ECLI:NL:TADRSGR:2026:97 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-125/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:97
Datum uitspraak: 22-04-2026
Datum publicatie: 06-05-2026
Zaaknummer(s): 26-125/DH/DH
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over liegen in de tuchtprocedure kennelijk ongegrond. Klacht voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline  in het ressort Den Haag van 22 april 2026 in de zaak
26-125/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 16 februari 2026 met kenmerk K376 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagezonden stukken van klaagster van 5 maart 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 26 mei 2005 heeft klaagster een dienstongeval gehad tijdens haar werk bij een Penitentiaire Inrichting. In 2010 heeft klaagster de Minister aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Zij is sindsdien in een geschil verwikkeld met de Minister. 
1.2    Verweerder heeft in 2021, namens de Minister, met klaagster gecorrespondeerd. Ook heeft verweerder opgetreden namens de Minister in de procedures bij de CRvB naar aanleiding van verschillende herzieningsverzoeken van klaagster. 
1.3    Op 28 februari 2024 heeft klaagster bij de deken een (eerste) klacht ingediend over verweerder (bekend onder nummer K057 2024). Deze klacht ziet onder meer op tussen verweerder en klaagster gevoerde correspondentie in 2021 en verweerders reactie van 28 juli 2022 aan de CRvB in reactie op een herzieningsverzoek van klaagster. 
1.4    Bij brief van 20 juni 2024 heeft de deken haar visie gegeven op deze klacht. In de brief is aangegeven dat klaagster, als zij wenst dat de klacht zal worden voorgelegd aan de Raad van Discipline, het griffierecht binnen vier weken dient te voldoen.
1.5    Het griffierecht is niet tijdig door klaagster voldaan en de deken heeft het dossier op 22 juli 2024 gesloten.
1.6    Op 27 september 2024 heeft klaagster bij de deken een (tweede) klacht ingediend over verweerder (bekend onder zaaknummer K200 2024).  
1.7    Op 15 oktober 2024 heeft de deken haar visie gegeven op deze klacht. Klaagster heeft vervolgens het griffierecht betaald. 
1.8    Op 29 oktober 2024 heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid om nog te reageren op de klacht en de visie. In die reactie heeft hij onder meer geschreven:
“…is het wel glashelder dat ook deze klacht wederom voortborduurt op het geschil tussen klaagster en mijn cliënt.” 
1.9    Op 8 november 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K200 2024 van de deken ontvangen (bij de raad bekend onder zaaknummer 24-813/DH/DH).
1.10    Op 14 november 2025 heeft verweerder, namens de Minister, een aanvullende reactie ingediend bij de CRvB in de procedure naar aanleiding van het vijfde herzieningsverzoek van klaagster. In die reactie heeft hij onder meer geschreven:
“Uit de door verzoekster toegestuurde stukken blijkt dat zij op de zitting van 4 december a.s. (ook) zaken aan de orde wil stellen, die naar het oordeel van de minister buiten de omvang van het geding vallen. De minister geeft hierdoor reeds op voorhand aan dat hij zich bij deze zitting zal laten vertegenwoordigen, maar dat enkel verweer zal worden gevoerd in reactie op het herzieningsverzoek van verzoekster en de daarin door haar genoemde onderdelen.”
1.11    Op 19 december 2025 heeft klaagster bij de deken de onderhavige (derde) klacht ingediend over verweerder. 
1.12    Op 15 januari 2025 heeft de voorzitter van de raad van discipline de klacht met kenmerk 24-813/DH/DH kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.  In de voorzittersbeslissing is de klacht van klaagster als volgt geformuleerd: 
“Klaagster verwijt verweerder dat hij onjuiste informatie als waarheidsgetrouw poneert vanuit zijn advocatuurlijke vrijheid, terwijl hij hierbij klaagsters gerechtvaardigde belangen uit het oog verliest en weet dat deze informatie niet waarheidsgetrouw is en dat het niet afhandelen van klaagsters schriftelijke verzoeken een levensbedreigende situatie oplevert voor haar gezondheid. Klaagster heeft toegelicht dat het hele verweerschrift van verweerder bolstaat van de niet waarheidsgetrouwe informatie.”
1.13    Klaagster heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzet op 21 juli 2025 ongegrond verklaard. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij willens en wetens heeft gelogen in de tuchtprocedure om geen verantwoording te hoeven nemen, waarbij hij ter zitting tegenover een rechter bij de CRvB het tegenovergestelde verklaarde om zijn cliënt te vrijwaren van verantwoordelijkheid voor de onnodige en ontoelaatbare schade aan klaagsters gezondheid. 
2.2    Concreet verwijt klaagster verweerder het volgende:
a)    Verweerder heeft klaagsters noodkreten om de medische gegevens te herstellen onbeantwoord gelaten.
b)    Verweerder heeft gelogen in zijn eigen tuchtprocedure om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor het onbeantwoord laten van deze noodkreten om vervolgens de waarheid te spreken in het rechtsmiddel aangewend betreffende het geschil met zijn cliënt om daar geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor het onbeantwoord laten van klaagsters noodkreten.
c)    Er is sprake van een ernstige schending van de doelmatigheid door klaagster onnodige en ontoelaatbare schade toe te brengen aan haar leven, de gezondheidszorg en de rechter.
d)    Verweerder heeft eigenhandig paal en perk gesteld aan klaagsters klaagrecht en aan haar recht op goede en veilige zorg en heeft haar rechtspositie in deze verzwakt door haar eigen rechtsbijstand te verbieden om op te mogen komen voor klaagsters belang. Verweerder heeft haar (daardoor) elk recht op schadeloosstelling en behoud of herstel van medische gegevens, vertrouwen in de medische wereld, (recht op) goede en/of veilige zorg ontnomen. 
e)    Verweerder weigert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen en de onnodige en ontoelaatbare schade die hij heeft aangericht te herstellen.
2.3    Klaagster wijst op de aanvullende reactie van verweerder van 14 november 2025 waarin hij alles aanvoert wat volgen hem behoort tot het geschil met zijn cliënt en waarin niets terug is te vinden over de medische gegevens of de beroepsziekte depressie. Verweerder heeft in zijn reactie van 29 oktober 2024 gelogen om niet verantwoordelijk te zijn voor het onbeantwoord laten van klaagsters verzoek om levensgevaar en gezondheidsrisico’s af te wenden. Ondanks dat verweerder wist wat de noodzaak was van de medische gegevens naar waarheid terug te plaatsen en de gevolgen van 2 juli 2025 haar duidelijk waren, heeft hij in procedure 24-813/DH/DH volgehouden dat er sprake is van het ne bis in idem beginsel omdat klaagster zou klagen over hetzelfde in de brief van 2021.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op de klacht te reageren en in dat verband integraal verwezen naar de eerdere dekenvisie.

