ECLI:NL:TADRSGR:2026:99 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-893/DH/RO 26-039/DH/RO 25-845/DH/RO/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:99 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar en twee klachtzaken. Verweerder heeft delen van zijn dossier uit een persgevoelige gewelds- en zedenzaak in een openbare prullenbak weggegooid. Het vertrouwen in de advocatuur is ernstig geschaad. Maatregelverweer slaagt niet. Voorwaardelijke schorsing van 2 weken met als bijzondere voorwaarde een coachingstraject. Toewijzing proceskostenvergoeding aan klaagsters. Eén gezamenlijke proceskostenveroordeling voor kosten van de NOvA en Staat. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 4 mei 2026
in de zaken 25-845/DH/RO/D, 25-893/DH/RO en 26-039/DH/RO
naar aanleiding van het dekenbezwaar en de klachten van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
deken
(zaaknummer: 25-845/DH/RO/D)
en
[klaagster 1]
(zaaknummer: 25-893/DH/RO)
[klaagster 2]
(zaaknummer: 25-893/DH/RO)
[klaagster 3]
(zaaknummer: 26-039/DH/RO)
klaagsters
gemachtigde: mr. X.B. Sijmons
over:
verweerder
gemachtigde: mr. W.B.M. Bos
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op respectievelijk 27 november 2025 en 3 december 2025 hebben klaagsters
bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 5 december 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend bij de raad.
1.3 Het dekenbezwaar en de klachten zijn gelijktijdig behandeld op de zitting
van de raad van 23 maart 2026. Daaraan hebben de deken, mr. Sijmons, verweerder en
mr. Bos deelgenomen. [Klaagster 1] en de pleegouders van [klaagster 3] waren ook aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar en de klachtdossiers, inclusief
bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerder
van 16 maart 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft een van de twee verdachten, de moeder van klaagsters, bijgestaan
in een persgevoelige gewelds- en zedenzaak. Klaagsters zijn slachtoffers in deze zaak.
2.3 Op 3 november 2025 heeft verweerder (delen van) zijn dossier uit deze gewelds-
en zedenzaak weggegooid in een openbare prullenbak tegenover een supermarkt. Daarin
stond ook het geheime adres van de pleegouders van een van de klaagsters in vermeld.
Het dossier is door een voorbijganger aangetroffen en vervolgens afgegeven op een
politiebureau.
2.4 Vanaf 12 januari 2026 is verweerder onder begeleiding van een coach, mr.
[M]. Verweerder heeft op 12 januari 2026, 26 januari 2026 en 4 maart 2026 coachingsessies
gehad met de coach.
3 KLACHT
3.1 De verwijten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerder wordt
verweten in strijd te hebben gehandeld met de kernwaarden integriteit en vertrouwelijkheid
en gedragsregels 1 en 3 lid 2.
3.2 De deken heeft ter zitting toegelicht het een goed idee te vinden dat verweerder
zich inmiddels laat begeleiden door een coach. Wel wenst hij een maatregel gekoppeld
te zien aan het volgen van dit coachingstraject, zodat hij daarop controle kan uitoefenen
als deken. Om die reden verzoekt de deken om een voorwaardelijke schorsing op te leggen
aan verweerder.
3.3 Klaagsters hebben daarnaast verzocht om een vergoeding van de forfaitaire
reiskosten, het griffierecht en de eigen bijdrage die zij hebben moeten betalen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft erkend dat hij fout heeft gehandeld en daarmee het vertrouwen
in de advocatuur heeft geschaad. Hij heeft toegelicht die bewuste dag in paniek te
zijn geweest vanwege de termijn van het pleidooi en dat hij, niet wetende wat hem
behelsde, zijn dubbele stukken in de prullenbak heeft gegooid. Daarvoor schaamt hij
zich nog steeds. Verweerder laat zich inmiddels begeleiden door een coach, wat al
tot positieve veranderingen heeft gezorgd. Verweerder heeft verzocht te volstaan met
een berisping, omdat een voorwaardelijke schorsing voor hem als te zwaar en beledigend
aanvoelt. Hij weet dat hij fout heeft gehandeld en een voorwaardelijke schorsing is
niet nodig om hem te houden aan zijn toezegging om het coachingstraject te doorlopen.
