ECLI:NL:TADRSGR:2026:94 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-146/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:94 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-146/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over privékwestie van de advocaat. Klacht deels kennelijkniet-ontvankelijk: klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij de klacht over misbruik van toevoeging, nog los van het feit dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster een toevoeging heeft aangevraagd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, omdat niet is gebleken dat verweerster zich in de kwestie in de privésfeer heeft gedragen op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
29 april 2026 in de zaak
26-146/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
gemachtigde: mr. S. van Aalst
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 25 februari 2026 met kenmerk K005 2026 en van de op
de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen
van de e-mail van mr. Van Aalst van 5 maart 2026 en de e-mail met bijlagen van klaagster
van 9 maart 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is de moeder van verweerster. Klaagster heeft een gehandicapte
dochter (M), de zus van verweerster. Klaagster en haar man zijn sinds 2005 gezamenlijk
mentor en bewindvoerder van M.
1.2 Klaagster en de man (de vader van verweerster) zijn vanaf 2023 verwikkeld
in een echtscheidingsprocedure.
1.3 Verweerster staat geregistreerd als één van de zorgverleners van M. Verweerster
heeft gedeclareerd uit het persoonsgebonden budget (PGB) van M.
1.4 In 2023 en 2024 zijn bedragen overgemaakt van de rekening van de man aan
verweerster (totaalbedrag € 155.905,-).
1.5 In januari/februari 2024 heeft de huisarts van klaagster medicatie voorgeschreven.
Op 9 februari 2024 heeft de huisarts schriftelijk bevestigd dat er een verkeerd recept
gemaakt is en dat het recept niet voor klaagster bedoeld was. Klaagster heeft hierover
een klacht ingediend tegen de huisarts. Deze klacht is kennelijk ongegrond verklaard
door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam .
1.6 Op 19 juni 2024 is namens de man bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend
om klaagster en hemzelf te ontslaan als bewindvoerders en mentor. Daarbij is verzocht
om verweerster en een andere zus gezamenlijk te benoemen tot bewindvoerder en mentor.
1.7 Op 10 juli 2024 heeft klaagster (als bewindvoerder en mentor van M) een sommatiebrief
aan verweerster gestuurd.
1.8 Op 4 januari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
1) Misbruik van zorggelden (PGB) en schending van financiële zorgvuldigheid in
de privésfeer.
Verweerster heeft gedurende meerdere jaren PGB-gelden ontvangen die waren bestemd
voor de zorg en ondersteuning van haar gehandicapte zus, zonder dat daar aantoonbare,
noodzakelijke en evenredige zorgverlening tegenover stond. Ondanks herhaalde verzoeken
om verantwoording af te leggen en de ontvangen gelden (€ 34.578,-) terug te betalen,
heeft zij structureel geweigerd daaraan gehoor te geven.
2) Onrechtmatige aanwending van gezinsmiddelen, mede bestemd voor een kwetsbare
derde, voor privédoeleinden en misbruik van positie.
Tijdens een lopende echtscheidings- en boedelverdelingsprocedure heeft verweerster
gezinsmiddelen, die haar niet toebehoorden en (mede) waren bestemd voor een kwetsbare
derde, ter hoogte van circa € 155.905,- opgenomen en onrechtmatig aangewend voor de
financiering van haar eigen woning, waarmee zij haar feitelijke en familiale machtspositie
heeft misbruikt.
3) Niet-nakoming van financiële verplichtingen uit hoofde van een geldlening.
Verweerster heeft van klaagster en haar vader een geldlening van € 20.000,- ontvangen,
welke ondanks herhaalde sommaties niet is terugbetaald, waarbij zij expliciet heeft
kenbaar gemaakt niet tot terugbetaling te zullen overgaan.
4) Afleggen van een feitelijk onjuiste verklaring onder ede (meineed).
Verweerster heeft in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders als getuige onder
ede een aantoonbaar feitelijk onjuiste verklaring afgelegd, welke verklaring een vertekend
beeld van de gezinssituatie heeft gegeven en van wezenlijke invloed is geweest op
het verloop en de verlenging van een buitenlandse echtscheidingsprocedure.
5) Structurele procesmatige beïnvloeding, escalatie en belangenverstrengeling
in familierechtelijke context.
Verweerster heeft zich, buiten haar rol als getuige in de procedures tussen haar
ouders, actief en structureel opgesteld als beïnvloedende actor in de lopende familierechtelijke
procedures. Door sturend en interveniërend optreden heeft zij bijgedragen aan onnodige
escalatie en verlenging van het conflict tussen de ouders, wat heeft geleid tot structurele
schade aan de onderlinge verhoudingen en aan de belangen van de kwetsbare derde (haar
gehandicapte zus).
6) Poging tot beïnvloeding van de Nederlandse rechterlijke besluitvorming in
procedures betreffende een kwetsbare derde.
In procedures gericht op het wegnemen van een gehandicapte dochter bij haar moeder
heeft verweerster stellingen ingenomen die feitelijk en juridisch ongefundeerd waren
en die door de Nederlandse rechter uitdrukkelijk zijn verworpen.
7) Misleiding van een huisarts en beïnvloeding van medische besluitvorming met
betrekking tot psychotrope medicatie.
Verweerster heeft zich zonder medeweten of toestemming van klaagster tot haar huisarts
gewend en daarbij onjuiste/misleidende informatie verstrekt, wat heeft geleid tot
het voorschrijven van psychotrope medicatie zonder medische grondslag. De huisarts
heeft zich nadien meermalen expliciet verontschuldigd.
8) Schending van de ethische verantwoordelijkheid van een advocaat jegens haar
ouders.
