ECLI:NL:TADRAMS:2026:93 Raad van Discipline Amsterdam 26-032/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:93
Datum uitspraak: 04-05-2026
Datum publicatie: 08-05-2026
Zaaknummer(s): 26-032/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels gegrond. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend opgetreden in zijn bijstand aan klager. Ook heeft verweerder klager niet goed op de hoogte gehouden van de stand van zaken en alle ontwikkelingen in de procedure van klager. Verweerder heeft klager nauwelijks meegenomen in de correspondentie met onder meer de wederpartij en de rechtbank, waardoor klager bijvoorbeeld niet op de hoogte was van de datum van een rolzitting en hij ook over veel overige informatie niet beschikte. Klager heeft bij verweerder meermaals en herhaaldelijk aangedrongen op het verstrekken van informatie en het verkrijgen van duidelijkheid over de voortgang van zijn zaak, maar verweerder gaf hier niet of nauwelijks gehoor aan. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden kon en mocht worden verwacht. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, acht de raad de oplegging van een berisping passend.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam 
van 4 mei 2026 
in de zaak 26-032/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over:

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 8 augustus 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 
1.2    Op 22 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2510990/EvR/BF van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 3 februari 2026 en op 2 maart 2026 nagezonden stukken. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    In het najaar van 2023 heeft klager zich tot verweerder gewend voor het behartigen van zijn belangen in een geschil met een autoverkoper (hierna: de autoverkoper). 
2.3    In april 2024 is op verzoek van klager een dagvaarding aan de autoverkoper betekend. 
2.4    Op 7 november 2024 heeft bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, sector kanton (hierna: de rechtbank), een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de zaak van klager tegen de autoverkoper. Klager, een bij verweerder werkzame jurist (hierna: de heer J), als ook de autoverkoper en zijn advocaat (hierna ook: mr. P) waren hierbij aanwezig. In een proces-verbaal van de zitting zijn de volgende afspraken tussen partijen vastgelegd: 
“Partijen komen het volgende overeen: 
Partijen geven gezamenlijk opdracht aan [D] dan wel een nader door partijen overeen te komen deskundige, voor een onderzoek naar de bij produktie 4 van [klager] genoemde gebreken. [Mr. P] zal daartoe met [D] contact opnemen. 
De aan de [deskundige D] te stellen vragen worden door partijen gezamenlijk geformuleerd. Voor het geval partijen daar niet uitkomen, zal de kantonrechter gevraagd worden om de stellen vragen te formuleren. 
Voor alsnog worden de kosten van het voorschot van [deskundige D] door beide partijen voor de helft gedragen. 
De zaak wordt verwezen naar de rol van 4 februari 2025 voor akte uitlating partijen.” 
2.5    In een e-mailbericht van 4 januari 2025 heeft mr. P aan deskundige D, met de heer J in de cc, geschreven, voor zover relevant: 
“Op verzoek van de advocaten [klager]  en [de autoverkoper] verzoek ik U mij (nogmaals) mede te delen wanneer er op korte termijn een analyse c.q. keuring van de auto (…) plaats kan vinden met een kostenopgave vooraf. (…)”
2.6    Op 20 januari 2025 heeft mr. P een e-mail aan de heer J gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“Ik krijg van de [deskundige D] door dat een keuring wel meer dan 3000 Euro ex BTW kost. Dat noem ik misbruik van omstandigheden omdat de rechtbank de [deskundige D] aanwees. Is het een idee om ergens anders ANWB of anders de keuring te laten uitvoeren? De vermeende gebreken zijn namelijk volgens cliënte niet aan de orde en de auto is ook door hun garage gecontroleerd. Daarnaast zouden de kosten eerst ieder 50% worden gedragen. Graag verneem ik van u.” 
2.7    Op 5 februari 2025 heeft een andere bij verweerder werkzame jurist (hierna: de heer A) aan klager ‘ter info’ een van mr. P op 4 februari 2025 ontvangen e-mailbericht aan de rechtbank doorgestuurd. Dit e-mailbericht van mr. P aan de rechtbank van 4 februari 2025 heeft de volgende inhoud: 
“In aansluiting op de mail van [de heer J]  deel ik u mede dat omtrent de vragen overeenstemming was bereikt doch de [deskundige D] een exorbitant hoog bedrag wenst te berekenen en wij samen nog naar aanvaardbare alternatieven zoeken. (…) Ik verzoek u derhalve de zaak op de rol te plaatsen voor na een periode van 6 weken vanaf heden voor verdere uitlating.” 
2.8    Op 5 februari 2025 heeft klager een e-mail aan het kantoor van verweerder gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“Wat zijn de onderzoekskosten van de [deskundige D]? Graag wil ik aangeven dat ik alleen de auto door de [deskundige D] wil laten onderzoeken (…) Ik heb vertrouwen dat alleen de [deskundige D] echt onafhankelijk onderzoek gaat doen. Dus ik ga niet akkoord met een onderzoek door een andere garage dan [deskundige D].”
2.9    In een e-mailbericht van 4 maart 2025 heeft de heer J een offerte aangevraagd aan een andere deskundige (hierna: deskundige C), in plaats van deskundige D. 
