ECLI:NL:TGZCTG:2026:92 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2973
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2973 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klager heeft door de huisarts een kleine, donkere, onderhuidse zwelling op zijn bovenbeen laten verwijderen. Uit pathologisch onderzoek bleek dat dit een dermatofibroom was. Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2973 van:
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., huisarts,
werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager heeft door de huisarts een kleine donkere onderhuidse zwelling op zijn bovenbeen laten verwijderen. Uit pathologisch onderzoek bleek dat dit een dermatofibroom was. Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 2 september 2025 met nummer A2025/8189 ((ECLI:NL:TGZRAMS:2025:221).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, de aanvullende gronden van het beroep en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 maart 2026 behandeld. Klager en de huisarts waren beiden aanwezig. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van klager en van de huisarts zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Op 10 juli 2024 is klager bij de huisarts op consult geweest in verband met een kleine donkere zwelling op het rechterbovenbeen. De huisarts constateerde bij lichamelijk onderzoek een gepigmenteerde palpabele onderhuidse nodulus en stelde aan klager voor om dit te verwijderen. De huisarts heeft dit een week later ook gedaan, waarna hij het verwijderde weefsel heeft opgestuurd voor pathologisch onderzoek. Uit dat onderzoek bleek dat sprake was van een dermatofibroom, een goedaardige huidtumor. Klager heeft een litteken overgehouden aan de ingreep.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager als volgt samengevat:
Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) een verkeerde diagnose heeft gesteld;
b) een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd;
c) klager onterecht niet heeft doorverwezen naar een specialist.
4.2 Het Centraal Tuchtcollege begrijpt uit het klaagschrift en de daarop door klager tijdens het mondeling vooronderzoek van 30 juni 2025 gegeven toelichting dat klager de huisarts verder ook verwijt dat hij hem niet dan wel onjuist heeft geïnformeerd over het doel van de voorgestelde excisie, over mogelijk minder ingrijpende behandelingen en het feit dat hij aan de excisie een litteken zou overhouden. Volgens klager was daarmee geen sprake van informed consent.
4.3 Klager is het niet eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om alle klachtonderdelen, waaronder dat over het ontbrekende informed consent, alsnog gegrond te verklaren.
4.4 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
4.5 Dit betekent dat de klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Toetsingskader
4.6 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijke bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdelen a) en b)
4.7 De huisarts heeft in beroep toegelicht dat hij bij lichamelijk onderzoek
de onderhuidse zwelling op het bovenbeen van klager het meest passend vond bij een
dermatofibroom (een goedaardige huidtumor), maar dat hierover pas na histopathologisch
onderzoek zekerheid kon worden verkregen. Om die reden heeft hij aan klager voorgesteld
om de zwelling te laten verwijderen en deze te laten onderzoeken. De huisarts nam
daarbij naar eigen zeggen mede in aanmerking dat de zwelling gepigmenteerd was en
dat klager zijn zorg uitte over de mogelijkheid van huidkanker.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel
dat de huisarts daarmee is uitgegaan van een passende (voorlopige) diagnose en dat
de gekozen behandeling proportioneel en medisch verantwoord was. Dat de huisarts geen
minder ingrijpende behandelingen heeft voorgesteld, zoals bijvoorbeeld lasertherapie
of cryotherapie, is in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat bij die behandelingen
pathologisch onderzoek niet goed mogelijk is en er dan dus geen zekerheid over de
aard van de afwijking kon worden verkregen.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen a) en b) dus terecht ongegrond
verklaard.
Klachtonderdeel over ontbreken informed consent
4.9 De stelling van klager dat hij door de huisarts niet is geïnformeerd over
het doel van de behandeling en eventuele littekenvorming wordt door de huisarts uitdrukkelijk
betwist. Volgens de huisarts heeft hij wel degelijk met klager de mogelijke (goedaardige
of kwaadaardige) aard van de afwijking, de reden voor excisie (diagnostische zekerheid),
het nut van pathologisch onderzoek en de risico’s (inclusief littekenvorming) besproken
en heeft klager vervolgens met de voorgestelde behandeling ingestemd. De lezingen
van partijen lopen op dit punt dus uiteen. De huisarts heeft in het medisch dossier
niet vermeld welke informatie hij tijdens het consult op 10 juli 2024 aan klager heeft
gegeven. Het Centraal Tuchtcollege heeft daarmee geen mogelijkheid om vast te stellen
wat er toen precies is gezegd. Vast staat in elk geval dat de huisarts klager de gelegenheid
heeft gegeven zich op de voorgestelde behandeling te beraden: er is een nieuwe afspraak
gemaakt voor het uitvoeren van de excisie, een week na dit consult. Er is geen reden
om aan de lezing van de een meer geloof te hechten dan aan die van de ander. De conclusie
moet dan ook zijn dat niet aannemelijk is geworden dat de huisarts, zoals klager stelt,
klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Het Centraal Tuchtcollege kan het klachtonderdeel
over het ontbreken van informed consent dan ook niet gegrond verklaren.
Klachtonderdeel c)
4.10 Het Centraal Tuchtcollege is het verder eens met overweging 5.5 van de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege. Een huisarts hoeft een patiënt met een verdenking
op een goedaardige huidtumor in beginsel niet voor verder onderzoek of voor het verwijderen
ervan naar een specialist (dermatoloog) te verwijzen. Een huisarts is in het algemeen
bevoegd en bekwaam een dergelijke tumor zelf te verwijderen en het weefsel op te sturen
voor verder onderzoek. Ook dit klachtonderdeel is dus terecht ongegrond verklaard.
Conclusie
De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft
verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,
R. Prakke-Nieuwenhuizen en J. Legemaate, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.