ECLI:NL:TGZRAMS:2026:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8418
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-05-2026 |
| Datum publicatie: | 08-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8418 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klachten tegen een internist-oncoloog en een chirurg. Beide klachten zijn ingediend door de patiënt; de zoon van klager. De patiënt had uitgezaaide galwegkanker in de lever. Na het overlijden van de patiënt heeft klager (de vader) de klacht doorgezet. De patiënt werd behandeld door de internist en geopereerd door de chirurg. Over deze behandelingen/operaties was de patiënt erg ontevreden. De patiënt heeft de internist en chirurg een groot aantal verwijten gemaakt, waaronder medische nalatigheid, schending informed consent en onvoldoende communicatie. De artsen hebben verweer gevoerd. Klachten ongegrond verklaard. |
A2025/8418
Beslissing van 8 mei 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 8 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
chirurg,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de chirurg,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te D.
1. De zaak in het kort
1.1 De klacht is ingediend door de zoon van klager, F (hierna te noemen: de patiënt).
Na zijn overlijden is de klacht overgenomen door zijn vader, die daarom nu als klager
wordt aangemerkt.
1.2 De patiënt is in 2023 gediagnosticeerd met uitgezaaide galwegkanker in de lever (intrahepatisch cholangiocarnicoom). In het G is hij in het kader van een second opinion bij een internist-oncoloog (hierna te noemen: de internist) op consult gekomen en verder door haar behandeld. In het kader van die behandeling heeft de chirurg een kijkoperatie en een hemihepatectomie (ingreep waarbij de helft van de lever wordt verwijderd) bij de patiënt uitgevoerd. De patiënt was erg ontevreden over die operaties. In het klaagschrift heeft hij de chirurg een groot aantal verwijten gemaakt, waaronder dat hij zonder informed consent bij de kijkoperatie een uitzaaiing heeft verwijderd en bij de hemihepatectomie een deel van de geplande behandeling is vergeten en daarover niet open geweest. Ook verwijt hij de chirurg onvoldoende communicatie en empathie.
1.3 De chirurg heeft verweer gevoerd.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 april 2025;
- de brief van de patiënt van 17 mei 2025, ontvangen op 20 mei 2025, met een USB-stick;
- het verweerschrift met de bijlagen, waaronder het medisch dossier en een DVD;
- de e-mail van 17 juli 2025 van klager over het overnemen van de klacht;
- het proces-verbaal van het op 25 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek,
met als bijlage de pleitnotitie van klager.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 maart 2026. De partijen zijn verschenen, klager vergezeld van zijn partner en een andere zoon (broer van de patiënt). Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De klacht is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld met een tuchtklacht tegen de internist. Die klacht is bekend onder zaaknummer A2025/8417.
3. De feiten
3.1 De patiënt, geboren in 1988, is in 2023 gediagnosticeerd met uitgezaaide galwegkanker
in de lever (intrahepatisch cholangiocarnicoom) en een verdenking op uitzaaiingen
in het buikvlies. Op 26 juni 2023 is hij bij de internist in het G op consult gekomen
in het kader van een second opinion. De internist heeft de patiënt behandeld met palliatieve
chemotherapie (gemcitabine met cisplatin).
3.2 Op 12 september 2023, na afronding van vier kuren chemotherapie, is een CT-scan van de borstkas en buik gemaakt. Hieruit bleek dat de omvang van de levertumoren en uitzaaiingen was afgenomen. Tijdens het consult van 26 oktober 2023 bij de internist uitte de patiënt zijn twijfels over de aanwezigheid van uitzaaiingen in het buikvlies. Hij wilde dat er een vervolgplan voor na de chemotherapie werd gemaakt. De internist verwees de patiënt voor een consult naar de chirurg.
