ECLI:NL:TADRSGR:2026:101 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-478/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:101 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-478/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 mei 2026 in de zaak 25-478/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 september 2025 op de klacht van:
klager 1
en
klaagster 2
en
klaagster 3
over:
verweerder
gemachtigde: mr. J.L. Zijlma
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 augustus 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 21 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K147 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 17 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard
en de klacht van klaagsters 2 en 3 kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 20 september 2025 hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing
van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 maart 2026. Namens
klagers is niemand verschenen. Verweerder en zijn gemachtigde waren aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken
van klagers van 4 oktober 2025.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klager 1 is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Omdat zijn naam en
reputatie als ondernemer in een kleine markt persoonlijk is geschaad, levert dit hem
een rechtstreeks en eigen belang op.
2.3 De voorzieningenrechter heeft op 12 juli 2024 geoordeeld dat de vorderingen
niet opeisbaar waren en dat geen pandrecht was gevestigd ter zekerheid van de earn-out.
Het standpunt van verweerder was dus onjuist, zodat ten onrechte door de voorzitter
is geoordeeld dat dit standpunt niet evident onpleitbaar was. Ook heeft de voorzitter
de klacht ten onrechte beperkt tot een civielrechtelijk geschil over het pandrecht,
terwijl het ook ging om het verspreiden van ongefundeerde informatie daarna.
2.4 De voorzitter heeft de klacht ten onrechte gereduceerd tot gedragsregel 8,
maar had dit ook in samenhang met gedragsregels 6 en 10 moeten beoordelen. De voorzitter
heeft ook ten onrechte aangenomen dat geen sprake was van een schending van gedragsregel
6, door verweerder niet in staat te stellen om rechtsmaatregelen te nemen. Verweerder
heeft misbruik gemaakt van procedurele posities en onnodig escalerende maatregelen
genomen, door zijn e-mail als drukmiddel te gebruiken. De voorzitter heeft onvoldoende
concreet gemotiveerd waarom de uitlating van verweerder aanvaardbaar zou zijn.
2.5 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komen klagers in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klagers aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A.T. Bol en A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.