ECLI:NL:TGZRSHE:2026:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8843

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:86
Datum uitspraak: 06-05-2026
Datum publicatie: 06-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8843
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: De inspectie verwijt de arts dat hij in de periode van juli 2021 tot en met februari 2022 ongeoorloofd off-label ivermectine en hydroxychloroquine heeft voorgeschreven voor de behandeling en/of preventie van COVID-19 en dat hij daarbij tevens in strijd heeft gehandeld met de destijds geldende normen voor het op afstand voorschrijven van medicatie. Daarnaast verwijt de inspectie de arts dat hij onvoldoende heeft samengewerkt met andere behandelaren. Het college komt tot het oordeel dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht gegrond is. Het college legt de arts de maatregel van berisping op en besluit tot openbaarmaking van die maatregel in het BIG-register.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 6 mei 2026 op de klacht van:


INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
klaagster, hierna: de inspectie,
vertegenwoordigd door de heer J.G.M. Werkhoven, inspecteur, mevrouw C. Hofstra van Benthem, coördinerend specialistisch inspecteur en mevrouw mr. C. Neve, senior juridisch adviseur,

tegen

[A],
destijds arts,
destijds werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. A.M. de Koning, werkzaam in Leiden.


Verweerder stond ingeschreven als basisarts in het BIG-register tot 22 oktober 2022. Hoewel 
verweerder niet meer is ingeschreven in het BIG-register, wordt hij in deze beslissing voor de 
leesbaarheid nog wel als arts aangeduid.

1. De zaak in het kort
1.1   De inspectie verwijt de arts dat hij in de periode van juli 2021 tot en met februari 2022 
ongeoorloofd off-label ivermectine (hierna: IVM) en hydroxychloroquine (hierna: HCQ) heeft 
voorgeschreven voor de behandeling en/of preventie van COVID-19 en dat hij daarbij tevens in strijd 
heeft gehandeld met de destijds geldende normen voor het op afstand voorschrijven van medicatie. 
Daarnaast verwijt de inspectie de arts dat hij onvoldoende heeft samengewerkt met andere 
behandelaren.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is en legt de 
arts als maatregel een berisping op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is 
verlopen. Daarna licht het college het oordeel toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
1. Het klaagschrift, ontvangen op 13 augustus 2025;
2. Het verweerschrift, ontvangen op 21 oktober 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. Verweerder was afwezig met 
bericht van verhindering, zijn gemachtigde was wel aanwezig. Namens de inspectie waren mevrouw C. 
Neve en de heer J.G.M. Werkhoven aanwezig. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht 
en de daarbij voorgelezen pleitnotities aan het college en de wederpartij overhandigd.

3. Wat is er gebeurd
3.1  Verweerder was basisarts en heeft zijn registratie in het BIG-register per 22 oktober 2022 op 
eigen verzoek laten doorhalen.

3.2   Ten tijde van de COVID-19-pandemie was de arts voorzitter van de vereniging Nederlands 
Teleartsen Genootschap (NTG). Ook nam hij deel aan het collectief ZelfZorgCovid19 (ZZC19), dat was 
opgericht door artsen.

3.3   Aanleiding voor het onderzoek van de inspectie naar het handelen van de arts was de melding 
die de inspectie op 3 februari 2022 ontving van een specialist ouderengeneeskunde met betrekking 
tot het voorschrijven van niet-geïndiceerde medicatie door de arts van onder andere HCQ en IVM aan 
een patiënte met COVID-19. Dit zou zijn gebeurd op verzoek van de zoon van patiënte. De arts zou 
zonder (voorafgaande) behandelrelatie, zonder kennis van de medische achtergrond of het dossier van 
patiënte en zonder overleg met de behandelend specialist ouderengeneeskunde (tevens 
hoofdbehandelaar), arts of waarnemend arts deze medicatie aan patiënte hebben voorgeschreven.

3.4   Daarnaast kwam de arts naar voren in twee andere onderzoeken van de inspectie als 
voorschrijver van recepten van HCQ en IVM ter behandeling en/of preventie van COVID-19. De 
inspectie heeft aanleiding gezien om de informatie uit de twee andere onderzoeken te betrekken in 
haar onderzoek naar het handelen van de arts.

3.5   Uit het onderzoek van de inspectie is gebleken dat de arts in de periode van juli 2021 tot en 
met februari 2022 voor de behandeling dan wel preventie van COVID-19 tientallen recepten HCQ en 
tenminste honderd recepten IVM heeft voorgeschreven aan patiënten.