3.3 De casus van de patiënt werd besproken tijdens het multidisciplinair overleg (MDO) van 3 november 2023. Het advies van het MDO was om de chemotherapie te continueren en na afronding van de chemotherapie (na de achtste kuur) een nieuwe CT-scan te maken. De patiënt besloot na de zesde kuur om te stoppen met de chemotherapie, vanwege een iets verminderde nierfunctie en bijwerkingen.
3.4 Op 14 november 2023 kwam de patiënt voor het eerst bij de chirurg op consult. Tijdens dit consult besprak de chirurg met de patiënt de uitslag van een CT-scan, waaruit bleek dat de grootste tumor links door de chemotherapie fors was afgenomen, van 18 naar 10 centimeter. Er waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen in het buikvlies. De chirurg sprak vervolgens met de patiënt over mogelijke andere behandelingen, waaronder een operatie. Later die dag overlegde de chirurg met de internist. Vanwege aanhoudende onzekerheid over de aanwezigheid van buikvliesuitzaaiingen, kwamen zij tot het advies om een kijkoperatie uit te voeren. Als hieruit zou blijken dat er geen sprake was van buikvliesuitzaaiingen, dan zou tijdens het volgende MDO het voorstel voor een leverresectie voorgelegd kunnen worden. Na telefonisch contact met de patiënt over dit advies, werd de kijkoperatie ingepland.
3.5 De kijkoperatie vond plaats op 4 december 2023. Tijdens de ingreep heeft de chirurg een uitzaaiing in de lever verwijderd voor onderzoek. Er werden geen uitzaaiingen in het buikvlies gevonden.
3.6 De uitkomst van de kijkoperatie werd besproken in het MDO van 8 december 2023. Het advies van het MDO was om eerst de chemotherapie volledig af te ronden en daarna een leverresectie uit te voeren. De chirurg besprak dit advies met de patiënt op 12 december 2023. De patiënt zag opnieuw af van verdere behandeling met chemotherapie en koos voor direct opereren.
3.7 De operatie vond plaats op 16 januari 2024. Specifiek betrof de ingreep een zogeheten extended linker hemihepatectomie met wigresectie in leversegment 8. Dit betekent dat zoveel mogelijk kwaadaardig weefsel van de linkerhelft van de lever wordt verwijderd met behoud van een zo groot mogelijk gezond gedeelte van de lever, en dat ook uit de rechterhelft (sectie 8) een door de kwaadaardigheid aangetast deel wordt verwijderd. Tijdens de sign-outprocedure aan het einde van de operatie, toen de buikwand van klager was gesloten en hij nog onder narcose was, werd vastgesteld dat de wigresectie in leversegment 8 nog niet was uitgevoerd. De buikwand is toen opnieuw geopend en de afwijking in segment 8 is alsnog verwijderd. Na de operatie heeft de chirurg met de patiënt het verloop van de operatie besproken. Op 23 januari 2024 is de patiënt uit het ziekenhuis ontslagen.
3.8 Op 22 januari 2024 kwam de patiënt op consult bij een collega van de chirurg. Het herstel van de operatie verliep ongecompliceerd. Een week later kwam de uitslag van de patholoog binnen die de snijranden van het uitgenomen weefsel had beoordeeld. Hieruit bleek dat er op de snijranden van de verwijderde gedeeltes nog tumorcellen waren waargenomen (R1-resectie genoemd). Deze uitslag werd besproken in het MDO. Het advies van het MDO was om de patiënt te vervolgen tot eventuele toename van de ziekte en om elke drie maanden een CT-scan te laten maken. Een collega van de chirurg heeft de patiënt over dit advies geïnformeerd.
3.9 Op 7 februari 2024 kwam de patiënt weer op consult bij de chirurg. Op verzoek van de patiënt werd de CT-scan eerder, op 13 maart 2024, ingepland. De CT-scan liet een toename in grootte en aantal longafwijkingen zien in vergelijking met de scan die in januari 2024 voorafgaand aan de leverresectie was gemaakt. De chirurg verwees de patiënt vanwege deze uitslag terug naar de internist-oncoloog. De patiënt werd vervolgens ingepland voor een afspraak bij de internist.
