ECLI:NL:TGZRSHE:2026:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7701
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:85 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7701 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | De ouders van een patiënte die door suïcide overleed, dienden een klacht in tegen haar psychiater, tevens geneesheer-directeur. Zij verwijten hem onder meer dat hij geen gedwongen opname heeft geregeld, geen medicatie heeft verstrekt bij ontslag, het medisch dossier niet heeft gedeeld en het overlijden niet heeft gemeld als calamiteit. Het tuchtcollege oordeelt dat de klacht ongegrond is. Het ingezette en door de psychiater, gedurende de paar dagen dat hij behandelaar was, voortgezette behandelbeleid (gericht op meer autonomie) was volgens de professionele normen en gezien de voorgeschiedenis van de patiënte verdedigbaar. De psychiater was niet betrokken bij het verstrekken van het medisch dossier en de medicatie bij ontslag. Hij was als geneesheer-directeur niet verantwoordelijk voor het melden van een calamiteit. Daarnaast was er geen sprake van fouten in de zorg die een melding verplicht maakten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 6 mei 2026 op de klacht van:
[A] en [B],
beiden wonende te [C],
klagers,
gemachtigde: mr. E.A.E.G.J. Libosan, werkzaam in Den Haag,
tegen:
[D],
psychiater,
werkzaam in [E],
verweerder,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klagers klagen over de zorg die verweerder heeft verleend aan hun dochter.
De dochter (verder te noemen patiënte) is in 2024 overleden door suïcide. Zij verwijten
verweerder dat hij aan de rechtbank heeft geadviseerd een verzoek tot gedwongen
opname af te wijzen
en heeft nagelaten haar medicijnen te verstrekken bij haar ontslag op de afdeling.
Voorts klagen
zij erover dat hij heeft geweigerd haar medisch dossier aan klagers af te staan
en dat hij het
overlijden van de dochter niet als calamiteit bij de
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft gemeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
1. het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2024;
2. de aanvulling op klachtonderdeel twee van het klaagschrift, ontvangen op 9 oktober
2024;
3. de brief van 18 november 2024 van de secretaris aan de gemachtigde van klagers;
4. het verweerschrift met bijlagen, per e-mail ontvangen op 13 december 2024 en
per post ontvangen
op 18 december 2024; van bijlage 1 heeft, met toepassing van artikel 67 lid
3 Wet BIG, alleen de
gemachtigde van klagers kennis kunnen nemen en niet klagers zelf;
5. de brieven van 23 december 2024 van de secretaris aan de gemachtigde van klagers
en aan de
gemachtigde van verweerder;
6. de brief van 24 december 2024 van de gemachtigde van verweerder, ontvangen op
30 december 2024;
7. de brief van 7 januari 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder;
8. de brief van 27 januari 2025 met bijlagen van de secretaris aan gemachtigde van
verweerder;
9. de aanvulling op het verweerschrift met bijlagen, ontvangen per e-mail op 3 februari
2025 en per
post op 6 februari 2025;
10. de brief van 21 februari 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder;
11. de aanvulling op het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2025;
van de bijlagen 9
en 10 heeft, met toepassing van artikel 67 lid 3 Wet BIG, alleen de gemachtigde
van klagers kennis
kunnen nemen en niet klagers zelf;
12. de brief van 21 maart 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klagers;
13. de brief van 27 maart 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klagers;
14. de brief van 4 april 2025 van de gemachtigde van klagers, ontvangen op 7 april
2025;
15. de brief van 27 februari 2026 met bijlagen van de gemachtigde van verweerder,
ontvangen op
2 maart 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 maart 2026. Klagers en verweerder
zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden en klagers hebben een pleitnotitie
voorgelezen en
aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte werd sinds 2020 behandeld vanwege chronische suïcidaliteit op basis
van een ernstige
persoonlijkheidsstoornis. Verweerder is als psychiater en als geneesheer-directeur
werkzaam bij de
instelling waar patiënte opgenomen is geweest. Patiënte is sinds 2020 24 keer opgenomen
geweest met
een totale opnameduur van 607 dagen, waarvan zeventien opnames op de HIC-afdelingen
(High &
Intensive Care).
