ECLI:NL:TGZRZWO:2026:62 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9013

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:62
Datum uitspraak: 01-05-2026
Datum publicatie: 01-05-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9013
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht tegen verweerster (haar zus). Verweerster heeft bij aanvraag beschermingsbewind voor haar moeder benoemd dat zij HBO-verpleegkundige is en heeft gewerkt als casemanager dementie. Klaagster verwijt verweerster dat zij misbruik makat van haar professionele status. Handelen in de privésfeer kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen onder de tweede tuchtnorm worden getoetst. Het verweten handelen valt niet onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 1 mei 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

verpleegkundige,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, advocaat te Eindhoven.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster en verweerster zijn zussen. Verweerster heeft samen met een andere zus beschermingsbewind aangevraagd voor hun moeder. In het begeleidend schrijven bij deze aanvraag noemt verweerster dat zij HBO-verpleegkundige is en gewerkt heeft als casemanager dementie. Klaagster verwijt verweerster – onder meer – dat zij misbruik maakt van haar professionele status door daarmee een familiair oordeel te presenteren als een professionele inschatting en dat zij onterechte (financiële) beschuldigingen uit aan het adres van klaagster.

1.2     Het college komt tot het oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. Hierna licht het college dat toe.
 

  1. De procedure
     


2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 september 2025;
-het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
-de op 6 maart 2026 van de zijde van verweerster ontvangen stukken;
-het bij brief van 13 maart 2026 namens verweerster gemaakte bezwaar tegen openbare behandeling ter zitting.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en verweerster hebben aantekeningen voorgelezen, deze zijn niet aan het college overhandigd. De gemachtigde van verweerster heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het college en de andere partij overgelegde pleitnota.

2.4     Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting verzocht de zaak niet tijdens een openbare zitting te behandelen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het niet gaat om een patiënt die klaagt over zijn behandelaar maar om een zus die klaagt over een andere zus en dat dit met de gezondheidszorg niet veel te maken heeft. Het gaat over de nalatenschap van hun beider moeder.

2.5     Het college heeft dit verzoek, na schorsing van de zitting en beraadslaging in raadkamer, afgewezen en deze afwijzing mondeling toegelicht ter zitting. In de mondelinge toelichting is aangegeven dat openbaarheid van tuchtrechtspraak het uitgangspunt is en dat de stelling van verweerster dat sprake is van een privégeschil tussen twee zussen onvoldoende is om een zitting achter gesloten deuren te rechtvaardigen. Hierbij is van belang geacht dat in deze tuchtklacht juist ter beoordeling staat of de verpleegkundige uitsluitend heeft gehandeld als privé-persoon en dat op dit oordeel niet vooruit kan worden gelopen.

  1. De feiten
     

3.1       Klaagster en verweerster zijn zussen. De familieverhoudingen tussen klaagster enerzijds en verweerster en een derde zus (tweelingzus van verweerster) anderzijds, zijn ernstig verstoord. De familieverhouding met de in 2023 overleden moeder van klaagster en verweerster was complex.

3.2       In 2022 werd moeder opgenomen met een ileus beeld als gevolg van, zo bleek na onderzoek, uitgezaaide darmkanker. Moeder kreeg een stoma en werd eind augustus 2022 vanuit het ziekenhuis opgenomen op de revalidatieafdeling van D.

3.3       Bij brief van 26 september 2022 dienden verweerster en haar tweelingzus een verzoek tot onderbewindstelling in bij de rechtbank Gelderland. In de begeleidende brief werd als verzoekster onder meer verweerster genoemd, met daarbij genoteerd “HBO verpleegkundige BIG geregistreerd, Post HBO Ouderenadviseur en 6.5 jaar gewerkt als Casemanager Dementie”. Als tweede verzoekster was de tweelingzus van verweerster genoemd, waarbij onder meer was aangegeven dat zij jurist en gastdocent gezondheidsrecht en medische ethiek was en mentor van ouderen met dementie.

3.4       In bovengenoemde begeleidende brief schrijven verweerster en haar tweelingzus over de zorgen die zij hebben over de cognitie van moeder en – kort gezegd – financiële uitbuiting van moeder door klaagster. Zij schrijven onder meer: “ook willen wij [moeder] beschermen tegen wat wij kennen als ouderenmishandeling, financiële uitbuiting en misbruik door [klaagster]”.