2.10    Op 14 maart 2025 heeft deskundige C een offerte aan de heer J gestuurd. 
2.11    Op 23 maart 2025 heeft de heer J een e-mailbericht aan klager gestuurd met daarin: 
“Dank voor de update. Ik heb [deskundige C] om een offerte gevraagd en inmiddels gekregen, zie bijlage. Dit is helaas ook vrij prijzig, maar ze kunnen wel iets eerder aan de auto beginnen. Ik heb een en ander bij [mr. P] neergelegd voor overleg, ik hoop spoedig meer te weten.” 
2.12    Hierop heeft klager dezelfde dag gereageerd met: 
“Dank je wel voor de offerte. Ondanks de erg hoge kosten ben ik wel blij en vind ik het noodzakelijk dat de auto correct en geheel onafhankelijk onderzocht wordt. (…) Laat het wat mij betreft maar plaatsvinden.”
2.13    In een e-mailbericht van 28 maart 2025 heeft deskundige C aan de heer J geschreven: 
“Wij hebben nog geen reactie van u mogen ontvangen met betrekking tot uw akkoord op de offerte. Wij vernemen graag van u of u akkoord gaat en of de gereserveerde datum van 1 april 2025 kan doorgaan?”
2.14    Op 31 maart 2025 heeft mr. P namens beide partijen aan de rechtbank verzocht om de zaak op de rol aan te houden omdat naar verwachting door deskundige C de keuring kan worden uitgevoerd. Mr. P heeft daarbij geschreven: 
“[Deskundige D] is niet in de gelegenheid geweest en de kosten waren voor beide partijen niet aanvaardbaar.”
2.15    In een e-mailbericht van 2 april 2025 heeft de heer J, in een reactie op het bericht van klager van 23 maart 2025, aan klager geschreven, voor zover relevant: 
“Dank voor het bericht, ik heb een en ander ook besproken met de advocaat van de wederpartij, de wederpartij is akkoord met een onderzoek door [deskundige C]. De rechtbank is geïnformeerd dat we het onderzoek willen laten uitvoeren, ik zal [deskundige C] na ontvangst van akkoord van de wederpartij per mail de opdracht verstrekken en verzoeken dat ze de kosten splitsen over beide partijen. (…)”
2.16    In een e-mailbericht van 29 april 2025 heeft mr. P nogmaals aan de rechtbank verzocht om de zaak weer op de rol te plaatsen omdat er nog steeds geen deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden, ondanks overeenstemming tussen partijen. 
2.17    Op 27 mei 2025 heeft mr. P aan de rechtbank geschreven, voor zover relevant: 
“Namens gedaagde [de autoverkoper] deel ik U mede dat de door de wederpartij afgesproken keuring nog immer niet heeft plaats gevonden. Doordat de auto reeds lange tijd al gereed stond en staat wordt de positie van gedaagde alleen maar benadeeld . Ik verzoek U voor de laatste keer uitstel te verlenen bij gebreke waarvan wordt verzocht een Alfa garage te mogen inschakelen. (…)”
2.18    Op 28 mei 2025 heeft de heer A een e-mail aan klager gestuurd met daarin: 
“Bijgevoegd treft u de laatste brief van de rechtbank aan. Wij zijn nog steeds in gesprek met de wederpartij aldus heeft de kantonrechter de verdere behandeling van deze zaak uitgesteld tot 24 juni 2025.” 
2.19    Op 29 mei 2025 heeft mr. P een e-mailbericht aan de rechtbank gestuurd met daarin:
“Namens gedaagde (…) deel ik U mede dat de door de wederpartij afgesproken keuring nog immer niet heeft plaatsgevonden. Doordat de auto reeds lange tijd al gereed stond en staat wordt de positie van gedaagde alleen maar benadeeld. Ik verzoek U voor de laatste keer uitstel te verlenen bij gebreke waarvan wordt verzocht een Alfa garage te mogen inschakelen. Kopie van dit bericht gaat eveneens naar de wederpartij.” 
2.20    Op 1 juli 2025 heeft nog weer een andere bij verweerder werkzame juridisch medewerker (hierna: de heer O), een e-mail aan klager gestuurd met daarin: 
“Bijgevoegd treft u de laatste brief van de rechtbank aan. Wij zijn nog steeds in gesprek met de wederpartij aldus heeft de kantonrechter de verdere behandeling van deze zaak uitgesteld tot 22 juli 2025. Uiterlijk vóór 22 juli met er aan de rechtbank de stand van zaken doorgegeven worden. (…).” 
2.21    Diezelfde dag heeft klager een email aan het kantoor van verweerder gestuurd met daarin: 
“Waarover zijn jullie/wij dan nog in gesprek met de wederpartij??? De onderzoeksvragen waren al akkoord en voor de rest gebeurt er helemaal niks. Geen onderzoek, geen afspraak, niks! Wat is het euvel? Ik snap er niks van!” 
2.22    In een e-mailbericht van 4 juli 2025 heeft deskundige C aan klager geschreven, voor zover relevant: 
“Wij hebben opdracht gekregen vanuit uw RB verzekering, [kantoor verweerder], om technische expertise aan bovenstaand voertuig te behandelen.
Wij spreken het liefst af bij een garage om het onderzoek uit te voeren.
Kunt u aangeven wij welke garage u het onderzoek wil laten uitvoeren? Aan de hand van welke garage het is kunnen wij gericht een bezoekdatum overleggen.”
