ECLI:NL:TGZRSHE:2026:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8462
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:82 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8462 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster, echtgenote van de overleden patiënt, verwijt de huisarts dat hij bij een consult onvoldoende onderzoek heeft gedaan, een onjuiste diagnose (virusinfectie) heeft gesteld en een hartinfarct heeft gemist.Het tuchtcollege oordeelt dat de huisarts heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame huisarts verwacht mag worden. Op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek waren er geen aanwijzingen voor een hartinfarct en was aanvullend onderzoek niet geïndiceerd. Dat later een hartinfarct werd vastgesteld, maakt dit niet anders. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 6 mei 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster, gemachtigde: [C],
tegen:
[D],
huisarts, werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De 86-jarige echtgenoot van klaagster, verder te noemen de patiënt, werd op
29 april 2024
gezien door de huisarts. De huisarts concludeerde dat de patiënt een
virusinfectie had en gaf aan dat herstel twee tot drie weken zou duren. Op 4 mei
2024 is de patiënt
met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht omdat zijn situatie verslechterd
was. Hij is in mei
2024 overleden. Klaagster is de weduwe van de patiënt. De gemachtigde van klaagster
is haar
dochter.
1.2 Klaagster verwijt de huisarts dat hij onvoldoende onderzoek gedaan heeft. Hij
heeft een
onjuiste diagnose gesteld en zo het hartinfarct van de patiënt gemist. De patiënt
werd bij dit
consult begeleid door de gemachtigde van klaagster. Verweerder meent dat hij tijdens
het consult op
29 april 2024 voldoende onderzoek gedaan heeft en er geen bevindingen bestonden
die duidden op een
hartinfarct.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld
heeft en de verschillende klachtonderdelen ongegrond zijn. Hierna licht het
college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 7 mei 2025;
- de brief van 2 juni 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster;
- de stukken, ontvangen op 13 juni 2025 van de gemachtigde van klaagster;
- het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 12 augustus 2025 en per post op 14
augustus 2025;
- het proces-verbaal van het op 15 oktober 2025 gehouden mondeling vooronderzoek;
- de Richtlijn Acuut Hoesten, aangedragen door de gemachtigde van verweerder, ontvangen
op 16
oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. De gemachtigde
van klaagster
is verschenen. Verweerder was eveneens aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
De gemachtigde
van klaagster heeft haar standpunt mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerder
heeft een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Partijen
hebben de
vragen van het college beantwoord.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De patiënt had op 29 april 2024 om 09.10 uur een afspraak bij de huisarts.
Voor de
afgesproken tijd werd de patiënt door de huisarts binnengeroepen. De dochter van
de patiënt, tevens
gemachtigde van klaagster, was ook aanwezig.
3.2 De huisarts heeft in het patiëntdossier het volgende genoteerd (alle citaten
voor zover van
belang en letterlijk weergegeven):
“Consult – 08:52, 29-04-2024
R05 – Hoesten
Subjectief FRAN 29.04.2024 08:05: hoest erg, weet niet of hij koorts heeft. zeurende
pijn borst
Objectief T:36,8 O2sat:99%. pulm: nag. drukpijn intercostaal mn re naast sternum
Diagnose
Hoesten
Plan r/”.
3.3 De gemachtigde van klaagster heeft na dit consult dezelfde dag om 09.07 uur
de door de
huisarts voorgeschreven medicatie afgerekend.
3.4 Op 4 mei 2024 werd de patiënt opgenomen in het ziekenhuis vanwege een myocardinfarct
van de
onderwand. In mei 2024 is de patiënt overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts:
a) de snelheid waarin hij de diagnose gesteld heeft. Verweerder heeft de conclusie
gebaseerd op
slechts tweemaal beluisteren met de stethoscoop. Mogelijk binnen een minuut heeft
verweerder de
diagnose ‘virus’ gesteld en aangegeven: “u moet dit twee tot drie weken uitzieken”;
b) dat hij misschien maar vier minuten consult heeft gehouden;
c) dat hij geen aanvullend onderzoek en geen bloeddrukmeting heeft verricht, en
geen hartfilmpje
heeft gemaakt of laten maken;
d) dat hij geen temperatuur heeft gemeten. Bij afwezigheid van verhoging of koorts
had hij de
diagnose ‘virus’ kunnen herzien;
e) dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en zo het hartinfarct van patiënt
gemist heeft;
f) dat hij de pijn op de borst van patiënt heeft afgedaan als spierpijn;
g) dat hij de dochter van patiënt niet serieus genomen heeft bij haar opmerking
‘dat er veel
hart- en vaatziekten in de familie voorkomen’;
h) dat door zijn handelen patiënt in mei 2024 is overleden aan hartfibrilleren,
dat ontstaan is op
de plek in het hart waar eerder het hartinfarct was;
i) dat hij het onjuist (be)handelen van patiënt niet gemeld heeft bij de Inspectie
Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ).