3.10 De patiënt heeft de afspraak bij de internist afgezegd, omdat hij haar eerder
– op 5 december 2024 – had gemeld dat hij geen vertrouwen meer in haar had en haar
had verzocht om zijn dossier over te dragen aan een andere oncoloog. Ook zegde de
patiënt de vervolgafspraak bij de chirurg af. De patiënt was op zijn verzoek door
zijn huisarts verwezen naar een oncoloog in een ander ziekenhuis.
3.11 Vanaf de zomer van 2024 is de patiënt bezig geweest met het opvragen van zijn medisch dossier in het G. Op 9 juli 2024 ontving hij een kopie van zijn dossier (het Hix-patiëntendossier). Op dat moment bleek dat het operatieverslag van de leverresectie ontbrak, alleen de samenvatting van de operatie zat in het dossier. De chirurg heeft (opnieuw) een operatieverslag opgesteld en op 5 augustus 2024 aan de patiënt toegezonden. De patiënt heeft hierna nog aanvullende vragen over zijn dossier gesteld, onder meer over de verslagen van MDO’s en de hoeveelheid chemo die was toegediend. Deze informatie is aan de patiënt verstrekt. Ook bleken er nog enkele foto’s van de operatie van januari 2024 aanwezig te zijn op een lokale server van de operatiekamer. Deze beelden zijn in januari 2025 aan de patiënt verstrekt
3.12 In januari 2025 heeft de patiënt veelvuldig met de chirurg gemaild met vragen over de behandeling. De chirurg heeft deze vragen per e-mail beantwoord en heeft de patiënt daarnaast uitgenodigd voor een fysiek gesprek. Hierop is de patiënt niet ingegaan. In januari 2025 is ook vanuit de afdeling juridische zaken van het G een schriftelijke reactie aan de patiënt gestuurd naar aanleiding van zijn vragen. Later, in maart en april 2025, zijn aan de patiënt op zijn verzoek de logging- en mutatiegegevens van het dossier verstrekt.
3.13 Op 25 mei 2025 is de patiënt overleden.
4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1 Klager verwijt de chirurg:
a) onrechtmatige medische handelingen door tijdens de kijkoperatie zonder informed
consent een leveruitzaaiing te verwijderen;
b) het vergeten te verwijderen van de afwijkingen in segment 8 tijdens de operatie
en het proberen te verhullen van deze fout;
c) misleiding over de behandelintentie van de operatie;
d) weigering van nabehandeling na de operatie;
e) onvolledige en vertraagde dossiervoering;
f) ongepaste communicatie en gebrek aan respect.
4.2 De chirurg heeft verweer gevoerd en verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Volgens de chirurg heeft hij alles in het werk gesteld om de patiënt zo goed mogelijke zorg te geven.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat het heel triest is dat de patiënt op jonge leeftijd
getroffen is door een ernstige ziekte en is komen te overlijden. Het is heel begrijpelijk
dat zijn nabestaanden hier veel verdriet van hebben. Ook de chirurg is geraakt door
het beloop van de ziekte van de patiënt.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onrechtmatige medische handelingen zonder toestemming en informed
consent
5.3 De chirurg wordt verweten dat hij tijdens de kijkoperatie op 4 december 2024,
zonder toestemming van de patiënt, een leveruitzaaiing heeft verwijderd voor studiedoeleinden
en dat het doel van de verwijdering onjuist in het dossier is genoteerd. Daarnaast
wordt de chirurg verweten dat met het verwijderen van de uitzaaiing een risico op
verspreiding van kankercellen is ontstaan door manipulatie van het tumorweefsel. De
chirurg heeft dit weersproken.