4    BEOORDELING
4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.2    De kern van de klacht lijkt te zijn terug te voeren op het verwijt dat verweerder in de tuchtprocedure (op 29 oktober 2024) heeft gelogen, terwijl hij daarna ter zitting bij de CRvB het tegenovergestelde heeft verklaard (zie 2.1 en 2.2 onder b). Hoewel deze klacht veel lijkt op de eerdere klacht in zaak 24-813/DH/DH, zijn de reacties van verweerder (van 29 oktober en 14 november 2025) niet concreet beoordeeld in die zaak. Van ne bis in idem lijkt daarom in dat opzicht geen sprake te zijn en de voorzitter zal dit verwijt daarom inhoudelijk beoordelen. 
4.3    Het aan verweerder gemaakte verwijt is echter niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daarom niet worden vastgesteld waarin precies de onjuistheid is gelegen van hetgeen verweerder in de procedure bij de CRvB namens zijn cliënt naar voren heeft gebracht. Van liegen door verweerder blijkt niet en evenmin blijkt van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder in de twee reacties. De klacht is daarom in zoverre kennelijk ongegrond.
4.4    De overige verwijten zijn naar het oordeel van de voorzitter een herhaling van de verwijten die in de eerdere klacht(en) aan de orde zijn geweest, te weten (de gevolgen van) het optreden van verweerder namens de Minister. In zaak 24-813/DH/DH is daarop al onherroepelijk beslist. Klaagster kan daar niet weer over klagen. De klacht is in zoverre dus kennelijk niet-ontvankelijk.  


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht onder 2.1 en 2.2 onder b) kennelijk ongegrond;

-    de klacht voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk;
steeds met toepassing van artikel 46j Advocatenwet.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.