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg verleend heeft die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college ziet aanleiding een aantal klachtonderdelen gezamenlijk te bespreken.
Klachtonderdelen a) de snelheid waarmee de diagnose gesteld is; c) dat verweerder
geen aanvullend
onderzoek heeft verricht, geen bloeddrukmeting en geen hartfilmpje heeft (laten)
maken; d) geen
temperatuur heeft gemeten; en f) de pijn op de borst van patiënt afgedaan heeft
als spierpijn.
5.3 Klaagster stelt dat verweerder zijn diagnose gebaseerd heeft op slechts tweemaal
beluisteren
met de stethoscoop. Hij heeft mogelijk binnen een minuut de diagnose ‘virus’ gesteld
en aangegeven:
“u moet dit twee tot drie weken uitzieken”.
5.4 Verweerder geeft aan dat hij de patiënt gevraagd heeft naar de duur, beloop
en aard van het
hoesten en of hij andere klachten had. De patiënt gaf toen aan een zeurende pijn
op de borst te
hebben. Verweerder heeft lichamelijk onderzoek gedaan op geleide van de anamnese
en de mate van
ziek zijn. Verweerder heeft de longen over zes longvelden beoordeeld met de stethoscoop.
Hij heeft
de temperatuur en het zuurstofgehalte van de patiënt gemeten. De algemene indruk
van verweerder was
dat de patiënt niet ziek was: hij had geen koorts, was niet bleek, had geen piepend
ademgeluid, was
niet benauwd, had een zuurstofgehalte van 99%, maar moest wel veel hoesten. De klachten
en
onderzoeken wezen allen naar een virale luchtweginfectie. Verweerder wijst erop
dat volgens de
NHG-richtlijn
“Acuut hoesten” een bloeddrukmeting of het maken van een hartfilmpje, gegeven zijn
bevindingen,
niet geïndiceerd waren. Voor wat betreft de zeurende pijn op de borst geeft verweerder
aan dat bij
lichamelijk onderzoek er druk op de borstkas aan de rechterkant was, wat past bij
spierpijn door
hoesten.
5.5 Het college stelt vast dat verweerder de temperatuur van de patiënt heeft gemeten
en dit
genoteerd heeft in het patiëntdossier. Of verweerder twee maal of de gebruikelijke
zes maal de
longen van de patiënt beluisterd heeft, is niet meer vast te stellen. Het college
oordeelt dat
verweerder het minimale wat hij geacht werd te doen gedaan heeft. Verweerder kon
op basis van hoe
de patiënt zich presenteerde een inschatting maken; en daar waar de patiënt vage
klachten had, er
niet ziek uit zag en niet transpireerde, kon verweerder de afweging maken geen verder
onderzoek te
doen. Dat verweerder de pijn op de borst van patiënt als spierpijn geduid heeft,
is in dat kader
verdedigbaar. Dat verweerder een andere diagnose had moeten stellen, is niet onderbouwd.
Deze
klachtonderdelen zijn ongegrond.
5.6 Het college overweegt ten overvloede dat de verslaglegging van het consult in
het
patiëntdossier beperkt was. Omdat verweerder het minimaal noodzakelijke gedaan heeft
en genoteerd
heeft, is dit echter in deze zaak onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van
een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel b) verweerder hield misschien maar vier minuten consult.
5.7 Klaagster schat dat het consult misschien nog geen vier minuten geduurd heeft.
De patiënt had
een afspraak om 9.10 uur, maar werd enkele minuten eerder binnengeroepen. Om 9.07
uur is de
voorgeschreven medicatie na het consult bij de apotheek afgerekend (gepind) en meegenomen.
5.8 Verweerder geeft aan niet meer te weten hoe lang het consult heeft geduurd;
vier minuten
lijken hem aan de korte kant. In het algemeen duurt een consult tien minuten, maar
kan korter of
langer duren op basis van de gepresenteerde complexiteit van de klachten. Ter zitting
geeft
verweerder aan dat hij niet weet of de tijden die vermeld staan in het patiëntdossier
de juiste
begin- en eindtijden zijn van het consult, omdat de praktijk was overgestapt op
een ander
registratiesysteem en aanvankelijk niet alles correct genoteerd werd.