2.23    Op 8 juli 2025 heeft klager een e-mail aan het kantoor van verweerder gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“(…) Ik heb de [deskundige C] net zelf ook gebeld. Zij geven mij wederom een heel ander verhaal!!! Ze zeggen letterlijk…dat wij ZELF een locatie/garage moeten regelen waar de auto onderzocht gaat worden. Die locatie moeten wij doorgeven aan [deskundige C]. Dan gaat de [deskundige C] kijken wanneer zij daar een monteur kunnen regelen. (…). Dit moeten wij zelf regelen!!!!!!!! Ik ben erg teleurgesteld over hoe dit al maanden loopt aan te modderen!!!!!!! Voor mij is er al zoveel tijd verloren gegaan en geld uitgegeven aan dit gehele proces!!!!! (…) Graag hoor ik spoedig van je!!!!.” 
2.24    In een e-mailbericht van 10 juli 2025 heeft deskundige C aan klager geschreven, voor zover relevant: 
“(…) Zoals vermeld in onderstaande e-mail:
[Deskundige C] wordt door uw advocaat ingeschakeld om een technisch onderzoek aan uw voertuig uit te voeren. Wij leveren in feite uitsluitend een expert die het onderzoek verricht.
Hieronder vindt u de te volgen stappen: (…)”
2.25    Klager heeft voornoemd e-mailbericht dezelfde dag aan het kantoor van verweerder doorgestuurd en daarbij geschreven dat hij hoopt dat er nu daadkracht wordt getoond. Hierop heeft is op 11 juli 2025 namens het kantoor van verweerder gereageerd met, voor zover relevant: 
“De situatie had al de aandacht en jouw bericht is ook gezien en wordt naar gehandeld. Een meer omvangrijke terugkoppeling volgt. “
2.26    Op 11 juli 2025 heeft klager een e-mail aan deskundige D gestuurd met de mededeling dat er een paar maanden geleden een offerte is opgesteld voor een technisch onderzoek aan zijn auto en de vraag of hij deze offerte, of het bedrag, kan ontvangen. 
2.27    Hierop heeft deskundige D dezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant: 
“De betreffende offerte dateert van 30 april 2024, zodoende zal deze mogelijk niet meer geldig zijn.
Indien gewenst verzoeken wij u om de inhoudelijke aanvraag opnieuw in te dienen met de eventuele tussentijdse ontwikkelingen, mede gezien er ook reeds een zitting zou hebben plaatsgevonden. (…)”
2.28    Op 22 juli 2025 heeft deskundige C naar aanleiding van het e-mailbericht van 10 juli 2025 een herinnering gestuurd aan klager. 
2.29    Op eveneens 22 juli 2025 heeft klager verweerder een e-mailbericht gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“Op 7-11-2024 is tijdens de mondelinge zitting overeengekomen en vastgelegd dat er een onafhankelijk technisch onderzoek aan het voertuig (…)  zal moeten plaatsvinden. Beide partijen hebben hiermee ingestemd. Dit is inmiddels al 8,5 maand geleden! Ondanks meerdere herinneringen van mijn kant en die van  [deskundige C] heeft tot mijn grote verbazing [deskundige C], op het moment van schrijven, aangegeven dat het onderzoek nog steeds niet kan plaatsvinden, omdat de benodigde gegevens (zie ook mijn mail met bijlage van 10-7) nog steeds niet zijn verstrekt. Uw nalatigheid belemmert de voortgang van de zaak en brengt mijn rechtspositie in gevaar. Ik verzoek en verwacht dan ook dat u uiterlijk binnen 5 werkdagen alsnog alle vereiste gegevens verstrekt aan [deskundige C], zodat het onderzoek zonder verdere vertraging kan plaatsvinden! Indien u er met verkoper niet uitkomt, dient u dit direct te melden bij de rechter. (…) Tevens ontvang ik graag: 
- alle berichten die vanuit jullie en [mr. P] betreffende roldatums 28 mei 2025, 24 juni 2025 en van 22 juli naar de rechtbank zijn gestuurd. 
– de opgevraagde offerte van [mr. P aan de [deskundige D] (…)” 
2.30    Op 30 juli 2025 heeft klager een e-mail aan de rechtbank gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“In bovengenoemde zaak is op 7 november 2024 tussen partijen onder uw supervisie een bindende afspraak gemaakt en ondertekend om een gezamenlijk onafhankelijk technisch onderzoek te laten uitvoeren aan het voertuig dat onderwerp is van dit geschil. Inmiddels zijn wij ruim 8,5 maand verder. (…) In de berichtgeving vanuit de rechtbank, wordt meermaals aangegeven dat beide partijen in gesprek zijn. Mij is niet duidelijk waar beide partijen over in gesprek zijn. Sinds het overeenkomen van de onderzoeksvragen is er niet tot nauwelijks vooruitgang geboekt. (…) Vriendelijk verzoek ik u (…) 
– een redelijk termijn te stellen waarbinnen uitvoering moet worden gegeven aan de bindende afspraak; Te overwegen om, indien gewenst of noodzakelijk, een deskundige aan te wijzen via de rechtbank zelf conform artikel 194 Rv.” 