3.6  Daarnaast is uit het onderzoek van de inspectie naar aanleiding van de melding op
3 februari 2022 gebleken dat de arts na enkel online c.q. telefonisch contact geneesmiddelen heeft 
voorgeschreven aan (de zoon van) patiënte. De arts heeft patiënte nooit persoonlijk ontmoet en 
beschikte niet over haar medicatiegegevens. Alvorens tot voorschrijven van de medicatie over te 
gaan, heeft de arts hierover ook geen mondeling contact gehad met de hoofdbehandelaar. De arts is 
voor wat betreft medicatiegegevens enkel afgegaan op de informatie van de zoon, die (ten onrechte) 
stelde dat patiënte geen medicijnen zou gebruiken. Daarnaast heeft de arts de juridische status van de zoon van patiënte c.q. de wilsbekwaamheid van patiënte niet gecontroleerd.

3.7   Ook is uit het onderzoek van de inspectie gebleken dat de arts bij de overige recepten die 
hij op afstand voorschreef, geen contact opnam met de huisarts of (hoofd)behandelaar van de 
patiënten over het advies en het voorschrijven van de (off-label) medicatie.

3.8   De inspectie heeft de arts een bestuurlijke boete opgelegd voor het off-label voorschrijven 
van medicatie. Daarnaast is ten aanzien van de arts een aantekening geplaatst als bedoeld in 
artikel 8:28 van het Uitvoeringsbesluit bij de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).

3.9  De arts werkt op dit moment niet meer in Nederland.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1   De inspectie verwijt de arts dat hij niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een 
redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener door:
a) het off-label voorschrijven van IVM en HCQ;
b) het op afstand voorschrijven van medicatie;
c) onvoldoende collegiale samenwerking.

Dit handelen levert volgens de inspectie een risico op voor de patiëntveiligheid en schaadt het 
vertrouwen van patiënten in de beroepsgroep en de gezondheidszorg. Ter zitting heeft de inspectie 
desgevraagd verzocht om de arts de maatregel van berisping op te leggen.

4.2   De arts heeft het college verzocht te oordelen dat zijn handelen – hoezeer ook in een 
uitzonderlijke tijd en context tot stand gekomen en achteraf bezien niet feilloos – niet zodanig in 
strijd is geweest met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden 
verwacht, dat een tuchtrechtelijke maatregel gerechtvaardigd is.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) het off-label voorschrijven van IVM en HCQ
5.2   Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft de inspectie het volgende aangevoerd. Het 
off-label voorschrijven van geneesmiddelen is geregeld in artikel 68 Geneesmiddelenwet (Gnw). Dit artikel bepaalt, voor zover relevant:
“1. Het buiten de door het College geregistreerde indicaties voorschrijven van geneesmiddelen is 
alleen geoorloofd wanneer daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn 
ontwikkeld. Als de protocollen en standaarden nog in ontwikkeling zijn, is overleg tussen de 
behandelend arts en apotheker noodzakelijk.”

Wanneer daarover binnen de beroepsgroep richtlijnen bestaan, wordt gesproken van de
a-grond. Indien deze richtlijnen er (nog) niet zijn, kan off-label voorschrijven na overleg van de 
arts met de apotheker, dit wordt de b-grond genoemd.

5.3   Het doel van artikel 68 Gnw is gelegen in het beschermen van de kwaliteit en veiligheid van 
de zorg. Algemeen aanvaard is dat uit artikel 68 Gnw enkele aanvullende zorgvuldigheidseisen 
voortvloeien, waaronder een verzwaarde informatie- en dossierplicht voor de arts en de plicht om de 
patiënt na toediening van het geneesmiddel te monitoren. Als vast komt te staan dat artikel 68 Gnw 
is overtreden, wordt niet meer toegekomen aan de vraag of voldaan is aan de aanvullende 
zorgvuldigheidseisen voor off-label voorschrijven.

5.4   De arts stelt zich op het standpunt dat hij op basis van het KNMG en/of NHG-standpunt de 
off-label medicatie mocht voorschrijven, mits was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.

5.5   Het college stelt vast, in navolging van de uitspraak van 12 maart 2025 van de Afdeling 
bestuursrechtspraak van de Raad van State (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer: 
ECLI:NL:RVS:2025:1032), dat vanaf juli 2021 duidelijk was dat er in ontwikkeling zijnde standaarden 
en protocollen bestonden van de Nederlandse beroepsgroep die het off-label voorschrijven van HCQ en 
IVM afraadden. De arts was hiervan ook op de hoogte en heeft de HCQ en IVM desondanks 
voorgeschreven.