5.9 Het college concludeert dat thans niet meer te achterhalen is hoe lang het consult
geduurd
heeft. De gemachtigde van klaagster weet het ook niet meer exact. Omdat niet kan
worden vastgesteld
dat het consult, gezien de aard van de klachten van de patiënt, tuchtrechtelijk
verwijtbaar kort
zou hebben geduurd, kan dit klachtonderdeel om die reden niet gegrond worden verklaard.
Het college
neemt hierbij mede in overweging dat een consult van korte duur niet betekent dat
het consult van
onvoldoende kwaliteit geweest is.
Klachtonderdeel e) verweerder stelde een onjuiste diagnose en heeft zo het hartinfarct
van patiënt
gemist.
5.10 Klaagster stelt dat verweerder de pijn op de borst heeft afgedaan als spierpijn,
terwijl er
op 4 mei 2024 in het ziekenhuis werd geconstateerd dat de patiënt vijf tot acht
dagen eerder een
hartinfarct gehad had. De cardioloog heeft dit tegen klaagster gezegd.
5.11 Verweerder geeft aan dat de klachten van de patiënt niet wezen op een hartinfarct.
Voorts
wijst hij erop dat cardiologen niet objectief kunnen vaststellen dat een hartinfarct
acht dagen
eerder plaatsgevonden heeft. Ook geeft hij aan dat in het verslag van het ziekenhuis
niet
weergegeven is wanneer dit hartinfarct plaatsgevonden zou hebben.
5.12 Het college stelt vast dat het standpunt van klaagster dat de patiënt ten tijde
van het
consult bij verweerder een hartinfarct doormaakte of doorgemaakt had, niet onderbouwd
is en niet
vast te stellen is. Om die reden kan het college evenmin vaststellen dat verweerder
een hartinfarct
gemist heeft. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel g) verweerder nam de dochter van de patiënt (gemachtigde) niet serieus
bij
haar opmerking ‘dat er veel hart- en vaatziekten in de familie voorkomen’.
5.13 Klaagster stelt dat er tijdens het consult aangegeven is dat de patiënt uit
een familie komt
met hart- en vaatziekten. Volgens klaagster gaf verweerder toen aan dat het echt
spierpijn was.
5.14 Verweerder geeft aan dat bij lichamelijk onderzoek sprake was van druk op de
borstkas aan de
rechterkant. Dat past bij spierpijn door hoesten. Hij kan zich niet herinneren dat
tijdens het
consult verteld is dat er veel hart- en vaatziekten voorkomen binnen de familie.
5.15 Het college stelt vast dat er in het patiëntdossier niet vermeld is dat er tijdens
het
consult gezegd is dat er hart- en vaatziekten in de familie voorkomen. Als de herinnering
aan een
gesprek van de één anders is dan dat van de ander en er geen andere aanknopingspunten
zijn te
vinden voor de juistheid van de stelling van - in dit geval - klaagster, kan het
college niet
vaststellen dat het klachtonderdeel gegrond is. Dit leidt ertoe dat het college
dit klachtonderdeel
ongegrond moet verklaren.
Klachtonderdeel h) door het handelen van verweerder is patiënt in mei 2024 overleden
en i)
verweerder heeft het onjuist (be)handelen van patiënt niet gemeld bij de Inspectie
Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ).
5.16 Klaagster stelt dat het hartfibrilleren, waaraan de patiënt is overleden,
ontstaan is op de
plek in het hart waar eerder het hartinfarct was (dat door verweerder is gemist,
zo begrijpt het
college het verwijt). Dit missen en het daaropvolgend overlijden had verweerder
bij de IGJ moeten
melden, aldus klaagster.
5.17 Verweerder geeft aan dat hij niet kan zeggen of het hartfibrilleren is ontstaan
op de plek
van het hart waar het hartinfarct was, aangezien hij niet betrokken was bij de behandeling
in het
ziekenhuis, als het al aangetoond zou kunnen worden. Voorts is de patiënt aan een
ander ziektebeeld overleden dan waarvoor hij bij verweerder kwam. Nu verweerder meent
niet verwijtbaar gehandeld te hebben, heeft hij geen melding gedaan bij de IGJ.
5.18 Het college stelt vast dat niet onderbouwd is dat het hartfibrilleren ontstaan
is op de plek
van het hartinfarct dat verweerder gemist zou hebben. Dit is naar het oordeel van
het college ook
niet vast te stellen. Het college verwijst naar hetgeen het onder 5.12 overwogen
heeft. Om die
reden hoefde verweerder de IGJ ook niet te informeren. Deze klachtonderdelen zijn
eveneens
ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.C.M. de Klerk, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
N.B. van der Maas, E. Jansen en T.A.W. Linssen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
J.J. Wackers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 6 mei 2026.