2.31    Op 5 augustus 2025 heeft klager verweerder een e-mailbericht gestuurd met daarin: 
“Op 22 juli 2025 heb ik u per mail dringend verzocht om mij o.a. de offerte van [deskundige D] toe te zenden die onderdeel uitmaakt van mijn dossier. Tot op heden heb ik geen enkele reactie van u ontvangen. Hiermee schendt u niet alleen de zorgplicht als advocaat, maar benadeelt u mij als cliënt in een lopende gerechtelijke procedure. Ik eis dat u mij uiterlijk binnen 4 werkdagen de betreffende offerte toezendt incl volledige inzage in mijn dossier, inclusief de ontvangen offertes van [deskundige D] en andere onderzoeksbureau’s, alsmede alle correspondentie tussen u en de wederpartij, rechtbank en/of derden. Indien ik wederom niets van u verneem, zie ik mij genoodzaakt een officiële klacht in te dienen bij de deken van de Orde van Advocaten, wegens nalatigheid, niet reageren, en potentieel cliëntschade. Ik wil dit voorkomen, maar laat mij niet langer in de wacht zetten.” 
2.32     Op 5 augustus 2025 heeft verweerder klager een e-mail gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“Onderstaande is de informatie waar je naar op zoek was: de offerte van [deskundige D]. Het is geen apart document, maar een bericht van [mr. P]. Het lijkt erop dat jouw contactmoment met [deskundige D] even later ervoor heeft gezorgd dat [deskundige D] gereageerd heeft naar [mr. P] en dat vervolgens bekend werd wat [deskundige D] in rekening zou willen brengen. (…) De vertraging ontstond omdat de onderzoeksvragen gezamenlijk in overleg met [mr. P] moesten worden geformuleerd en dat heeft vertraging teweeg gebracht. Dat geldt ook voor de uitvoering van de afspraak dat [mr. P] met [deskundige D] contact zou opnemen. Daarvoor heb ik [mr. P] ook moeten rappelleren (meermaals geloof ik zelfs). In een gesprek wil ik je deze omstandigheden toelichten, bepalen waar we nu staan en hoe nu verder incl alle mogelijkheden die jou ten dienste staan om dit zonder mij of met een andere advocaat, verder te (laten) behandelen. Maar eerst jouw zorgen en kritiek bespreken. Bel mij terug of geef aan wanneer het je uitkomt. Langskomen mag ook. (…) Ik ben er voor je.” 
2.33    Op 6 augustus 2025 heeft klager een e-mail aan verweerder gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“(…) 
Zoals aangegeven heb ik nadrukkelijk verzocht om de officiële aanvraag (inclusief de onderzoeksvragen) en de ontvangen offerte van [mr. P] aan [deskundige D], èn het volledige dossier zoals genoemd in de mail van 5.8.2025 per mail te ontvangen, en dat verzoek blijft staan. Zoals u weet zijn deze documenten essentieel voor de voortgang van mijn zaak en mijn belangenbehartiging. (…) De mail van [mr. P] is van 20.1.2025. Dat betekent dat daarvoor al de aanvraag is ingediend en de offerte is ontvangen, anders kan hij die claim niet maken. Toen was er al blijkbaar overeenstemming omtrent de onderzoeksvragen. Anders kun je geen offerte opvragen als dat nog niet is gebeurd. Ik benadruk nogmaals dat ik geen mondelinge communicatie meer wens en dat alle correspondentie per mail dient plaats te vinden. Ik verzoek u dringend om uiterlijk 8.8.2025 alle gevraagde stukken aan mij toe te sturen. Indien u hieraan niet voldoet, zie ik mij genoodzaakt een klacht in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten wegens het niet nakomen van uw informatieplicht en het nalaten van adequate belangenbehartiging.” 
2.34    Op 6 augustus 2025 heeft verweerder klager een e-mail gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“(…) 
[Deskundige C] of [deskundige D], het is mij om het even. U lijkt gehecht aan [deskundige D] te zijn en ik vermoed vanwege uw eerdere ervaringen daarmee. Onbekend maakt onbemind. [Deskundige C] kent u niet. (…) Ik lees dat u zelf meent dat [deskundige D] eerder en voor minder aan het werk wil gaan. Prima. Regel dit dan ook. Zorg voor de offerte en deel die met mij. Ik zal [mr. P] daarmee benaderen en om instemming vragen (…). Aanvraag [mr. P]: ik heb het mailbericht met u gedeeld. Meer heb ik niet in het dossier zitten. U vraagt mij om; de officiële aanvraag’ maar wat bedoelt u daarmee? Wilt u dat [mr. P] met ons deelt hoe hij tot die EUR 3.000 is gekomen waarvan hij mij bericht heeft gedaan? Daaraan tijd besteden is niet in uw belang. (…). Met u ben ik het eens dat dit dossier ‘de spuigaten uitloopt’. Maar dat was vooraf niet te voorzien en gelukkig is het ook zeldzaam. (…) Dat zie je ook terug in de kosten. Die zijn door mij gemaakt, maar door de opstelling van de tegenpartij veroorzaakt. Dit geldt ook voor de kantonrechter. Het is de rechter die een extra onderzoek wenselijk heeft geacht. (…) Daarom wilde ik ook samen bespreken ‘waar we nu staan’ en hoe nu verder. Nogmaals: kom bij mij langs, dat is sneller ingepland. (…).” 