Verweerster heeft haar juridische kennis, professionele positie en het uit haar
hoedanigheid van advocaat voortvloeiende gezag ingezet binnen de familiale verhouding
tot haar ouders, in het bijzonder jegens haar moeder, zonder de vereiste professionele
distantie te betrachten.
9) Onrechtmatig en oneigenlijk gebruik van publieke middelen (misbruik van toevoeging).
Verweerster heeft, door het aanvragen en benutten van gefinancierde rechtsbijstand
(toevoeging) voor haar vader in de procedure tegen klaagster, terwijl zij wist dan
wel redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij niet voldeed aan de wettelijke inkomens-
en vermogenscriteria, bijgedragen aan onrechtmatig en oneigenlijk gebruik van publieke
middelen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat klaagster
niet-ontvankelijk is, omdat klaagster het tuchtrecht aanwendt ter voortzetting van
een persoonlijke vendetta. Klaagster gebruikt het als drukmiddel jegens verweerster.
Bovendien blijkt niet dat klaagster een rechtstreeks eigen belang heeft bij de klacht.
3.2 Verweerster heeft toegelicht dat klaagster al jarenlang verwikkeld is in
langdurige en complexe civielrechtelijke procedures in Turkije met de vader van verweerster.
Klaagster probeert verweerster bij deze geschillen te betrekken, terwijl verweerster
daarin geen enkele juridische of inhoudelijke rol speelt. De procedures die in Nederland
zijn gevoerd ten behoeve van M zijn behandeld door andere advocaten. De betrokkenheid
van verweerster heeft zich daarbij, uitsluitend op persoonlijke titel, beperkt tot
het invullen van een bereidverklaring inzake mentorschap en bewind. Verweerster betwist
de door klaagster gemaakte verwijten integraal en uitdrukkelijk.
3.3 Met betrekking tot klachtonderdeel 1 stelt verweerster dat klaagster door
het vermeende handelen niet in haar belang is getroffen en dat deze klacht ook om
die reden niet-ontvankelijk is.
3.4 Met betrekking tot klachtonderdeel 7 stelt verweerster dat de tuchtrechter
voor de gezondheidszorg zich hierover al heeft uitgelaten. Het (advocaten)tuchtrecht
niet is bedoeld om de uitspraak van de tuchtrechter voor de gezondheidszorg ter discussie
te stellen. Klaagster gebruikt het klachtrecht dan ook voor een ander doel dan waar
het voor bedoeld is.
3.5 Met betrekking tot klachtonderdeel 9 stelt verweerster dat zij geen toevoegingsadvocaat
is en niet staat ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Verder is het de vraag
of klaagster een rechtstreeks belang heeft bij vermeend misbruik van het toevoegingenstelsel.
Ook om die reden is de klacht niet-ontvankelijk.
3.6 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachten deels niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan belang
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een
tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 De voorzitter is van oordeel dat klaagster geen belang heeft bij haar klacht
over misbruik van toevoeging (klachtonderdeel 9). Los van het feit dat niet kan worden
vastgesteld dat verweerster een toevoeging heeft aangevraagd, geldt dat dit geen onderwerp
is waarbij klaagster een eigen, rechtstreeks belang heeft. Dat rechtstreeks belang
is er alleen voor degene namens wie de toevoeging wordt aangevraagd of voor de Raad
voor Rechtsbijstand als verlener van de toevoeging. Ook kan de deken daarover zo nodig
in het algemeen belang klagen. Klachtonderdeel 9 is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Toetsingskader overige klachten
4.3 Verder wordt vooropgesteld dat ook wanneer een advocaat optreedt in een andere
hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, het advocatentuchtrecht (artikel 46 en verder
van de Advocatenwet) voor hem kan blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid
gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal
in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk
advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt
kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat kunnen alleen dan tuchtrechtelijk
van belang zijn, indien er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of
als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut
ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.
4.4 Klachten over de advocaat in privé zijn daarom wel ontvankelijk. De voorzitter
zal de klachten hierna toetsen aan het hiervoor genoemde toetsingskader.
Beoordelingen overige klachten
4.5 De voorzitter stelt voorop dat de klacht geen betrekking heeft op gedragingen
van verweerster als advocaat van klaagster of als advocaat van de wederpartij, maar
op een kwestie die speelt in de privésfeer van verweerster. Enerzijds is sprake van
een procedure over bewind- en mentorschap over M, de dochter van klaagster en de zus
van verweerster. Anderzijds is sprake van geschillen naar aanleiding van de echtscheiding
tussen klaagster en haar (ex-)man, de vader van verweerster. Klaagster maakt verweerster
vergaande verwijten, maar onderbouwt die verwijten niet of nauwelijks.
4.6 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster
in de geschillen naar aanleiding van de echtscheiding een rol heeft gespeeld. Er zijn
kennelijk gelden overgeboekt van de rekening van de man naar verweerster, maar verdere
informatie daarover ontbreekt. De verdere (vergaande) verwijten worden door klaagster
niet of nauwelijks onderbouwd. Wel staat vast dat verweerster zich bereid heeft verklaard
om als mentor en bewindvoerder van M op te willen treden, in de door de man gestarte
procedure daarover. Van verdere betrokkenheid van verweerster bij deze kwestie blijkt
niet. De voorzitter ziet in dit laatste geen verband met de praktijkuitoefening van
verweerster.
4.7 De klachten gaan dus uitsluitend over een kwestie in de privésfeer van verweerster
en er blijkt niet van een verband met de praktijk van verweerster. Dat verweerster
zich in de kwestie in de privésfeer heeft gedragen op een wijze waardoor het vertrouwen
in de advocatuur wordt geschaad, is niet gebleken. De klachten zijn daarom kennelijk
ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel 9 kennelijk niet-ontvankelijk;
- de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond;
steeds met toepassing van artikel 46j Advocatenwet.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.