3.2. Patiënte werd behandeld door het team AMBIT. Dat is een ambulant team, gespecialiseerd
in
vastgelopen en ontwrichte behandelrelaties. Het team bestaat uit psychologen, een
psychiater en
casemanagers. Verweerder is als psychiater werkzaam op de kliniek, maar maakte geen
deel uit van
dit team. Als geneesheer-directeur is hij wel op momenten betrokken geweest. In
februari 2024 heeft
AMBIT een autonomie-bevorderend beleid ingezet, gebaseerd op het daarvoor bestaande
protocol. Dit
beleid is ook in het zorgplan van klaagster vastgelegd.
3.3. Bij uitspraak van 10 mei 2024 heeft de Rechtbank ….. een verzoek van de officier
van justitie
tot verlenging van een op 4 mei 2024 opgelegde crisismaatregel voor klaagster afgewezen.
Voor zover
thans van belang is het volgende overwogen [alle citaten letterlijk weergegeven]:
(…)
De beoordeling
Betrokkene is chronisch suïcidaal. Recent heeft ze langs het spoor en op de snelweg
gelopen, heeft
ze handalcohol gedronken, het wapen van een politieagent afgepakt en meerdere keren
van de
spoedeisende hulp gevlucht. Tevens heeft ze zichzelf in brand gestoken. Ter zitting
is echter
gebleken dat een opname niet helpend is voor betrokkene. Door een opname ontstaat
er enkel verzet
en problematisch gedrag. Hierdoor is een opname niet doelmatig.
Gelet op bovenstaande blijkt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor
het verlenen van
zorg in een gedwongen kader. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen. (…).
3.4 Bij uitspraak van 29 juli 2024 heeft de Rechtbank ….. een verzoek van de officier
van
justitie tot verlenging van een aan klaagster op 24 juli 2024 opgelegde crisismaatregel
wederom
afgewezen. Daarbij is, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
(…)
De beoordeling
Bij betrokkene is er sprake van een ernstig verhoogd suïciderisico. Betrokkene heeft
zich recent
meermaals geprobeerd zichzelf te stranguleren en voor auto's te springen. In het
verleden heeft
betrokkene ook meerdere suïcidepogingen ondernomen. Ter zitting hebben de zorgprofessionals
echter
gepleit voor het niet voortzetten van de crisismaatregel. Volgens hen is een langere
klinische
opname niet doelmatig. Betrokkene is in het (recente) verleden meermaals opgenomen
geweest met een
crisismaatregel, hetgeen nooit tot een succesvolle behandeling heeft geleid. Ook
geeft ze bij de
zorgmedewerkers zelf aan dat ze niet opgenomen wil zijn. Volgens de behandelaars
werkt een gesloten
klinische opname juist contraproductief.
De advocaat bepleit wel een langdurige klinische opname om van daaruit traumabehandeling
mogelijk
te maken. Nu de betrokken zorgverleners van opvatting zijn dat er in de ambulante
setting enige
vooruitgang wordt geboekt, die in een klinische setting
weer teniet zal worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat gedwongen zorg, inbegrepen
een
opname in een accommodatie, thans niet doelmatig is.
Gelet op bovenstaande blijkt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor
het verlenen van
zorg in een gedwongen kader. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen. (…).
3.5. Op 10 augustus 2024 is patiënte opgenomen op de HIC waar verweerder als psychiater
werkzaam
was. Op 14 augustus 2024 is patiënte ontslagen. Verweerder was op 12, 13 en 14 augustus
de
behandelend psychiater van de dochter samen met een ambulant regie-behandelaar van
AMBIT.
3.6 Op 15 en 16 augustus 2024 heeft patiënte nog een gesprek gehad met twee verschillende
medewerkers van de instelling. Op .... 2024 is zij op 24-jarige leeftijd door suïcide overleden.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Verweerder wordt verweten dat hij:
1) patiënte de zorg heeft onthouden die patiënte behoefde en die haar veiligheid
zou hebben
gegarandeerd, namelijk een gedwongen opname. Verweerder wist of hoorde te weten
van het verhoogde
suïciderisico. Verweerder heeft dit risico ten onrechte beoordeeld als aanvaardbaar
en heeft ten
onrechte een autonomie bevorderend beleid ingezet en patiënte niet gedwongen laten
opnemen.
Verweerder heeft ten onrechte de ouders niet bij dit autonomie bevorderend beleid
betrokken en geen
second opinion gevraagd, terwijl verweerder wist dat patiënte geen verblijfplek
had en het
autonomie bevorderend beleid conflicteerde met de adviezen van de GGZ en de politie.