2.35    Op 8 augustus 2025 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. 
2.36    Op 15 augustus 2025 heeft verweerder klager een e-mailbericht gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“(…) Drie opties: A) De rechtbank kan ik om uitstel vragen en zo nodig de klemmende reden vermelden voor het uitstel te weten de door u ingediende klacht over mij bij de Orde. B) Gelet op uw weigering om met mij te spreken, zoals ook vandaag gebeld maar u neemt niet op en belt mij ook niet terug, acht ik het raadzamer dat ik de werkzaamheden beëindig en de rechtbank bericht doe van mijn onttrekking. Er volgt dan een verlenging van de termijn voor antwoordakte met 2 tot 4 weken. Tijd voor u om zelf de behandeling ter hand te nemen of een opvolgend advocaat te introduceren. C) Wij hebben per ommegaande telefonisch overleg en gaan het uitpraten. U zit met zorgen en frustraties. Ik wil daar kennis van nemen en samen bespreken waar we staan en hoe het verder moet.” 
2.37    Op 16 augustus 2025 heeft klager verweerder een e-mail gestuurd me daarin, voor zover relevant: 
“Uw aanhoudende pogingen tot telefonisch contact ervaar ik als grensoverschrijdend, temeer daar u eenvoudig de mogelijkheid heeft mij schriftelijk te informeren. Uw verwijt dat ik “niet wil spreken” is dan ook onjuist en misleidend. Ik heb diverse pogingen ondernomen om juist inhoudelijk met u in contact te blijven, maar krijg daar structureel geen adequate of inhoudelijke reactie op. De zorgen over uw handelwijze zijn de afgelopen dagen verder toegenomen. Zo blijkt uit mijn eigen contact met de rechtbank dat er op 19 augustus 2025 een nieuwe rolzitting gepland staat. Dit vernam ik niet van u, maar pas toen ik - op eigen initiatief – navraag heb gedaan bij de rechtbank. De rechtbank bevestigde bovendien dat er op 23 juli 2025 reeds bericht is gestuurd naar u, waar ik tot op heden niets van heb ontvangen. Ik acht het onacceptabel dat ik dit soort cruciale procesinformatie niet via mijn eigen advocaat krijg, maar zelf moet achterhalen. Verder heb ik inmiddels beperkte inzage gekregen in delen van de correspondentie. Daarin zie ik dat de wederpartij stelt dat zij benadeeld wordt omdat het technische onderzoek niet is uitgevoerd (bericht [mr. P] aan de rechtbank 27.5.2025). U heeft naar mij toe juist verklaard dat het de wederpartij is die de voortgang heeft gefrustreerd, maar u geeft geen enkele onderbouwing van deze stelling, noch heb ik kunnen zien of daar richting de rechtbank verweer op is gevoerd. (…) Ik verzoek u dringend – en voor de laatste maal – om binnen 2 werkdagen volledige en onbeveiligde inzage te verstrekken in mijn dossier, inclusief alle e-mailcorrespondentie met de wederpartij, alle communicatie met de rechtbank en processtukken waarin namens mij is gereageerd (indien aanwezig). (…) Mocht u hieraan niet voldoen, dan zal ik mijn klacht bij de deken van de Orde van Advocaten uitbreiden met bovenstaande punten.” 
2.38    Hierop heeft verweerder dezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant: 
“Uw reactie houdt geen pas met de verhouding die ik u vraag te respecteren. Ik constateer een zeer ernstige verstoring van het vertrouwen. Mijn eerdere pogingen ten spijt: we hebben een ernstige vertrouwensbreuk. Dat vertrouwen is voor iedere moment en in iedere stand van deze zaak een vereiste voor uitoefening van mijn werk. De antwoordakte voor de rechtbank is de volgende stap. Er is geen deskundigenonderzoek waar wij de rechtbank over kunnen informeren. Ik moet met u overleggen over hoe nu verder. De ontwikkelingen op de rol worden bijgehouden en geagendeerd. Correspondentie wordt doorgestuurd en van de aanhouding(en) is er niet altijd een apart schrijven dat met u gedeeld kan worden. Ik beëindig de opdracht en zal mij onttrekken van de procedure bij de rechtbank en deze verzoeken de termijn voor de antwoordakte uit te stellen tot u zelf of met een andere gemachtigde wendt tot de rechtbank (…).” 
2.39    In een e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft mr. P aan de rechtbank, met verweerder in de cc een e-mailbericht geschreven met als onderwerp “(…) verzoek en akte (…) roldatum 19 augustus 2025”. Mr. P schrijft in dit bericht:
“Naar aanleiding van de door de wederpartij zelf ingediende verklaring kan niet anders dan worden geconcludeerd dat eiser een geschil heeft met zijn advocaat en dat gedaagde [de autoverkoper] onnodig heeft gewacht.
Er is geen bericht van onttrekken door de advocaat dus ik zet het kantoor in de cc. (…)”
2.40    Verweerder heeft hierop dezelfde dag gereageerd met: 
“Het is juist andersom. Ik heb u meermaals gerappelleerd om de gemaakte afspraken na te komen. Hetgeen u bericht aan de rechtbank is dan ook onjuist.”