5.4 Naar het oordeel van het college is er geen sprake geweest van het wegnemen van weefsel voor studiedoeleinden of wetenschappelijk onderzoek. In het operatieverslag is over de verwijdering het volgende genoteerd: “Resectie van kleine metastase in S2 tpv lig triangularis sinistra en verwijderd via 10mm trocart; ingestuurd voor PA opdat voldoende weefsel voor evt. aanvullende genetische analyse”. Hieruit kan worden opgemaakt dat het weefsel is verwijderd ten behoeve van eventuele (al of niet genetische) diagnostiek voor latere behandellijnen. Hiermee heeft de chirurg voorkomen dat op een later moment mogelijk opnieuw invasieve diagnostiek (dat wil zeggen: onderzoek in het lichaam, zoals een leverbiopt) zou moeten plaatsvinden met het oog op de keuze van verdere behandeling. Het college heeft geen aanwijzing dat de uitzaaiing voor een ander doel is weggenomen. Dat de diagnostiek uiteindelijk is uitgevoerd op weefsel dat bij de latere leverresectie is weggehaald, maakt dit niet anders. Op het moment van de kijkoperatie was namelijk nog niet zeker dat later een leverresectie zou plaatsvinden en er nog gelegenheid zou zijn om tumorweefsel te verwijderen. Nu niet is gebleken dat het weefsel voor studiedoeleinden is weggenomen, hoefde de patiënt ook geen toestemming te worden gevraagd voor het gebruik ervan voor wetenschappelijk onderzoek.
5.5 Tijdens de zitting heeft de chirurg toegelicht dat hij het weefsel tijdens de
kijkoperatie eenvoudig kon verwijderen, omdat de uitzaaiing aan de lever hing. Gezien
deze uitleg, is het risico op verspreiding van kankercellen nihil geweest. Het gaat
om een naar chirurgische maatstaven eenvoudige handeling, waarvan de patiënt geen
enkel nadeel heeft
ondervonden.
5.6 Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) chirurgische fout en poging tot verhullen, en klachtonderdeel e) onvolledige en vertraagde dossiervoering
5.7 De klachtonderdelen b) en e) worden gezien hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandeld.
5.8 De chirurg wordt verweten dat hij tijdens de operatie op 16 januari 2024, na het sluiten van de buik, erachter kwam dat de wigresectie in segment 8 nog niet was verwijderd. Hierdoor moest de buik van de patiënt opnieuw worden opengemaakt en duurde de operatie langer. Bovendien heeft de chirurg deze fout volgens de patiënt/klager niet direct erkend, heeft hij de fout in eerste instantie niet vermeld in het operatieverslag en hiervan ook geen melding gemaakt bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De chirurg wordt verder verweten dat de MDO-verslagen en het beeldmateriaal niet tijdig aan de patiënt zijn verstrekt.
5.9 De chirurg betreurt dat hij aanvankelijk vergeten was de wigresectie van de afwijkingen in segment 8 uit te voeren en heeft de patiënt hiervoor meerdere malen zijn excuses aangeboden. Hij voert aan dat hij hierover meteen openheid heeft gegeven. Verder is volgens hem het nadelige effect voor de patiënt beperkt gebleven, omdat de operatie hierdoor slechts twintig minuten langer heeft geduurd op een totale operatietijd van acht uur.
5.10 Het college acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de chirurg voor het sluiten van de buik van de patiënt een deel van de geplande ingreep nog niet had uitgevoerd. Een sign-outprocedure vindt plaats als de ingreep klaar is en de patiënt nog onder narcose is. Hierbij bespreekt het operatieteam de uitgevoerde ingreep, postoperatieve instructies en worden materialen gecontroleerd. Het uitvoeren van een operatie is mensenwerk en hierbij kan iets over het hoofd worden gezien, zeker bij een langdurige operatie. De sign-outprocedure is juist bedoeld om dergelijke omissies te ontdekken en te herstellen. De wigresectie is ook alsnog direct uitgevoerd. De patiënt heeft daarom slechts beperkt nadeel gehad van het opnieuw openen van de buik en de iets langere duur van de operatie. Niet gebleken is dat sprake is geweest van complicaties als gevolg van de verlengde operatie of van andere schadelijke gevolgen voor de patiënt.