3.5       De rechtbank Gelderland stelde bij beschikking van 2 november 2022 provisioneel bewind in, waarbij een onafhankelijke derde werd benoemd tot provisioneel bewindvoerder. Bij beschikking van 23 december 2022 werd definitief bewind ingesteld met benoeming van de eerdergenoemde derde als bewindvoerder.
 

  1. De klacht en de reactie van verweerster

4.1    Klaagster verwijt verweerster:
a) bewuste misleiding over de medische en financiële toestand van moeder in de aanvraag beschermingsbewind;
b) misbruik van haar professionele status in de aanvraag door deze te gebruiken om een familiair oordeel te presenteren als professionele inschatting;
c) het verspreiden van aantoonbare onwaarheden door in de aanvraag onbevestigde beschuldigingen te doen over klaagster;
d) manipulatie van medische context door in de aanvraag impliciet te verwijzen naar een diagnose dementie;
e) instrumentalisering van professionele status door deze in de bijlage bij de aanvraag in te zetten om familiaire beschuldigingen te legitimeren;
f) onzorgvuldige bronvermelding door in de aanvraag te verwijzen naar een geriater met de naam “E”, terwijl de betrokken specialist “F” is.

4.2     Verweerster stelt zich op het standpunt uitsluitend te hebben gehandeld in haar rol als dochter, mantelzorger en eerste contactpersoon van patiënte en niet als beroepsmatig verpleegkundige of casemanager dementie. Verweerster heeft geen BIG-geregistreerde handelingen verricht, geen enkele vergoeding ontvangen en het handelen vond plaats buiten haar professionele hoedanigheid. Er was geen sprake van een behandelrelatie tussen patiënte en verweerster of van professionele zorgverlening.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

  1. De overwegingen van het college

5.1     De klacht ziet niet op enig handelen ten opzichte van een patiënt of naaste zoals beschreven onder artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG), zodat de klacht niet getoetst kan worden aan de eerste tuchtnorm. De tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG) betreft gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor het handelen in strijd met de tweede tuchtnorm is tevens vereist dat dit voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

5.2     Voor de beoordeling van de klacht op basis van de tweede tuchtnorm is het van belang om vast te stellen of het handelen van verweerster plaatsvond in de privésfeer. Aangezien de uitlatingen door verweerster zijn gedaan in het kader van een verzoek tot onderbewindstelling van moeder, heeft als uitgangspunt te gelden dat het gedragingen in de privésfeer betreffen. Beoordeeld moet worden of het vermelden door verweerster in de begeleidende brief over welke professionele kwalificaties, ervaring en BIG-registratie zij beschikt dit anders maakt. Daarbij neemt het college in aanmerking dat verweerster in het verzoek tot onderbewindstelling en de begeleidende brief expliciet noemt dat de betrokkene haar moeder is. Daarnaast is van belang dat verweerster haar professionele achtergrond en BIG-registratie alleen noemt in de beschrijving van wie de verzoekers zijn. Verweerster doet anderszins in de brief geen (expliciet) beroep op haar professionele achtergrond of hoedanigheid. Daar komt bij dat uit de inhoud van de brief duidelijk blijkt dat verweerster die als dochter volledig samen met haar tweelingzus schreef, door consequent formuleringen te gebruiken als ‘wij’ en ‘onze moeder’. Het voorgaande betekent dat het in dit geval, ondanks het vermelden van de BIG-registratie door verweerster, gaat om uitlatingen in de privésfeer.

5.3     Handelen dat plaatsvindt in de privésfeer kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen onder de tweede tuchtnorm worden getoetst. In de Memorie van Toelichting is de beoogde invulling van de tweede tuchtnorm waar het gaat om handelingen in de privésfeer als volgt toegelicht: “De wijziging beoogt te verduidelijken dat het tuchtrecht tevens van toepassing is in de volgende situaties. (…) als een BIG-geregistreerde in de privésfeer (…) zich schuldig maakt aan misdragingen van dien aard en ernst dat hij een gevaar voor patiënten vormt of het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig schaadt. Hier moet gedacht worden aan levens-, gewelds-, en zedendelicten, zoals seksueel misbruik of ernstige mishandeling.” (Kamerstukken II, 2016/17, 34629, 3 (MvT), p. 22. Van enige misdraging van verweerster rond de aanvraag van het beschermingsbewind van een dergelijke aard of ernst is geenszins sprake. Het verweten handelen valt derhalve niet onder reikwijdte van de tweede tuchtnorm.

Slotsom

5.4     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.

6.     De beslissing


Het college verklaart klaagster niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist,

B. Nijhuis-Prigge, S. Geul en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 .

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.