2.41    In een e-mailbericht van 29 augustus 2025 heeft een medewerker van de rechtbank, in een reactie op een vraag hierover van klager, aan klager geschreven: “
“Ik heb het dossier bekeken en zie dat er vanaf 1 april 2025 enkel uitstel is verleend in uw zaak. Er zijn geen nieuwe inhoudelijke stukken ingediend. (…)”
2.42    Op 7 oktober 2025 heeft een andere bij verweerder werkzame juriste (hierna: mevrouw K) namens verweerder een e-mailbericht gestuurd aan de (toenmalige) deken. Hierin staat, voor zover relevant: 
“(…) Inzake het dossier van [klager] is bij het opruimen van de inbox nog een ouder mailbericht tegengekomen. Dit bericht is destijds wel gezien en beantwoord, maar – zo is gebleken – niet inclusief bijlagen opgeslagen in het dossier. Bij de doorzending van het dossier aan [klager] is dat bericht om die reden ook niet toegevoegd. Bij de ontdekking hiervan is het bericht uiteraard wel prompt naar [klager] doorgezonden met de nodige toelichting. [Klager] is hiervan derhalve reeds op de hoogte.” 
2.43    Op 7 oktober 2025 heeft de heer J een op 24 januari 2025 van mr. P  ontvangen e-mailbericht met bijlage aan klager doorgestuurd. De heer J schrijft hierover, voor zover relevant:  
“Bijgaand bericht heb ik destijds op gereageerd, maar ik kom zojuist de oorspronkelijke mail nog tegen en zie dat deze niet in het dossier is opgeslagen, waardoor de bijlagen (nu wel bijgevoegd) niet in het dossier zijn verwerkt. Omdat ik het bericht inclusief bijlagen nu zie, stuur ik het alsnog ter kennisgeving toe. Mochten er vragen of bijzonderheden zijn, verneem ik dat graag.” 
2.44    In het bijgevoegde e-mailbericht van 24 januari 2025 van mr. P aan de heer J staat, voor zover relevant: 
“Voor zover ik weet heb ik nog geen reactie van u gehad omtrent de vraag of wij het onderzoek niet beter elders bij bijvoorbeeld ANWB of RDW of een erkende grage kunnen laten plaats vinden. [Deskundige D] maakt volgens mij misbruik van omstandigheden. Ook heb ik geen bevestiging dat u de 50% kosten op uw rekening heeft ontvangen.” 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    Het zonder formele offerte, afweging kosten en overleg, wijzigen van het afgesproken onderzoeksbureau; 
b)    Het structureel achterhouden van essentiële correspondentie, waaronder een verzoek van de wederpartij; 
c)    Het nalaten van voortvarend optreden in een bindende afspraak; 
d)    Het verwaarlozen van het herhaalde verzoek van klager om transparantie en actie en het maken van advocaatkosten door klager zonder resultaat; 
e)    Het onvoldoende of niet voeren van verweer; 
f)    Het niet informeren met betrekking tot een rolzitting op 19 augustus 2025; 
g)    Eenzijdige onttrekking; 
h)    Het niet ter beschikking stellen van het volledige dossier aan klager.

3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Klachtonderdeel a) – het zonder overleg wijzigen van onderzoeksbureau
5.2    Klager verwijt verweerder in klachtonderdeel a) dat hij is overgestapt naar een ander onderzoeksbureau, zonder hierover met klager te overleggen. 
5.3    De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier het volgende vast. Nadat partijen aanvankelijk ter zitting van 7 november 2024 met elkaar overeen waren gekomen dat zij aan deskundige D de opdracht zouden geven, heeft de advocaat van de wederpartij, mr. P, op 20 januari 2025 een e-mailbericht aan een medewerker van verweerder, de heer J, gestuurd waarin hij voorstelde om het onderzoek (toch) door een ander bureau te laten verrichten. Hierop heeft (een andere) bij verweerder werkzame jurist, de heer A, op 5 februari 2025 een bericht aan klager doorgestuurd waarin mr. P aan de rechtbank scheef dat deskundige D “een exorbitant hoog bedrag” vroeg en dat partijen daarom samen naar aanvaardbare alternatieven zouden gaan zoeken. Nadat klager hierop dezelfde dag aan het kantoor van verweerder heeft weten dat hij daar niet mee instemde, heeft de heer J op 4 maart 2025 alsnog een offerte aangevraagd bij deskundige C. Toen klager hier op 23 maart 2025 mee bekend raakte en de betreffende offerte van deskundige C had ontvangen, heeft klager dezelfde dag nog aan de heer J geschreven dat hij er “ondanks de erg hoge kosten wel blij mee was”. Hij heeft daarbij geschreven: “Laat het wat mij betreft maar plaatsvinden.” Hierop heeft de heer J op 2 april 2025 aan klager geschreven dat de wederpartij ook akkoord was met een onderzoek door deskundige C, als ook dat de rechtbank geïnformeerd was. 