5.11 Het doen van een calamiteitenmelding is in deze situatie niet nodig. Volgens de definitie van artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is een calamiteit ‘een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid’. Indien sprake is van een calamiteit, dan is de zorgaanbieder verplicht om hiervan onverwijld melding te doen bij IGJ (artikel 11 lid 1 onder a Wkkgz). Het college heeft onder 5.10 toegelicht waarom geen sprake is geweest van een ernstig schadelijk gevolg voor de patiënt. Er bestond daarom ook geen wettelijke verplichting om hiervan melding te doen bij de IGJ.
5.12 Na de operatie heeft de chirurg het verloop van de operatie besproken met de
patiënt. Over dit contact heeft de chirurg in het dossier genoteerd: “(…) Ook verteld dat we zijn buik al hadden gesloten en ons toen nog bedachten dat we de
afwijking in segment 8 niet hadden verwijderd. Hij was nog onder narcose en we hebben
vervolgens deze afwijking alsnog verwijderd. Hierdoor heeft de operatie iets langer
geduurd.” Hieruit blijkt dat de chirurg niet geprobeerd heeft om de omissie te verhullen.
Vanuit klager is nog naar voren gebracht dat de chirurg hierover niets heeft gezegd
toen hij klager direct na de operatie belde. Tijdens de zitting heeft de chirurg toegelicht
dat zijn ervaring is dat familieleden na zo’n grote operatie vooral willen horen of
het goed gaat met de patiënt. Het leek hem beter om het verloop van de operatie verder
met de patiënt persoonlijk te bespreken. Wel erkent de chirurg dat hij, zoals afgesproken
was, de klager had moeten informeren wanneer hij bij de patiënt zou langslopen, zodat
de klager bij het gesprek met de patiënt kon aansluiten. Het college acht het begrijpelijk
dat de chirurg klager als vader van de patiënt niet direct na de operatie heeft meegedeeld
dat de wigresectie in eerste instantie was vergeten. Hij heeft dit later wel meteen
aan de patiënt zelf verteld. Hoewel het beter was geweest als de chirurg het tijdstip
van zijn bezoek aan de patiënt met klager had gecommuniceerd, zoals hij had beloofd,
is dit niet voldoende zwaarwegend voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.13 Over het operatieverslag heeft de chirurg toegelicht dat hij dit na de operatie wel heeft opgemaakt, maar dit blijkbaar niet goed heeft opgeslagen. Toen later bleek dat het operatieverslag ontbrak, heeft de chirurg dit alsnog opgemaakt. Het is ongelukkig dat dit is gebeurd, maar dat maakt niet dat de chirurg in de dossiervoering tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of dat dit kan worden bestempeld als een poging tot verhullen.
5.14 Het is voor de patiënt erg vervelend geweest dat het een tijd heeft geduurd voordat hij het volledige dossier met alle beelden en logging-gegevens in zijn bezit had, vooral omdat hij daar veel energie in heeft gestoken tijdens de laatste periode van zijn leven. In het verweerschrift is toegelicht dat de vertraagde verstrekking van het complete dossier te maken heeft met de complexiteit van de verschillende systemen waarin informatie is opgeslagen en dat het standaard patiëntendossier direct aan de patiënt is verstrekt. Naar het oordeel van het college kan de chirurg van de fragmentarische verstrekking van het dossier en de lange duur daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In eerste instantie was hij niet betrokken bij het verstrekken van het dossier, omdat dit via de zorgadministratie liep. Toen de chirurg bekend raakte met de verzoeken van de patiënt, heeft hij er herhaaldelijk persoonlijk bij de zorgadministratie en de afdeling juridische zaken op aangedrongen dat de stukken volledig aan de patiënt zouden worden verstrekt.