2) ten onrechte heeft gemeend dat het medisch dossier van patiënte niet kan worden
overgelegd aan
klagers. Dit dossier had moeten worden overgelegd aan klagers, omdat er sprake is
van
waarheidsvinding over het gevoerde beleid, het vermoeden van meerdere ernstige fouten,
dat het
doorbreken van het beroepsgeheim rechtvaardigt. Het medisch dossier had ook aan
klagers moeten
worden overgelegd, omdat de aanvraag is gedaan door de gemachtigde van klagers;
3) en/of de medewerkers van de instelling de dag voorafgaand aan het overlijden
van patiënte,
haar heeft heengezonden en haar de noodzakelijke medicatie heeft onthouden. Ook
heeft de
crisisdienst geweigerd om patiënte de noodzakelijke hulp te verlenen en de veiligheid
van patiënte
te garanderen, terwijl deze dienst wist of hoorde te weten dat er sprake was van
een verhoogd
suïciderisico;
4) geen melding heeft gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) na
het overlijden
van patiënte.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht klagers niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus
niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het tuchtcollege merkt allereerst op dat het zeer verdrietig is dat patiënte
is overleden.
Het college realiseert zich dat het overlijden van patiënte een enorme impact heeft
gehad op het
leven van klagers en hun gezin en dat dit nog altijd doorwerkt. Het college heeft
daar oog voor,
maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of klagers kunnen worden ontvangen
in de klacht.
Ook zal, als klagers kunnen worden ontvangen in hun klacht, op een zakelijke manier
moeten worden beoordeeld of verweerder de zorg heeft verleend
die van hem mocht worden verwacht.
De ontvankelijkheid
5.2 Verweerder heeft primair aangevoerd dat klagers niet-ontvankelijk verklaard
moeten worden in
de klacht omdat zij niet de wil van patiënte vertegenwoordigen. Patiënte heeft volgens
verweerder
tijdens haar behandeling uitdrukkelijk de wens geuit dat haar ouders niet bij de
behandeling
mochten worden betrokken. Verweerder heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen
naar
(passages uit) het medisch dossier.
5.3 Klagers zijn van mening dat zij moeilijk op deze stelling kunnen reageren, omdat
zij geen
kennis hebben kunnen nemen van de stukken waarop verweerder zich baseert. Zij achten
dit in strijd
met het beginsel van hoor en wederhoor. Daarnaast stellen zij dat hun dochter, als
gevolg van haar
geestelijke gesteldheid, wisselend was in de wens contact te onderhouden met haar
ouders, de
instelling, hulpverleners, politie en advocaat maar dat beide ouders zeer betrokken
waren bij de
dochter en dat vader waakte over haar veiligheid. Nog de avond voor haar sterfdag
heeft zij vader
gebeld en is deze naar haar toegegaan met de benodigde medicijnen en op de dag van
haar overlijden
heeft zij vader nog gebeld en gezegd: “ik kan niet meer”.
5.4 Het college overweegt als volgt.
Met betrekking tot de stelling dat er sprake zou zijn van handelen in strijd met
het beginsel van
hoor en wederhoor omdat artikel 67 lid 3 Wet BIG is toegepast, oordeelt het college
als volgt.
Hoewel uitgangspunt van artikel 6 EVRM is dat men kennis kan nemen van alle processtukken,
is dit
uitgangspunt niet een ongebreideld uitgangspunt. Door de wetgever kunnen op dit
uitgangpunt
beperkingen worden aangebracht in het belang van de openbare orde en de goede zeden.
Artikel 67 lid
3 Wet BIG is een door de wetgever in de wet verankerde bepaling die ziet op de bescherming
van de
persoonlijke levenssfeer van derden. Het is vaste jurisprudentie dat ook een overledene
in het
licht van dit artikel als derde wordt beschouwd en recht heeft op die bescherming.
Door de wetgever
is ook voorzien in een mogelijkheid om wel van de stukken kennis te kunnen nemen,
namelijk door de
professionele gemachtigde advocaat of een arts. Daarmee is het recht op hoor en
wederhoor voldoende
geborgd. Klagers hebben ook een professionele gemachtigde en deze is in de gelegenheid
gesteld de
stukken in te zien. Voor zover klagers met de toepassing van artikel 67 lid 3 Wet
BIG onvoldoende
hebben kunnen reageren, kan het college dit dan ook niet volgen. De professionele
gemachtigde is
bekend met de stukken en het recht van hoor en wederhoor is niet geschonden.