5.4    Gelet op de voorgaande gang van zaken is de raad van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Alhoewel klager aanvankelijk door verweerder niet betrokken is bij de alternatieve offerteaanvraag bij deskundige C, blijkt uit het e-mailbericht van klager van 23 maart 2025 duidelijk dat klager er (uiteindelijk) wel mee heeft ingestemd om het onderzoek door deskundige C te laten verrichten. Verweerder kon en mocht hier dan ook vanuit gaan. Er heeft gelet daarop dan ook wel afstemming met klager plaatsgevonden om het onderzoek niet door deskundige D, maar deskundige C uit te laten voeren. Dat verweerder niet in bezit was van de door mr. P opgevraagde offerte bij D, maakt naar het oordeel van de raad evenmin dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Vaststaat dat verweerder klager op de hoogte heeft gebracht van de wijziging van het onderzoeksbureau en dat klager hier (uiteindelijk) ook mee heeft ingestemd. 
5.5    Klachtonderdeel a) is ongegrond. 
Klachtonderdelen b), c), d) en f) – het achterhouden van correspondentie, het niet voortvarend optreden, het onvoldoende transparant zijn en het niet informeren over een rolzitting 
5.6    De raad ziet in de inhoud van de klachtonderdelen b), c), d) en f) aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling nu het verwijt in deze klachtonderdelen er in de kern op neerkomt dat verweerder klager meermaals niet heeft betrokken bij correspondentie, daarbij informatie voor hem heeft achtergehouden en (daarmee) niet voortvarend heeft opgetreden en onvoldoende transparantie heeft betracht richting klager.
5.7    De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier vast dat verweerder vanaf het najaar 2023 klager is gaan bijstaan als advocaat in het geschil met de autoverkoper. In april 2024 heeft verweerder voor het eerst een dagvaarding in de procedure uitgebracht. Ter zitting van 7 november 2024 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat zij gezamenlijk een opdracht zouden geven aan onderzoeksbureau D. Nadat hierover verder is gecorrespondeerd, heeft klager er op 23 maart 2025 mee ingestemd om het onderzoek toch niet door D, maar C, te laten verrichten (zie klachtonderdeel a). 
5.8    Dat voor klager hierna gaandeweg grote onduidelijk begon te ontstaan over de stand van zaken, omdat hij hierin door verweerder onvoldoende werd betrokken, blijkt naar het oordeel van de raad uit de verschillende hierop volgende correspondentie. Zo heeft klager op 1 juli 2025 een email aan het kantoor van verweerder gestuurd waarin hij schrijft: “Waarover zijn jullie/wij dan nog in gesprek met de wederpartij??? (…) Wat is het euvel? Ik snap er niks van!” Ook uit een hierop volgend e-mailbericht van 8 juli 2025 van klager aan het kantoor van verweerder volgt dat klager in het ongewisse verkeerde over het onderzoek en dat hij hierover zijn onvrede heeft geuit richting (het kantoor van) verweerder.  Pas nadat klager op 10 juli 2025 wederom een bericht aan het kantoor van verweerder had gestuurd waarin hij (nogmaals) om meer duidelijkheid vroeg en verzocht om daadkracht, heeft verweerder een korte reactie  gestuurd met de enkele mededeling dat “een meer omvangrijke terugkoppeling zou volgen”. Echter ook hierna is, blijkens de overgelegde correspondentie, de onduidelijkheid voor klager onverminderd blijven voortduren. Verweerder heeft toen wederom niets van zich laten horen. Klager heeft verweerder hierop op 22 juli 2025 nogmaals gemaild en hem geschreven dat, ondanks meerdere herinneringen van zijn kant, het onderzoek nog steeds niet kon plaatsvinden, omdat de benodigde gegevens door verweerder niet waren verstrekt terwijl klager verweerder hierover op 10 juli 2025 nog had gemaild. Ook hierop heeft verweerder weer niets van zich laten horen, waarna klager verweerder nogmaals op 30 juli 2025 en op 5 augustus 2025 heeft aangeschreven. Uiteindelijk heeft verweerder pas op 5 augustus 2025 weer gereageerd, maar omdat klager deze informatie onvoldoende vond heeft hij kort daarna, op 8 augustus 2025 een klacht tegen verweerder heeft ingediend. 
5.9    De raad is van oordeel dat uit de voorgaande gang van zaken blijkt dat verweerder klager onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van belangrijke afspraken, als ook dat hij te weinig transparantie heeft betracht richting zijn cliënt over de voortgang en de ontwikkelingen in de procedure. Vanwege de trage voortgang heeft klager uiteindelijk zelf contact moeten opnemen met deskundige C. Tien maanden na de mondelinge zitting, waarin door beide partijen een overeenkomst was ondertekend, was er nog altijd geen onderzoek verricht. Alhoewel de wederpartij ook niet heel doortastend lijkt te hebben opgetreden, neemt dit niet weg dat verweerder onvoldoende voortvarend is geweest en dat hem, gelet op al het voorgaande, daarom een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 
5.10    Uit de inhoud van het klachtdossier blijkt verder dat verweerder een bericht van 27 mei 2025, van mr. P aan de rechtbank, niet aan klager heeft doorgestuurd en dat hij klager niet op de hoogte heeft gesteld van de verschillende rolzittingen, zoals die van 19 augustus 2025. Dat verweerder, zoals hij heeft aangevoerd, klager niet met alle correspondentie heeft meegenomen omdat dit extra kosten met zich mee zou brengen en niet alle correspondentie (volgens verweerder) even relevant was voor klager, ontsloeg verweerder niet van zijn verplichting om zijn cliënt te informeren. Gelet op het bepaalde in gedragsregel 16 dient een advocaat zijn cliënt immers op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. De achtergrond daarvan is dat onduidelijkheden en misverstanden over wat er tussen advocaat en cliënt is afgesproken zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Gelet op alle vragen en verzoeken van klager om hem te informeren, had verweerder klager beter op de hoogte moeten houden en hem niet voortdurend in onwetendheid moeten laten verkeren. Dit heeft er mede toe geleid dat de zaak onnodig lang is voort blijven duren, terwijl klager al die tijd niet wist wat de stand van zaken was. 