5.15 De klachtonderdelen b) en e) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel c) misleiding over behandelintentie.
5.16 Volgens klager stelde de chirurg aanvankelijk een curatieve operatie voor met
als doel een R0-resectie (dat wil zeggen een resectie waarbij de gehele afwijking
wordt verwijderd en de snijranden vrij zijn van tumorcellen), maar is achteraf gebleken
dat de chirurg tijdens de operatie een R1-resectie accepteerde (een resectie waarbij
op de snijranden nog wel tumorcellen aanwezig zijn). Dit is in strijd met het informed
consent, aldus klager.
5.17 De chirurg heeft naar voren gebracht dat het doel nooit een curatieve operatie is geweest en dat dit ook met de patiënt is gecommuniceerd. Een R0-resectie is wenselijk, maar dit kan nooit worden gegarandeerd. De chirurg heeft verder toegelicht dat het enerzijds belangrijk is zoveel mogelijk tumorweefsel te verwijderen, maar dat anderzijds een zodanig groot gedeelte van de lever moet overblijven dat dit nog kan functioneren en de kans op leverfalen beperkt blijft. Daarbij komt dat een R0- of een R1-resectie, gezien het stadium van de ziekte van klager, op de langere termijn niet veel verschil zou hebben gemaakt voor zijn levensduur.
5.18 Uit de dossieraantekeningen blijkt dat de chirurg tijdens het consult van 14 november 2023 aan de patiënt heeft verteld dat de kans op genezing bij alle behandelopties zeer klein was (minder dan 1 op 1000). Ook uit de verdere aantekeningen kan niet worden opgemaakt dat een curatieve behandeling tijdens de consulten aan de orde is geweest. In het dossier heeft de chirurg genoteerd dat een operatie technisch mogelijk was, maar dat onzeker was of die zinvol zou zijn. Het college kan verder de toelichting van de chirurg over de noodzaak tot het beperken van de resectie volgen. Hiermee was de kans op postoperatief leverfalen minder groot en zijn de nadelen van de ingreep voor klager zo beperkt mogelijk gehouden. Of er sprake is van een R0 of R1-resectie blijkt pas nadat de patholoog het weggenomen weefsel heeft onderzocht. Met het blote oog is niet zichtbaar of er tumorcellen zijn achtergebleven. Nu dit dus pas achteraf kan worden vastgesteld, is het niet mogelijk om voor de operatie informed consent te krijgen voor een R1-resectie.
5.19 Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Klachtonderdeel d) weigering behandeling en zorgvertraging
5.20 De chirurg wordt verweten dat aan de patiënt geen herstel- of nabehandeling
is aangeboden, ondanks dat sprake was van een R1-resectie en de patiënt om nabehandeling
heeft verzocht. De patiënt was van mening dat hij nog recht had op twee behandelkuren
chemotherapie.
5.21 Volgens de Richtlijn Galweg en galblaascarcinoom van de Nederlandse Vereniging van Heelkunde/FMS (2013) was er na de operatie geen indicatie voor verdere behandeling met chemotherapie. Het beleid volgens de richtlijn is om de patiënt wel te vervolgen om te zien hoe de ziekte zich ontwikkelt. De reden hiervan is dat er een maximum zit aan het aantal behandelingen dat kan worden toegepast. Door een patiënt te vervolgen en pas weer een eventuele behandeling in te zetten als de ziekte toeneemt, worden behandelingen zo effectief mogelijk ingezet, met optimale kwaliteit van leven voor de patiënt. Toen in maart 2024 nieuwe longafwijkingen te zien waren, is de patiënt daarom verwezen naar een internist-oncoloog om een eventuele aanvullende vervolgstap te bespreken. Door een ongelukkige samenloop is de patiënt toen ingepland bij de internist die hem in eerste instantie behandelde, terwijl hij dat niet meer wilde, en heeft de patiënt de verdere afspraken in het ziekenhuis geannuleerd. Hierdoor is ook de chirurg niet meer toegekomen aan het bepalen van beleid voor eventuele verdere behandeling.