5.6.  Het college is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat het off-label voorschrijven van 
IVM en HCQ door de arts in de periode van juli 2021 tot en met februari 2022 voor de behandeling 
van COVID-19 in strijd was met artikel 68, eerste lid, Gnw. Er bestonden geen standaarden of 
protocollen (al dan niet in ontwikkeling) van de beroepsgroep die het off-label voorschrijven van 
IVM en HCQ aanbevalen. Integendeel, er bestonden juist in ontwikkeling zijnde standaarden en 
protocollen van de Nederlandse beroepsgroep die het
off-label voorschrijven van deze geneesmiddelen afraadden. Het college stelt vast dat artikel 68 
Gnw met het voorschrijven van ICM en HCQ bij COVID-19 door de arts is overtreden.
Door het overtreden van artikel 68 Gnw wordt niet meer toegekomen aan de vraag of aan de 
aanvullende zorgvuldigheidseisen voor off-label medicatie voorschrijven is voldaan. De arts mocht 
in de gegeven situatie überhaupt geen IVM of HCQ voorschrijven aan patiënten voor de behandeling 
van COVID-19. De arts heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel b) op afstand voorschrijven van medicatie
5.7  De inspectie verwijt de arts dat hij onzorgvuldig medicatie heeft voorgeschreven op afstand en 
hierover adviezen heeft gegeven.

5.8   Zij verwijst hierbij naar artikel 67 Gnw dat bepaalt dat het voor eenieder verboden is via 
internet geneesmiddelen voor te schrijven aan personen die de voorschrijver nog nooit persoonlijk 
heeft ontmoet, of die de voorschrijver niet kent of van wie de voorschrijver de medicatiehistorie 
niet beschikbaar heeft.

5.9   De inspectie vermeldt daarbij dat zij tijdens de COVID-19 pandemie onder een aantal 
voorwaarden de mogelijkheid gedoogde voor het digitaal voorschrijven van geneesmiddelen zonder 
voorafgaande persoonlijke ontmoeting omdat het juist vaak nodig was om fysiek contact te vermijden 
als hulpverlening online en veilig kon worden geboden. De hieraan verbonden voorwaarden luidden:
-  Bij een patiënt die nog niet eerder fysiek is gezien door de voorschrijver, zijn recepten na een 
   video-consult mogelijk als de waarnemer of vervanger of voorschrijver het actuele 
   medicatieoverzicht (inclusief allergieën) van de patiënt kan inzien.
-  In alle gevallen informeert de waarnemer of vervanger of voorschrijver zo spoedig mogelijk 
   daarna de hoofdbehandelaar en/of de huisarts van de patiënt.
-  In gevallen van overmacht waarbij voorschrijven van medicatie strikt noodzakelijk is omdat de 
   veiligheid van de patiënt in het geding is, legt de voorschrijver de afwegingen hierover goed vast.

5.10  De arts is van mening dat hij binnen deze grenzen van de inspectie heeft gehandeld. Hij 
beschikte in de meeste gevallen over relevante medische informatie , nam telefonisch een anamnese 
af en informeerde naar de voorgeschiedenis van patiënten, teneinde de
risico’s en baten van de behandeling af te wegen.

5.11  Het college stelt vast dat het op afstand voorschrijven van medicatie in de periode van de 
COVID-19 pandemie was toegestaan, mits voldaan aan de door de inspectie gestelde voorwaarden. Het 
college stelt vast dat de arts het medicatieoverzicht van de patiënten niet kon inzien. De 
informatie waarover de arts aangaf te beschikken was niet gebaseerd op informatie van de huisarts 
of een andere (hoofd)behandelaar, waar de arts zelf inzage in had. Het college overweegt dat het 
bij het digitaal voorschrijven van medicatie zonder voorafgaand persoonlijk contact met de patiënt 
van wezenlijk belang is dat de voorschrijver kennisneemt van de actuele medicatiegegevens en deze, 
voor zover nodig, verifieert en raadpleegt.

5.12  Daarnaast stelt het college vast dat de arts geneesmiddelen heeft voorgeschreven aan patiënte 
op basis van enkel de informatie uit een - door de zoon van patiënte ingevuld - online formulier en 
uit telefoongesprekken die hij met de zoon gevoerd heeft. De arts heeft de patiënte zelf nooit ontmoet. Ook beschikte hij niet over haar basis-set medicatiegegevens en was er, voorafgaand aan het voorschrijven, geen mondeling contact met de hoofdbehandelaar of een vervanger. De arts ging enkel af op de informatie van de zoon die (ten onrechte) stelde dat patiënte geen medicijnen zou gebruiken. Daarnaast heeft de arts de juridische status van de zoon 
van patiënte c.q. de wilsbekwaamheid van patiënte niet gecontroleerd.
5.13  Tevens is gebleken dat de arts geen contact opnam met de huisarts of (hoofd) behandelaar bij 
de overige recepten die hij op afstand voorschreef en geen contact opnam met de huisarts of 
(hoofd)behandelaar van de patiënten over het advies alsmede het voorschrijven van de (off-label) 
medicatie.

5.14  Het college is van oordeel dat de arts zich bij het op afstand voorschrijven van medicatie en 
het geven van advies, niet heeft gehouden aan de voorwaarden voor het terzijde stellen van het 
verbod van artikel 67 Gnw. Ook heeft de arts zich niet gehouden aan de door de beroepsgroep 
opgestelde en geldende normen voor het op afstand voorschrijven van medicatie. De arts heeft 
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel is daarmee gegrond.