5.11    Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De raad concludeert daarom dat de klachtonderdelen b), c), d) en f) gegrond zijn. 
Klachtonderdeel e) – het onvoldoende voeren van verweer 
5.12    De raad begrijpt klachtonderdeel e) zo dat verweerder wordt verweten dat hij ten onrechte geen verweer heeft gevoerd op het verzoek van de advocaat van de wederpartij van 27 mei 2025 om een Alfa Romeo garage in te schakelen voor het doen van onderzoek. De raad stelt vast dat, zoals door verweerder ook is aangevoerd, de rechtbank verder geen gehoor heeft gegeven aan dit verzoek. Dit verzoek heeft ook op andere wijze geen gevolgen gehad voor het verdere verloop van de procedure. Dat verweerder hierop verweer had moeten voeren of dat hij op andere wijze hierop een reactie had moeten geven, is de raad niet gebleken. 
5.13    Gelet op het voorgaande is klachtonderdeel e) ongegrond. 
Klachtonderdeel g)  -het eenzijdige onttrekken 
5.14    Het staat een advocaat vrij om de werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij daartoe zelfs gehouden. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen, dat de cliënt daarvan geen procedurele schade ondervindt.
5.15    Naar het oordeel van de raad is door verweerder gemotiveerd aangevoerd dat sprake was van een ernstige vertrouwensbreuk. Uit de inhoud van de overgelegde correspondentie is de raad gebleken dat klager er gaandeweg niet meer op vertrouwde dat verweerder zijn belangen nog op de juiste wijze zou behartigen. Nadat er tussen klager en verweerder al langere tijd sprake was van een moeizame communicatie, heeft klager bij mailbericht van 6 augustus 2025 aan verweerder laten weten dat hij mogelijk een klacht tegen verweerder wilde gaan indienen bij de deken. Uit de hierna volgende correspondentie blijkt dat klager steeds ontevredener raakte over de dienstverlening van verweerder, waarna verweerder zich bij mailbericht van 16 augustus 2025 heeft onttrokken.
5.16    Naar het oordeel van de raad kan verweerder op dit onderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Gelet op de genoemde correspondentie was de vertrouwensbasis komen te vervallen en kon de dienstverlening daarom niet langer worden voortgezet. Verweerder was in de gegeven omstandigheden gehouden om zijn werkzaamheden te beëindigen. Dat klager hiervan schade heeft ondervonden, heeft hij niet nader onderbouwd en dit is de raad ook overigens niet gebleken. 
5.17    Klachtonderdeel g) is gelet op het voorgaande ongegrond. 
Klachtonderdeel h) -het niet verstrekken van het dossier 
5.18    Voor wat betreft het verwijt dat verweerder het volledige dossier niet aan klager ter beschikking heeft gesteld, overweegt de raad dat door verweerder onbetwist is aangevoerd dat hij het dossier dusdanig groot van omvang was, dat het lastig was om dit in één keer (digitaal) over te dragen. Verweerder heeft klager daarom aangeboden om samen naar het dossier te kijken zodat klager kon aangeven welke stukken hij relevant vond. Omdat klager dit niet wilde, heeft verweerder hierna de stukken aan klager verstrekt. 
5.19    De raad stelt vast dat verweerder het dossier pas na tussenkomst van de deken aan klager heeft verstrekt. Alhoewel het beter was geweest als verweerder dit op eigen initiatief had gedaan, heeft verweerder het dossier inmiddels wel overgedragen. Dat dit nog steeds niet alles is en dat klager daarom ook nu nog niet over alle stukken zou beschikken, heeft hij niet nader geconcretiseerd en dit wordt door verweerder betwist. 
5.20    Klachtonderdeel h) is gelet op het voorgaande ongegrond. 
    
6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft onvoldoende voortvarend opgetreden in zijn bijstand aan klager. Ook heeft verweerder klager niet goed op de hoogte gehouden van de stand van zaken en alle ontwikkelingen in de procedure van klager. Verweerder heeft klager nauwelijks meegenomen in de correspondentie met onder meer de wederpartij en de rechtbank, waardoor klager bijvoorbeeld niet op de hoogte was van de datum van een rolzitting en hij ook over veel overige informatie niet beschikte. Klager heeft bij verweerder meermaals en herhaaldelijk aangedrongen op het verstrekken van informatie en het verkrijgen van duidelijkheid over de voortgang van zijn zaak, maar verweerder gaf hier niet of nauwelijks gehoor aan. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden kon en mocht worden verwacht. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, acht de raad de oplegging van een berisping passend.  

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager  geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen b), c), d) en f) gegrond;
-    verklaart de klachtonderdelen a), e), g) en h) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van een berisping op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en W. van Eekhout,   leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026. 


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 4 mei 2026