5.22 Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel f) ongepaste communicatie en gebrek aan respect
5.23 De chirurg wordt ten slotte een gebrek aan empathie en professionele communicatie
verweten. De chirurg zou het verzoek van de patiënt om een andere internist-oncoloog
hebben genegeerd. Verder heeft hij de fout tijdens de operatie van januari 2024 gebagatelliseerd,
door bij een volgend consult de opmerking te maken dat bij het bouwen van een huis
ook veel fouten worden gemaakt.
5.24 De chirurg betwist dat hij de patiënt niet wilde doorverwijzen naar een andere oncoloog. Hij stelt dat hij juist met de patiënt heeft gesproken over een verwijzing naar een ziekenhuis in L, maar dat de patiënt daar op dat moment geen gebruik van wilde maken. Dat de patiënt in maart 2024 een afspraak heeft gekregen bij de internist die hem naar de chirurg had verwezen, terwijl de patiënt dat niet meer wilde, valt de chirurg niet aan te rekenen. Het eerdere verzoek van de patiënt om het dossier over te dragen aan een andere internist was namelijk niet aan de chirurg gericht.
5.25 Wat betreft de opmerking over het bouwen van een huis heeft de chirurg toegelicht dat hij deze vergelijking heeft gemaakt, omdat de patiënt zelf werkzaam was in de bouw/vastgoedsector. De chirurg wilde hiermee uitleggen dat overal fouten worden gemaakt en het was zijn bedoeling aan te sluiten bij de leefwereld van de patiënt. Toen later bleek dat de patiënt deze vergelijking ongepast vond, heeft de chirurg hem hiervoor zijn excuses aangeboden. De chirurg is verder van mening dat hij zich altijd heeft ingezet voor de patiënt, tijdens consulten uitgebreid de tijd voor hem heeft genomen en het behandelbeleid heeft aangepast aan de wensen van de patiënt, ook als die wensen niet volgens de richtlijn waren. Toen in januari 2025 bleek dat de patiënt nog veel vragen had over de behandeling, heeft hij van alles geprobeerd om nog een fysiek gesprek met de patiënt mogelijk te maken. Hij betreurt dat het niet gelukt is om het vertrouwen van de patiënt te winnen.
5.26 Het is duidelijk dat de opmerking over fouten bij het bouwen van een huis bij de patiënt niet goed is gevallen. Deze opmerking is echter niet voldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Voor het overige komt uit het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek en de presentatie van de chirurg tijdens de zitting een beeld naar voren van een toegewijde specialist die zich heel beminnelijk en empathisch opstelt. Hij heeft de zorgen van de patiënt – uiteraard terecht – zeer serieus genomen en steeds dubbele consulten voor hem ingepland of hem aan het einde van het spreekuur laten inplannen, zodat hij ruim de tijd had om alle vragen van de patiënt te beantwoorden. De patiënt heeft in zijn ‘tijdlijn’ ook vermeld dat de chirurg hem voor de beide operaties persoonlijk heeft opgebeld. Verder ziet het college in de e-mailwisseling van januari 2025 dat de chirurg steeds snel en zeer uitgebreid de vragen van de patiënt heeft beantwoord. Hij spreekt daarin ook uit dat het hem duidelijk is geworden dat de patiënt zeer teleurgesteld en boos op hem is, dat het hem enorm spijt dat de patiënt zich zo voelt en dat het hem persoonlijk raakt dat hij niet aan de verwachtingen van de patiënt heeft voldaan. Het college kan niet vaststellen dat de houding van de chirurg tijdens de consulten met de patiënt anders is geweest en dat hij zich niet respectvol naar de patiënt zou hebben gedragen.
5.27 Ook klachtonderdeel f) is ongegrond.
Slotsom
5.28 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist,
R.J. Klicks, D.J.A. Sonneveld en C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei
2026.