neemt andere 
gegevens daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt 
noodzakelijk is. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, bepaalt dit artikel niet dat van alle gebeurtenissen en 
gesprekken een letterlijk verslag moet worden gemaakt. Verweerder heeft daarover terecht opgemerkt 
dat de focus ligt op de continuïteit van de zorg, niet op een letterlijke weergave. Dat verweerder 
niettemin zo volledig mogelijk heeft willen zijn in de weergave van de gebeurtenissen op 4 
september 2024 valt enkel te waarderen. Het klachtonderdeel is
ongegrond.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Publicatie
5.14  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat de uitspraak andere zorgverleners die te maken krijgen met complexe casuïstiek, 
wellicht handvatten kunnen vinden hoe te handelen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding 
van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch 
Contact.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
I.M.E.A. van Eldonk, lid-jurist, K.P. Grootens, T.A. Wouters en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, 
bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 6 mei 2026.