5.5 Voor wat betreft het verweer dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht
omdat klagers
niet de wil van patiënte zouden vertegenwoordigen, oordeelt het college als volgt.
In artikel 65
lid 1 sub a Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is vastgelegd
dat een
klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Bij een
rechtstreeks
belanghebbende dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de patiënt van een
zorgverlener. In de situatie dat de patiënt zelf niet meer in staat is een klacht
in te dienen vanwege overlijden, kan een naaste betrekking als rechtstreeks
belanghebbende worden aangemerkt. Uitgangspunt is dat bij een door een nabestaande
ingediende
klacht, de nabestaande de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Bijzondere
omstandigheden
kunnen er echter toe leiden dat aanleiding bestaat te twijfelen of de nabestaande
daadwerkelijk de
wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. De door verweerder daartoe aangevoerde
omstandigheden leveren die gerede twijfel niet op en wel om de volgende redenen.
5.6 De vraag of patiënte de ouders al dan niet bij de behandeling wilde betrekken,
is een andere
dan de vraag of klagers de veronderstelde wil van de patiënte vertegenwoordigen
bij een klacht over
haar behandeling. Er zijn geen aanwijzingen dat zij de kwaliteit van de zorg niet
zou hebben willen
laten toetsen. Daar komt bij dat klagers als ouders wel een regelmatig contact hadden
met patiënte,
dat in het dossier van patiënte ook is opgenomen dat de behandelaren contact hadden
met de vader
van patiënte over de behandeling, ook gedurende de behandelperiodes, en dat patiënte
door klagers
werd opgevangen als dat nodig was. Het college acht de ouders daarom ontvankelijk
in deze klacht en
komt tot een inhoudelijke beoordeling.
De criteria voor de beoordeling
5.7 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden op het moment van handelen. Ook geldt het uitgangspunt dat een zorgverlener
alleen
verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen. Verder is de toets niet of de psychiater
met de
kennis en wetenschap van achteraf anders had moeten handelen. Het gaat erom of de
psychiater op
basis van wat hij ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd wist of had
moeten weten,
heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater
mag worden
verwacht.
De rol van verweerder als psychiater en geneesheer-directeur.
5.8 Het is het college niet helemaal duidelijk geworden in welke hoedanigheid
verweerder wordt
aangesproken door klagers. Ook verweerder heeft daarover een opmerking gemaakt.
Vast staat wel dat
verweerder naast behandelend psychiater ook geneesheer-directeur is. Om mogelijke
verwarring te
voorkomen, is het college van oordeel dat op heldere wijze de verschillende rollen
moeten worden
benaderd. De geneesheer-directeur is namelijk verantwoordelijk voor het medisch
beleid en de
borging van patiënten rechten, maar treedt niet op als individuele behandelaar.
De regie over en
verantwoordelijkheid voor het persoonlijke behandelplan liggen bij de behandelend
arts of
regiebehandelaar. Juist is wel dat verweerder gedurende enkele dagen de rol van
behandelaar
vervulde. Op dat moment vervulde hij echter niet de rol van geneesheer-directeur.
Verweerder is
nimmer de regiebehandelaar van patiënte geweest. In de klachtonderdelen zal een
onderscheid worden gemaakt
tussen de rol van verweerder als behandelaar en als geneesheer-directeur.
Klachtonderdeel 1) verweerder heeft patiënte de zorg onthouden die zij behoefde en
die haar
veiligheid zou hebben gegarandeerd
5.9 Volgens klagers heeft verweerder ten onrechte een autonomie bevorderend beleid
ingezet. Zij
menen dat patiënte gedwongen had moeten worden opgenomen. Verweerder heeft de rechtbank
echter
geadviseerd dat dit niet doelmatig was en het suïciderisico als aanvaardbaar beoordeeld,
waarna de
rechtbank het verzoek tot gedwongen opname heeft afgewezen. Tevens heeft verweerder
de behandeling
gestaakt door de dochter op
14 augustus 2024 naar huis te sturen, terwijl zij geen vaste verblijfplek had en
hij aldus een
situatie heeft veroorzaakt die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dramatisch
zou
aflopen.
5.10 Verweerder voert het volgende verweer. Patiënte werd begeleid door team AMBIT
van de
instelling waar ook verweerder werkzaam is. Verweerder maakte geen onderdeel uit
van het team. Het
is ook het team geweest dat in februari 2024 heeft besloten tot een autonomie bevorderend
beleid.
