ECLI:NL:TGZRZWO:2026:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9060

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:63
Datum uitspraak: 01-05-2026
Datum publicatie: 01-05-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9060
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing: Verwijt aan een arts dat deze samen met een andere arts een geneeskundige verklaring heeft afgegeven over de patiënt, te weten de vader van klager. Verweerder stelt dat klager niet-ontvankelijk is. Het document (volgens verweerder geen medische verklaring) is ingebracht in een civielrechtelijke procedure, maar dat maakt nog niet dat klager een rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De voorzitter oordeelt dat klager een financieel belang in de civielrechtelijke procedure heeft, maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, zoals uit de Wet BIG voortvloeit. Kennelijk Niet-ontvankelijk.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Voorzittersbeslissing van 1 mei 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: mr. J. Hagers, advocaat in Amsterdam,

tegen

C,

(verslavings)arts,

werkzaam te E

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.C. Hiddinga, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

1. De zaak in het kort

1.1       Verweerder wordt verweten dat hij samen met een psychiater een geneeskundige verklaring heeft afgegeven over een patiënt, te weten de vader van klager. Verweerder stelt voorop dat klager niet-ontvankelijk is. Het document (volgens verweerder geen medische verklaring) is overgelegd in een civielrechtelijke procedure, maar dat maakt nog niet dat klager een rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Klager heeft namelijk een financieel belang in de civielrechtelijke procedure, maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, zoals uit de Wet BIG voortvloeit.

1.2       De voorzitter komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet ontvankelijk kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
  • het verweerschrift;
  • de repliek;
  • de dupliek.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     De voorzitter heeft de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De klacht en het verweer

3.1       Klager verwijt verweerder dat hij samen met een psychiater (waartegen eveneens een klacht is ingediend, zaak Z2025/9061) een geneeskundige verklaring heeft afgegeven over een patiënt, te weten de vader van klager. Klager meent dat deze verklaring is opgesteld in strijd met de daarvoor geldende professionele normen. De verklaring is door vader gebruikt in een civielrechtelijke procedure, waarin vader € 320.000,-- van klager vordert. Volgens klager werd hiermee gepoogd om aan te tonen dat vader in een bepaalde periode niet in staat was tot het nemen van rationele beslissingen. Klager is daarmee, zo stelt hij, rechtstreeks geraakt in een eigen belang.

3.2       Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Het bedoelde document is overgelegd in een civielrechtelijke procedure, maar dat maakt nog niet dat klager een rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet BIG of een naaste betrekking in de zin van artikel 47 Wet BIG. Klager heeft weliswaar een financieel belang in die procedure, maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, zoals uit de Wet BIG voortvloeit.

4. De overwegingen van de voorzitter

4.1       Artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG bepaalt dat een geregistreerde zorgverlener is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

  1. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die die beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1° degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2° degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3° de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen; [eerste tuchtnorm]

  1. enig ander dan onder a. bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. [tweede tuchtnorm]

Artikel 65, eerste lid, onderdeel a., van de Wet BIG bepaalt dat een in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door

een rechtstreeks belanghebbende.

4.2       De voorzitter merkt op dat klager niet namens zijn vader, de patiënt, klaagt, maar voor zichzelf. Zijn belang is niet gerelateerd aan de zorgverlening als zodanig. Evenmin wordt er in de bestreden verklaring een uitlating gedaan over klager. Klager kan daarom niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende onder de eerste tuchtnorm.

Ook onder de tweede tuchtnorm kan hij niet worden ontvangen. Klager heeft weliswaar een indirect, financieel belang, omdat de verklaring over vader is overgelegd in een gerechtelijke procedure waarin van hem, klager, geld wordt gevorderd. Een dergelijk belang heeft naar het oordeel van de voorzitter echter onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.

4.3       De voorzitter volgt klager ook niet in zijn argument dat hij – als hij niet als rechthebbende zou worden aangemerkt – geen rechtsmiddel zou hebben tegen artsen die zich in een familierechtelijk geschil mengen. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk bedoeld de kring van rechthebbenden te beperken. Het doel van het op de Wet BIG gebaseerde tuchtrecht is immers de bewaking van de kwaliteit in de gezondheidszorg. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het civiele procesrecht voldoende handvatten biedt om verweer te voeren tegen stellingen en processtukken van de wederpartij.


Slotsom

4.4       Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is.

5. De beslissing

De voorzitter verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk.
 

Deze beslissing is gegeven op 1 mei 2026 door P.A.H. Lemaire voorzitter, bijgestaan door
J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.