Verweerder heeft daarbij de suggestie gedaan dat zijn toezegging om het coachingstraject
te doorlopen wordt vastgelegd in een proces-verbaal, zodat de deken een dekenbezwaar
kan indienen als verweerder die toezegging niet naleeft.
5 BEOORDELING
5.1 Verweerder heeft erkend dat hij kernwaarden integriteit en vertrouwelijkheid
heeft geschonden door vertrouwelijke stukken uit het dossier weg te gooien in een
openbare prullenbak. Het dekenbezwaar en de klachten zijn dan ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerders handelen heeft het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad.
Verdachten en slachtoffers in strafzaken, zeker in (media)gevoelige zaken als onderhavige,
moeten ervan uit kunnen gaan dat hun dossiers vertrouwelijk worden behandeld. Met
zijn handelen heeft verweerder dat vertrouwen op grove wijze geschaad. De raad betrekt
daarin ook dat aan verweerder in het verleden meerdere waarschuwingen en een berisping
zijn opgelegd, waaruit een beeld ontstaat dat verweerder op momenten onvoldoende doordacht
te werk gaat. Dat beeld is ook ontstaan in onderhavige zaken. Gelet op dit tuchtrechtelijk
verleden en de ernst van het verwijtbare handelen, kan de raad niet volstaan met een
mildere maatregel dan een schorsing. Omdat verweerder inzicht heeft getoond in het
kwalijke van zijn handelen en actief stappen heeft genomen om herhaling daarvan te
voorkomen, zoals het inschakelen van zijn coach, zal de raad volstaan met een geheel
voorwaardelijke schorsing van twee weken. Daaraan zal de raad als bijzondere voorwaarde
verbinden dat verweerder een coachingstraject dient te doorlopen, zoals dat wordt
vastgesteld door verweerder in samenspraak met zijn coach en na goedkeuring door de
deken. De raad acht het voor de hand liggen dat verweerder, indien mogelijk, zijn
reeds gestarte coaching bij mr. [M] vervolgt.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klachten gegrond verklaart, moet verweerder op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagsters betaalde griffierechten van tweemaal
€ 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de proceskosten. Daarbij zal de
raad één proceskostenveroordeling opleggen, omdat de zaken gevoegd zijn behandeld.
Er is derhalve geen aanleiding voor drie proceskostenveroordelingen voor de behandeling
in één procedure (zie HvD 6 december 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:225, rov. 6.5.12). De
proceskosten bestaan uit het volgende:
a) € 50,- reiskosten voor [klaagster 1];
b) € 50,- reiskosten voor (de pleegouders van) [klaagster 3];
c) € 540,- (tweemaal € 176,- en eenmaal € 188,-) kosten voor rechtsbijstand aan
klaagsters;
d) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten, en
e) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 640,- (het in totaal van de in 7.2 onder a
tot en met c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden, betalen aan klaagsters. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum
van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
d en e genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar en de klachten gegrond;
- legt aan de maatregel van schorsing voor de duur van twee weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad
van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende
bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder een coachingstraject gaat doorlopen,
waarop de deken toezicht zal houden. Hierbij geldt het volgende:
• Verweerder zoekt in samenspraak met de deken een coach en meldt zich binnen
vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan bij deze, door de
deken, goedgekeurde coach;
• Verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van
aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken
in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken en de wijze waarop hij de
doelen zal gaan verwezenlijken. Daarnaast stemt verweerder met de deken af op welke
wijze en met welke frequentie hij de coaching met de deken evalueert en zal verweerder
zich aan de met de deken gemaakte afspraken houden;
• Verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van
het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit zijn inzet en het
resultaat van het traject blijkt;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt.
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan [klaagster
1] en [klaagster 2] gezamenlijk en € 50,- aan [klaagster 3];
- veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten van € 640,- aan klaagsters,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in overweging 7.4;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort
tot twee jaar.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A.T. Bol en A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.