Verweerder heeft dit beleid, als geneesheer-directeur van de instelling, getoetst
en aangegeven dat
hij dit beleid ondersteunde.
Dat team AMBIT de keuze heeft gemaakt voor een autonomie bevorderend beleid was
volgens verweerder
logisch na jaren van diverse opnames en inzet van verplichte zorg die patiënte als
traumatiserend
had ervaren. Ook eerder was al sprake van meerdere suïcidepogingen, een brandstichting
en agressie.
Ook in de ambulante setting waren er dagelijks of wekelijks incidenten van suïcidaal
en onaangepast
gedrag. Patiënte heeft in totaal 17 keer een crisismaatregel opgelegd gekregen.
Het team wilde dit
gedrag doorbreken en heeft daarom in februari 2024 gekozen voor de inzet van autonomie
bevorderend
beleid. Dit is ook met patiënte besproken en in het zorgplan vastgelegd. Autonomie
bevorderend
beleid is een richtlijnconforme behandelingsstrategie voor patiënten met chronische
suïcidaliteit,
waarbij in multidisciplinair verband bewust wordt gekozen om dwang, beheersmaatregelen
en herhaalde
crisisopnames te beperken, omdat deze interventies eerder aantoonbaar hebben bijgedragen
aan
escalatie en traumatisering. Het beleid is gericht op het doorbreken van vastgelopen
patronen, het
vergroten van de eigen regie en het op gang brengen van een intrinsieke hulpvraag,
met als
uiteindelijk doel het behoud van leven en perspectief.
5.11 Het college overweegt als volgt. Vaststaat dat verweerder alleen op 12, 13 en
14 augustus
2024 als behandelaar betrokken was bij de behandeling van patiënte. Verder heeft
hij uitsluitend
als geneesheer-directeur de behandeling van patiënte gemonitord. Omdat het in het
tuchtrecht gaat
over een persoonlijk verwijt, kan verweerder alleen een verwijt worden gemaakt over
de behandeling
op de dagen dat hij daadwerkelijk behandelaar was. Gelet op de onderbouwing van
de klacht door
klagers verwijten zij verweerder – zo begrijpt het college – dat verweerder enerzijds
niet akkoord
had mogen gaan met het autonomie bevorderend beleid en anderzijds dat verweerder
dit beleid als behandelaar had moeten aanpassen op 14 augustus 2024.
5.12 Voor zover het betreft het accorderen van het autonomie bevorderend beleid oordeelt
het
college dat de rol van verweerder als geneesheer-directeur niet verder gaat dan
dat hij enkel
beoordeelt of het voorstel tot behandeling navolgbaar is. Het college stelt vast
dat patiënte
blijkens het dossier een structureel patroon van agressief en suïcidaal gedrag vertoonde.
De vele
interventies creëerden zelden meer veiligheid, maar leidden, integendeel, tot meer
destructief
gedrag. Bovendien bezorgden de nodige interventies patiënte trauma’s, hetgeen een
mogelijke
verbetering eveneens in de weg stond. In het licht van deze feiten en omstandigheden
is het naar
het oordeel van het college navolgbaar dat team AMBIT begin 2024 heeft besloten
om een ander beleid
in te zetten. Dit is ook in overeenstemming met het voor de GGzE geldende “Protocol
Autonomie
bevorderend beleid bij chronische suïcidaliteit”. Het beleid is zorgvuldig neergezet
en uitgevoerd.
De rol van ieder van de behandelaren en zorgmedewerkers was duidelijk en het beleid
werd elke vijf
weken gemonitord door middel van een gesprek tussen team AMBIT en verweerder als
geneesheer-directeur. Verweerder heeft het beleid daarbij in april 2024 ook nog
door een collega
geneesheer-directeur laten toetsen en deze collega achtte het beleid passend. Naar
het oordeel van
het college heeft verweerder dan ook niet anders kunnen doen dan concluderen dat
het beleid
navolgbaar was. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.13 Verweerder was op 12, 13 en 14 augustus 2024 betrokken als behandelaar. Klagers
hebben
kennelijk bedoeld te stellen dat verweerder op dat moment had moeten twijfelen aan
het ingezette
beleid. Dit kan het college niet volgen, gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt
over de wijze
waarop het beleid tot stand is gekomen. Verweerder hoefde dus ook geen vraagtekens
te zetten bij
het ingezette beleid. Er hebben zich op dat moment ook geen voorvallen voorgedaan
die noopten tot
heroverweging van het ingezette beleid. Naar het oordeel van het college is dit
klachtonderdeel
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2) het medisch dossier is niet aan ouders vertrekt
5.14 Klagers klagen erover dat verweerder, althans de instelling, heeft geweigerd
het medisch
dossier aan klagers te verstrekken. Dit terwijl evident sprake was van specifieke
omstandigheden
die het vrijgeven van het dossier rechtvaardigden, namelijk waarheidsvinding met
betrekking tot het
gevoerde beleid.