Klachtonderdeel c) onvoldoende collegiale samenwerking
5.15  De inspectie verwijt de arts dat hij tekortgeschoten is in de (zorgvuldigheids-)normen voor 
samenwerking met collega-artsen wegens het gebrek aan overleg en informatie-uitwisseling en (als 
gevolg daarvan) het doorkruisen van ingezet behandelbeleid.

5.16  De arts betwist dat hij in strijd met de geldende normen heeft gehandeld. Voor zover overleg 
met de oorspronkelijke behandelaar is uitgebleven, was dat geen gevolg van nalatigheid of onwil, 
maar van de feitelijke context waarin de patiënt doelbewust - veroorzaakt door het weigerachtige standpunt van de oorspronkelijke behandelaar - buiten die behandelrelatie om een andere arts (i.c. hem) heeft benaderd. De arts acht het van belang dat in zulke situaties het uitgangspunt van collegiale samenwerking niet mag worden verabsoluteerd ten 
koste van de patiënt die actief op zoek is naar zorg en een beroep doet op de arts als geheimhouder, zeker in een crisissituatie zoals de COVID-19-pandemie. Naar de mening van de arts rest hem dan niets anders dan hierover te zwijgen.

5.17  Het college overweegt dat vast is komen te staan dat de arts (vrijwel) nooit contact opnam 
met de behandelaren van de patiënten over het advies en het voorschrijven van de (off-label) 
medicatie. Dit met als argument dat zijn beroepsgeheim hem daarbij in de weg stond. Door het 
ontbreken van intercollegiaal overleg heeft de arts niet kunnen overleggen over de aanwezigheid van 
eventuele contra-indicaties voor de door hem in te zetten behandeling en waren de behandelaren niet 
op de hoogte van de behandeling. Hoewel de arts een verklaring heeft gegeven voor zijn handelen, vormt dit naar het oordeel van het college geen excuus voor het uitblijven van samenwerking en collegiaal overleg. Integendeel, het was de verantwoordelijkheid van de arts om, alvorens tot voorschrijven over te gaan, zich ervan te vergewissen dat hij de bestaande behandeling niet doorkruiste en dat er geen sprake was van contra-indicaties. Deze verantwoordelijkheid heeft de arts niet genomen. Het college stelt vast dat de arts op dit punt ernstig is tekortgeschoten.
Ook het laatste klachtonderdeel is gegrond.

Slotsom
5.18  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond zijn.

Maatregel
5.19  Het college zal, gelet op de gegronde klacht, overwegen welke maatregel passend is.

5.20  De arts staat op dit moment niet meer ingeschreven in het BIG-register en werkt op dit moment 
niet in Nederland. Dat betekent dat het opleggen van de maatregel van schorsing of doorhaling niet 
mogelijk is. Het is echter niet uitgesloten dat de arts op enig moment terugkeert naar Nederland en 
zich op dat moment weer wil laten inschrijven in het BIG-register. Ook is niet uitgesloten dat hij 
zich in de toekomst elders in Europa als arts zal laten registreren, in welk verband in Nederland 
opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen voor registratie/toelating relevant kunnen zijn.

5.21  Gelet op de bewuste keuze van de arts om, ondanks de NHG-richtlijn, IVM en HCQ voor te 
(blijven) schrijven, het veelvuldig niet voldoen aan wettelijke vereisten (Gnw), de vereisten van 
de tijdelijke regeling voor online voorschrijven en het ontbreken van veilige intercollegiale 
samenwerking, heeft de arts in ernstige mate afgeweken van wat van een redelijk handelend en 
redelijk bekwaam arts mag worden verwacht. Ook weegt het college mee dat niet gebleken is van 
reflectie door de arts. Anderzijds heeft het college meegewogen dat de arts voor het off-label 
voorschrijven reeds een bestuurlijke boete heeft gekregen en er ten aanzien van de arts een 
aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 8:28 Uitvoeringsbesluit Wkkgz. Gelet op het 
voorgaande acht het college een berisping passend en geboden. In het belang van de individuele 
gezondheidszorg besluit het college, op grond van artikel 48, elfde lid, van de Wet BIG, tot 
openbaarmaking (in het BIG-register) van deze berisping.

Publicatie
5.22  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht gegrond;
-  legt de arts de maatregel van een berisping op;
-  besluit tot openbaarmaking van de maatregel van berisping in het BIG-register;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens, conform artikel 71 van de Wet BIG, in de Nederlandse Staatscourant 
   zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften: Tijdschrift 
   voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door E.C.M. de Klerk, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
N.B. van der Maas, E. Jansen en T.A.W. Linssen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
J.J. Wackers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 6 mei 2026.