5.15 Verweerder voert als verweer dat verstrekking de verantwoordelijkheid is van
de vaste
regiebehandelaar van patiënte. Verweerder was niet de regiebehandelaar. Verweerder
heeft wel, op
verzoek van de regiebehandelaar, geadviseerd.
Verweerder is overigens van oordeel dat de regiebehandelaar terecht het medisch
dossier niet ter
hand heeft gesteld aan de nabestaanden. Patiënte had daarvoor bij leven geen toestemming
gegeven,
zodat de inhoud onder het medisch beroepsgeheim valt. Volgens verweerder is er geen
sprake van een
specifieke omstandigheid die doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigt. Er
is geen sprake van een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 7:458a eerste lid
aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek.
5.16 Het college overweegt als volgt. Niet verweerder maar de regiebehandelaar is
verantwoordelijk
voor het al dan niet vrijgeven van een medisch dossier. In dit geval heeft de regiebehandelaar
van
patiënte beslist dat het dossier niet aan klagers werd verstrekt. Verweerder kan
geen verwijt
worden gemaakt dat hij het medisch dossier niet aan klagers of aan de gemachtigde
heeft overgelegd.
Dat de regiebehandelaar hierover vooraf advies heeft ingewonnen bij verweerder in
zijn hoedanigheid
van geneesheer-directeur, maakt dat niet anders. De regiebehandelaar dient daarin
een eigen
afweging te maken. In zoverre treft verweerder geen persoonlijk verwijt en heeft
verweerder ook
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.17 Dat het dossier niet aan klagers of aan de gemachtigde is verstrekt, acht het
college
overigens juist. Op grond van artikel 7:458 eerste lid aanhef en onder c BW wordt
een afschrift van
een dossier van een overleden patiënt verstrekt aan eenieder die een zwaarwegend
belang heeft en
aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift
van gegevens
uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Het enkele door
klagers
aangevoerde belang van waarheidsvinding en het vermoeden dat er meerdere ernstige
medische fouten
met betrekking tot het gevoerde beleid zijn gemaakt, volstaat niet. Op zijn minst
moet dat
vermoeden dan voldoende onderbouwd zijn. Concrete aanwijzingen daartoe hebben klagers
niet gesteld
en ook het college heeft daar in het dossier geen aanwijzingen voor gevonden. Dat
het medisch
dossier niet aan de gemachtigde is verstrekt, kan het college ook goed volgen. Klagers
hebben
kennelijk bedoeld te stellen dat de gemachtigde als belangenbehartiger en geheimhouder
van patiënte
altijd een recht op inzage zou hebben, maar dat blijkt niet uit artikel 7:458 BW
noch uit de
jurisprudentie op dit punt. Voor het inzagerecht en het recht op afschrift voor
de advocaat
dezelfde regels als die voor de nabestaanden. De arts mag de inzage dus weigeren
ter bescherming
van de belangen van de overledene. Op welke grond de gemachtigde van een overleden
patiënte wel
inzage zou moeten krijgen, is door klagers en de gemachtigde ook verder niet onderbouwd.
Dit
klachtonderdeel is ook daarom al ongegrond.
Klachtonderdeel 3) verweerder en/of de medewerkers van de instelling, heeft/hebben
de dochter
heengezonden en haar de noodzakelijke medicatie onthouden terwijl men wist dat er
een hoog
suïciderisico was
5.18 Volgens klagers hadden verweerder en/of de instelling patiënte niet naar huis
mogen sturen en
hadden ze haar medicatie moeten meegeven.
5.19 Verweerder merkt op dat patiënte vrijwillig op de HIC verbleef en dat het ontslag
heeft
plaatsgevonden in overleg met patiënte, de ambulant regiebehandelaar en verweerder.
Bij de
(ambulante) medicatie na het verlaten van de afdeling was hij niet betrokken. Daarvoor
was het team
AMBIT verantwoordelijk.
5.20 Het college overweegt als volgt.
Hiervoor heeft het college al geoordeeld het navolgbaar en daarmee niet verwijtbaar
te achten dat
verweerder het autonomie bevorderend beleid in de dagen 12, 13 en 14 augustus 2024
heeft
voortgezet. Het ontslag op 14 augustus 2024 is daarmee in overeenstemming.
Bij de verstrekking van de medicatie bij het verlaten van de afdeling was verweerder,
naar hij
onbetwist heeft gesteld, niet betrokken, zodat hem alleen al daarom daarvan geen
verwijt kan worden
gemaakt. Overigens is het volgens verweerder vast protocol dat een patiënt, wanneer
deze wordt
opgenomen, zijn van huis meegenomen medicatie inlevert. Deze medicatie wordt bewaard
en patiënten
krijgen de door de behandelaars op de afdeling voorgeschreven medicatie toegediend.
Wanneer een
patiënt de instelling verlaat, ontvangt hij of zij de meegebrachte medicatie retour.
Dit is door
klagers niet betwist. Onbetwist is ook dat bij patiënte op dezelfde wijze is gehandeld.
Toen zij de
instelling verliet, heeft zij haar van huis meegenomen medicatie geretourneerd gekregen.
Ook
onbetwist is dat patiënte de volgende dag een afspraak had met een ambulant zorgverlener
die haar
nieuwe medicatie kon voorschrijven. Daarmee was een voldoende geborgd vangnet voor
patiënte
gecreëerd.
Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4) het nalaten van het melden van de calamiteit bij de inspectie
5.21 Klagers stellen dat verweerder als geneesheer-directeur de suïcide als calamiteit
aan de
inspectie had moeten melden.
5.22 Verweerder heeft het verweer gevoerd dat er geen sprake was van een calamiteit
waarvoor een
melding nodig was. Er was geen sprake van verplichte zorg en/of een vrijheidsbenemende
maatregel,
waarvoor een verplichte melding geldt. Daar komt bij dat het melden van een calamiteit
niet aan
verweerder is, maar aan de instelling. Er heeft een intern onderzoek plaatsgevonden
door de
commissie suïcidescreening, waarbij niet verweerder maar een collega geneesheer-directeur
was
betrokken om de onafhankelijkheid te waarborgen. Die commissie heeft geen tekortkoming
in de zorg
geconstateerd.
5.23 Het college overweegt als volgt. Het bestuur van een zorginstelling, dat is
de raad van
bestuur en niet de geneesheer-directeur, dient een calamiteit te melden bij de inspectie.
Verweerder kan daarvan dus geen verwijt worden gemaakt.
5.24 Ten overvloede overweegt het college als volgt. Een suïcide is niet in alle
gevallen een
calamiteit waarvoor een meldingsplicht geldt. Als sprake is van een suïcide die
het gevolg is van
een tekortkoming in de zorg (bijv. het niet volgen van de richtlijnen), is wel sprake
van een
melding plichtige calamiteit op grond van artikel 11 WkkGZ. Als sprake is van verplichte
zorg of
een vrijheidsbeperkende maatregel, geldt eveneens dat een suïcide moet worden gemeld
bij de
inspectie. Van verplichte zorg of een vrijheidsbeperkende maatregel was geen sprake.
Dan blijft
over de vraag of sprake was van een suïcide die het gevolg was van een tekortkoming
in de zorg. Een
interne commissie van de instelling waar verweerder werkt, heeft onderzocht of sprake
was van een
tekortkoming in de zorg. Deze commissie heeft geoordeeld dat geen sprake was van
een calamiteit die
gemeld zou moeten worden. Uiteindelijk is de suïcide niettemin door een derde gemeld
bij de inspectie. De inspectie
heeft daarop uitleg aan de instelling gevraagd. Die uitleg was voor de inspectie
voldoende, zodat
er voor de inspectie geen reden was om een nader onderzoek in te stellen. Daarmee
staat voldoende
vast dat geen sprake was van een melding plichtige calamiteit.
Verweerder treft dus hoe dan ook geen verwijt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.25 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond,
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
I.M.E.A. van Eldonk, lid-jurist, K.P. Grootens, T.A. Wouters en H.J. Kolthof,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
op 6 mei 2026.